De grens opzoeken

Een nieuw boek over het koningshuis is aanleiding voor interviews die vrijwel altijd beginnen met de constatering: ‘U bent republikein’.

Zo ook bij Oranje Zwartboek dat medio oktober verscheen. ‘Ja, ik ben republikein.’ Ik mag dan graag, een beetje pesterig, de wedervraag stellen of ze pro-Oranjepublicisten ook vragen of ze monarchist zijn.

Na mijn ‘schuldbekentenis’ maak ik duidelijk dat het voor je onderzoek niet uitmaakt welke staatsvorm je prefereert. Als historicus baseer ik me immers op feiten. Het heeft uitsluitend voordelen als je als interviewer met een republikein te maken krijgt. Lofzangen op de Oranjes, aanhankelijkheidsbetuigingen en redeloze vergoelijkingen, als er iets mis is gegaan, blijven hem bespaard. Geen loftrompetten maar feiten.

Het publicatietijdstip van Zwartboek was geniaal, al was het puur toeval. Het boek stond gepland voor eind maart, maar werd vanwege de coronacrisis doorgeschoven naar oktober. Precies in de week dat de koning met zijn gezin naar Griekenland vertrok. Dat Willem-Alexander met zijn vakantiereis gratis reclame maakte voor mijn boek was een aangename verrassing, waarvoor ik hem per tweet heb bedankt. Dát hij ging was geen verrassing. De Oranjes trekken zich nu eenmaal nergens wat van aan, doen altijd waar ze zin in hebben en als er geld te halen valt, gaan ze volledig uit hun dak. Dat is altijd zo geweest. Als je wilt weten hoe de Oranjes zich gedragen, kun je Zwartboek prima als leerboek en zelfs als handleiding gebruiken.

Hun vakantietrip verliep naadloos. Volgens het boekje. Rutte had iedereen gemaand thuis te blijven en vooral niet de grenzen op te zoeken. Dus pakten Willy, Máx en de kinderen hun koffers en gingen letterlijk en figuurlijk de grens over. Uiteraard op onze kosten en met het regeringsvliegtuig, want als Willy zegt dat zijn vakantie het staatsbelang dient omdat hij als fitte koning beter functioneert, zal Rutte hem niet tegenspreken. Niemand zou trouwens achter hun reisje komen. De flight tracker van het toestel staat permanent uitgeschakeld want we mogen niet weten hoe vaak de koning met vakantie gaat. Gelukkig was er een wakkere vliegtuigspotter die de PH-GOV zag vertrekken.

Beatrix deed iets soortgelijks toen ze in 2000 op skivakantie naar Oostenrijk ging, waar juist een ultrarechtse regering met Jörg Haider was aangetreden. Van het dringende advies niet te gaan, had de Majesteit zich – volgens het boekje – niets aangetrokken. De journalisten die haar in Lech belaagden, zouden ter plekke dood zijn neergevallen als blikken hadden kunnen doden. Vanzelfsprekend bleef Beatrix.

Willem-Alexander kwam wel terug, al was op foto’s te zien dat hij en Máx gruwelijk de smoor in hadden. Logisch, want wij hadden hen de herfstvakantie door de neus geboord. Eigenlijk best sneu, want het was alweer anderhalve maand geleden dat ze hun zomervakantie van zes weken in Griekenland hadden afgesloten. Dan wil je er wel weer eens uit.

Opvallend was dat zelfs de meest fervente Oranjevereerders geen goed woord voor de reis over hadden. Iedereen moest thuisblijven vanwege die rotcorona, maar zij trokken zich nergens wat van aan. Wel meeklappen voor de zorg en zogenaamd empathie tonen, maar solidair zijn met het van alle pleziertjes verstoken volk? Ho maar. In een kneuterige videoboodschap ging het koningspaar – ‘betrokken, niet onfeilbaar’ – door het stof. Onmiddellijk daarna begon, alweer volgens het boekje, het Grote Vergoelijken.

Hoe houterig en onoprecht de excuses van de koning, met Máxima verbeten zwijgend aan zijn zijde, ook overkwamen. Alles was weer vergeven en vergeten. Wie waren wij om over hun zuurverdiende vakantie te oordelen? Een Oranjeduider van de allerergste soort uitte zich jubelend over het Zwijgend Zitten van Máxima: ‘dat deed ze echt héél goed’. Republikeinen hebben nog een lange weg te gaan.

Dit stukje verscheen eerder in De Republikein, december 2020

Reactie NIOD: Het NIOD heeft kennis genomen van het verschijnen van Het Instituut van Gerard Aalders. Het Instituut is een persoonlijk relaas, en gaat voor een belangrijk deel over conflicten tussen personen die in meerderheid al geruime tijd niet meer werkzaam zijn bij het NIOD. Om reden van privacy is het NIOD als werkgever niet gemachtigd om mededelingen te doen aangaande interne, persoonlijke aangelegenheden.

Wel hechten wij er aan vast te stellen dat Gerard Aalders, in de jaren waarin hij als onderzoeker in dienst van het NIOD was, al dan niet op eigen titel, alles heeft kunnen publiceren wat hij wenste te publiceren.

Reactie voormalig NIOD-directeur Hans Blom: „Het boek en de inhoud daarvan zijn mij bekend. Ik heb besloten daarop niet te reageren.”

Reactie voormalig NIOD-bestuurslid Jan Bank: „Ik laat zijn beweringen voor rekening van de heer Aalders en heb verder niet de behoefte om te reageren.”

Bovenstaande reacties stonden vandaag, 18 april, in NRC die mij had geïnterviewd over mijn nieuwe boek. In Het Instituut beschrijf ik hoe directie en bestuur van het NIOD zich menigmaal zonder noemenswaardig tegenstribbelen schikten naar de wensen van politiek Den Haag en Soestdijk. Ik baseer mijn boek voor een belangrijk deel op correspondentie en rapporten die werden geproduceerd naar aanleiding van onderzoeken die ik uitvoerde. Als ik onderzoek doe, krijg je de resultaten van mijn bevindingen. Met gedroomde of gewenste uitkomsten van opdrachtgevers houd ik uit principe geen rekening. Directie en bestuur gingen daar niet altijd in mee en gooiden zo de naam van het NIOD als onafhankelijk geschiedenisinstituut te grabbel.

Het boek is dus geen ‘persoonlijk relaas’ en het gaat evenmin over conflicten met mensen die ‘al geruime tijd niet meer werkzaam zijn bij het NIOD.’ Het gaat in essentie over het NIOD, dat als gerenommeerd wetenschappelijk instituut helemaal niet zo onafhankelijk was als zijn reputatie doet vermoeden. Het schikte zich al te slaafs naar de wensen van Den Haag en het koningshuis. Dát was de oorzaak van de conflicten waarin ik als onderzoeker verzeild raakte. Ik heb me altijd tegen externe inmenging verzet, hetgeen hevige spanningen opleverde met directie en bestuur. Dát is het onderwerp van mijn boek.

Loe de Jong liet zich niet overdonderen door politici en ministers en weerstond ook zware druk als het ging over het koningshuis. Dat hij een zwak had voor het koningshuis, met name voor koningin Wilhelmina, deed daar niets aan af. In mijn tijd op het NIOD (1993-2010) was die onafhankelijkheid vaak ver  te zoeken.  Soms vreesde ik zelfs voor mijn baan. Om dat nu af te doen als ‘conflicten tussen personen’ is meer dan ridicuul. Dat het NIOD zich in zijn reactie ook nog verschuilt achter redenen van privacy is te bizar voor woorden.

De reactie van Blom kan ik, in tegenstelling tot die van Bank, wel waarderen. Bank doet alles af als ‘beweringen’. Dat is een rare uitspraak voor een bestuurslid dat verondersteld wordt garant te staan voor onafhankelijke geschiedschrijving. Bank zat met de chef van de afdeling onderzoek, Peter Romijn, in de begeleidingscommissie van de affaire Sanders, het boek waarin het NSDAP-lidmaatschap van prins Bernhard wordt onthuld.

Bank schikte zich zonder morren naar de wensen van Den Haag en Soestdijk. Als de kwestie niet was uitgelekt naar Het Parool was het boek wellicht nooit verschenen. Bank heeft zijn overwegingen en tekstsuggesties die bedoeld waren om het gedrag van de prins – waar ook maar mogelijk – te vergoelijken, uitgebreid op papier gezet. Zijn opmerkingen, bedenkingen én pogingen tot vergoelijking liggen ten grondslag aan de passages in het boek die gaan over het nazilidmaatschap van Bernhard. Ik baseer me, kortom, op zijn eigen teksten. Dat Bank dat nu meent te kunnen afdoet als ‘beweringen’ vind ik verbijsterend.

Op internet en YouTube zijn interviews te zien n.a.v. het verschijnen van Het Instituut:
Café Weltschmerz/Argus:

Radio 1 Kunststof:  https://www.nporadio1.nl/kunststof/onderwerpen/498882-gerard-aalders-historicus-schrijver

De reactie van het NIOD

Gisteren, zaterdag 14 april, verschenen enkele artikelen in een aantal dagbladen over mijn nieuwe boek Het Instituut.
Het AD en Het Parool hadden daarin een reactie van het NIOD opgenomen.
Oud-directeur Hans Blom liet weten niet te willen reageren. Gelukkig verborg hij zich niet achter de vreselijke smoes die voorlichters tegenwoordig bij voorkeur bezigen: ‘zich niet in de situatie herkennen’. Dat kon in zijn geval ook moeilijk want de delen in mijn boek waarin hij figureert zijn deels samengesteld uit onze wederzijdse briefwisseling, die niet altijd even verheffend van aard was.

Het NIOD beriep zich in zijn reactie op ‘onafhankelijke wetenschappelijke begeleidingscommissies’ als waarborg voor zijn geschiedschrijving. Daar valt het een en ander op af te dingen.

Toen ik het nazi-lidmaatschap van prins Bernhard in de affaire Sanders wilde publiceren, kreeg ik te maken met zo’n ‘onafhankelijke begeleidingscommissie’. Soms duikt ie nog wel eens op in een van mijn  nachtmerries. Mijn commissie bestond uit de chef van de afdeling Onderzoek, Peter Romijn, en NIOD-bestuurslid prof. Jan Bank. De twee andere bestuursleden, prof. Eltjo Schrage en prof. Piet Steenkamp (‘Rooie Piet’ of beter nog ‘Oranje Piet’) bemoeiden zich ook intensief met de tekst van het boek. Geen van de heren kan ook maar in de verste verte aanspraak maken op termen als  ‘onafhankelijkheid’ of  ‘waarborg’ voor eerlijke en onbevangen geschiedschrijving. Hun gedienstigheid aan het koningshuis en minister-president Wim Kok, de ministerieel verantwoordelijke in deze kwestie, kwam neer op zo goed als honderd procent. Het was de slaafste commissie waarmee ik in mijn werk ooit te maken heb gehad.

De naam ‘Bernhard’ viel in de eerste vier maanden van het conflict nooit. Het boek, de affaire Sanders, (mede-auteur Coen Hilbrink) ging over de eerste naoorlogse veiligheidsdienst, maar bevatte ook een aantal toedek-operaties van de Nederlandse regering in de direct naoorlogse tijd. Een van die cover ups was Bernhards lidmaatschap van de Duitse nazi-partij die in de dagen aan het licht kwam.

Dat lidmaatschap was natuurlijk het grote probleem, maar daarover had de begeleidingscommissie het nooit. Nee, de toon van het boek deugde niet. Wazige kritiek waar je niets mee kunt. Even later was het boek plotseling ‘te Frans’. Wat de loodzware begeleidingscommissie daar mee heeft bedoeld, is me tot op de dag van vandaag een raadsel. Er waren trouwens veel meer afleidingsmanoeuvres, maar over Bernhard ging het nooit.

Ondertussen waren er drukke contacten met Soestdijk en Den Haag. Toen dan na vier maanden de prins eindelijk ter sprake kwam, eiste de commissie een forse uitbreiding van de paragraaf die oorspronkelijk niet meer dan een halve pagina besloeg. Er moest uitgebreid worden vermeld dat Bernhard niet het enige lid van de Duitse adel was, die lid was geworden van de Hitler-partij. Ik vond dat overbodig, maar het was niet in strijd met de waarheid, dus ging ik er in mee.

De bedoeling was uiteraard om verzachtende omstandigheden voor de prins aan te voeren. ‘Kijk, onze prins was zeker niet de enige’. Daar kon ik, zoals gezegd, mee leven. Zijn lidmaatschap bleef immers recht overeind. Wel heb ik geweigerd om opmerkingen over zijn fameuze heldenmoed en zijn riskante bombardementsvluchten boven Duitsland (die hebben nooit plaatsgevonden) aan mijn tekst toe te voegen.
Op de ‘onafhankelijkheid’ en ‘waarborgen voor gedegen onderzoek’ op het NIOD  valt dus wel het een en ander af te dingen.

Toen directeur Blom lid werd van een regeringscommissie die de roof op de joden in de oorlog moest onderzoeken, kwam de onafhankelijkheid van het NIOD wederom op de tocht te staan. De commissie was bevolkt met prominenten uit de wereld van banken, beurs en bedrijfsleven. Hun doel was zeker niet primair gericht op zuivere geschiedschrijving. Op de achtergrond speelden grote financiële en politieke belangen. Maar de commissie kon zich mooi achter De Directeur (zoals ik Blom in Het Instituut bij voorkeur noem), verschuilen. De Directeur van het NIOD stond immers garant voor betrouwbare geschiedschrijving. Als afleidingsmanoeuvre was het een zeer geslaagde zet.

Het probleem was dat het NIOD ook onderzoek deed naar de roof. Ik was er al jaren mee bezig, had de naam opgebouwd van ‘roofgoeroe’ en had drie boeken over de kwestie op stapel staan.  Ik waarschuwde De Directeur voor de implicaties van zijn dubbelfunctie, namelijk directeur van het NIOD  én commissielid. Het liep inderdaad fors uit de hand. Toen puntje bij paaltje kwam koos De Directeur voor de Grote Jongens waarmee de commissie was bevolkt. De commissie ging vóór het NIOD waarmee de onafhankelijkheid van Het Instituut wederom de mist in ging.

Hoe het  tegenwoordig op het NIOD is gesteld weet ik niet. Ik heb uitsluitend mijn eigen tijd als onderzoeker beschreven. Een tijd overigens, waar ik met veel plezier op terugkijk.

Ter afsluiting een laatste opmerking uit de NIOD-reactie. Als onderzoeker in dienst van het NIOD had ik alles kunnen publiceren wat ik wenste. Dat klopt. Maar dat was soms eerder ondanks dan dankzij de NIOD-directie. Het staat allemaal uitgebreid in Het Instituut beschreven.

Interviews:

Café Weltschmerz/Argus:

Radio 1 Kunststof:  https://www.nporadio1.nl/kunststof/onderwerpen/498882-gerard-aalders-historicus-schrijver

Hoe belazer je de Kamer in goed overleg?

Minister van Financiën Wopke Hoekstra en Kees Knot van De Nederlandsche Bank (DNB) hebben gezamenlijk de Tweede Kamer over de witwasaffaire bij ING bij de neus genomen.  De beide heren besloten welke vragen Hoekstra als minister aan DNB zou stellen en de ‘antwoorden’ van DNB hebben ze ook in goed overleg geconcipieerd.  Ik was niet verbaasd. Toen de Amsterdamse bank Gebr. Teixeira de Mattos in 1966 failliet ging, speelden er zich vergelijkbare taferelen af. Alleen ging het toen nog veel verder.

Teixeira de Mattos ging met veel tumult ten onder. De ooit gerenommeerde joodse bank was in 1955 overgenomen door Jan Marie Fehmers. Hoe dat precies in zijn werk ging is nog steeds een raadsel wegens gesloten archieven.  Vast staat wel dat Fehmers de goede naam van de bank vooral heeft gebruikt om zijn eigen duistere zaakjes te kunnen doen én om zijn zwarte geld weg te sluizen.

De rekeninghouders bij Teixeira de Mattos, waaronder veel kleine spaarders, waren de dupe van Fehmers’ wanbeleid en gesjoemel. Om te voorkomen dat kleine spaarders in de toekomst opnieuw slachtoffer van een failliete bank zouden worden, werd het deposito garantiestelsel ingevoerd. Dankzij de ondergang van Teixeira de Mattos kregen spaarders voortaan hun geld tot een bepaald maximum gegarandeerd terug. Tegenwoordig ligt dat op honderdduizend euro.

Justitie toonde opvallend weinig enthousiasme om het schandaal uit te zoeken. Het vermoeden bestond dat de nauwe connecties van de Texeira-directeur met katholieke politici in Den Haag de achterliggende oorzaak was. Dat er nog iets aan het licht kwam, is vooral te danken geweest aan het speurwerk van weekbladen als de Haagse Post en Vrij Nederland.

Toen ik DNB twee jaar geleden benaderde om ten behoeve van mijn boek Zwendel stukken over Fehmers in te zien, kreeg ik op grond van privacyoverwegingen nul op rekest. Ik voerde aan dat de heer Fehmers overleden was en dat privacy stopt bij het graf. Ik kreeg gelijk, maar dat bracht me niet verder. Inzage werd me vervolgens geweigerd op grond van een artikel in de Toezichtwetgeving (art. 1:89 WFT). Waarom het hoe en wat van financiële boevenstreken meer dan een halve eeuw later nog steeds geheim moeten blijven is mij een raadsel. Mogelijk heeft het te maken met falend beleid van de toezichthouder?

PvdA-kamerlid Harry Peschar stelde Kamervragen over de ondergang van Teixeira. De antwoorden die hij kreeg, laten zien dat er ook toen al gesjoemeld werd met Kamervragen. Dat is uiteraard niet af te zien aan de antwoorden op die vragen, maar wel aan de achterliggende stukken die bewaard zijn gebleven op het Nationaal Archief.

Dat Peschar lastige vragen had gesteld blijkt ook uit de samenstelling van de commissie die zijn vragen moest beantwoorden: er zaten maar liefst negen kopstukken in van toezichthouder DNB, de FIOD en de ministeries van Financiën en Justitie. Dat zegt veel.

Een van de vragen was waarom toezichthouder DNB nooit had gereageerd op een expresse-brief waarin ze werd gewaarschuwd voor de malafide praktijken van Teixeira de Mattos. De oplossing was snel gevonden. Zo’n brief was nooit ontvangen. Formeel klopte dat. De brief was namelijk niet op 12 maart verstuurd, zoals Peschar had aangegeven, maar op 22 maart. Door het bestaan van die brief te ontkennen (die dus wel degelijk bekend was), voorkwam DNB dat ze lastige vragen moest beantwoorden.

Het antwoord op de vraag of directeur Fehmers vijftig miljoen gulden zwart geld naar Zwitserland had weggesluisd, was een wonder van inventiviteit. Ondanks ‘vele en intensieve naspeuringen’ was er niets gevonden, maar de mogelijkheid dat er in de toekomst nog wat boven water zou komen was niet uitgesloten.

Tijdens het overleg hoe Peschar het beste het bos in kon worden gestuurd, waren de FIOD en DNB het eens dat Fehmers zeer waarschijnlijk zwart geld in Zwitserland had witgewassen. Het probleem was dat ze geen flauw idee hadden hoe Fehmers dat had gedaan. Dus luidde het antwoord ‘dat uit gegevens, waarover Financiën beschikt, niet is gebleken, dat F. [Fehmers] vermogen in het buitenland heeft.’

Dat was pure misleiding. Er was immers helemaal geen onderzoek gedaan naar Fehmers, en dus was er ook geen informatie over zijn weggesluisde zwarte geld. Als je zegt dat er uit ter beschikking staande gegevens niets is gebleken, klopt dat. Die gegevens waren er niet omdat er geen onderzoek was gedaan.
Dat van die ‘vele en intensieve naspeuringen’  was wel gewoon gelogen. Maar dat was om het blazoen van de FIOD en DNB wit te wassen.

 

NU overal te koop in de boekhandel en op
internet

P E R S B E R I C H T
Bij Uitgeverij Just Publishers verschijnt half april:
 
HET INSTITUUT
 
Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie als speelbal van Den Haag en Koningshuis
 
Gerard Aalders
 
De prins wilde immers even lekker uitrazen; in tegenspraak had hij geen zin. Wie weet wat hij er nog allemaal zou uitflappen, dus ik luisterde aandachtig, intussen hevig betreurend dat ik geen opnameapparaat bij de hand had. Zijn redenering dat hij geen NSDAP-lid kon zijn geweest, kwam er min of meer op neer dat hij
maandenlang geen contributie had betaald. Mijn tegenwerping ik kon het even niet laten   dat hij dus maanden lang wél had betaald, hoorde hij niet of hij wenste die niet te horen.
        Het telefoongesprek tussen Prins Bernhard en Gerard Aalders uit Het Instituut
In dit onthullende boek geeft auteur en historicus Gerard Aalders een verbijsterende inkijk in de werkwijze van het NIOD. Het befaamde Nederlands Instituut voor Oorlogs-documentatie werkt ook in opdracht van de regering. Het Instituut heeft de naam onafhankelijk te zijn, maar is dit wel zo? In de zeventien jaar dat Aalders als onderzoeker aan het NIOD was verbonden, kreeg hij menigmaal een spreekverbod opgelegd. De resultaten van zijn onderzoekswerk waren niet altijd welkom. Niet alleen `Den Haag’ probeerde hem het zwijgen op te leggen, ook prins Bernhard heeft getracht – direct of via minister-president Wim Kok – de auteur monddood te maken.
In de zeventien jaar dat Aalders op Het Instituut werkte (1993-2010) is herhaaldelijk druk op hem uitgeoefend om zijn onderzoeksresultaten in lijn te brengen met de wensen van het landsbestuur. Geen middel, intimidatie, roddel noch achterklap liet ‘Den Haag’ onbenut om zijn zin door te drijven. Zo vertelt Aalders in het boek over de onfrisse rol van oud-minister Jos van Kemenade, de bemoeienissen van Wim Kok en zijn hoogste ambtenaren, de manipulaties van CDA-prominent Piet Steenkamp en de leugens van Mark Rutte in de kwestie Edwin de Roy van Zuydewijn.
De leiding van het NIOD toonde vaak weinig ruggengraat. Directie en bestuur lieten meer dan eens de oren hangen naar de Haagse eisen.
 
Zo verscheen zijn eerste boek, de affaire Sanders in 1996 veel later dan gepland. De onthulling van het NSDAP-lidmaatschap van prins Bernhard zorgde voor oponthoud, politieke onrust en zelfs intimidatie. Tussen premier Kok en de prins ontstond onenigheid omdat Bernhard Aalders voor de rechter wilde sleuren, hetgeen Kok hem verbood.
Zijn volgende project, de materiële beroving van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog bracht opnieuw stress, intimidatie en druk vanuit Den Haag. Van Aalders werd verwacht dat hij de uitkomsten van zijn onderzoek zou aanpassen aan de wensen van de opdrachtgevers. Hij weigerde.
 
Het bleef niet bij spreekverboden. De Nederlandse ambassade in Washington intervenieerde om hem te beletten een toespraak te houden over de zaak Goudstikker, de grootste kunstroof uit de Nederlandse geschiedenis. Al eerder had Staatssecretaris Aad Nuis de NIOD-directie onder druk gezet om Aalders de mond te snoeren in deze kwestie.
 
Aalders heeft zich altijd beroepen op zijn academische vrijheid van spreken, die iedere NIOD-medewerker geniet. Aangezien hij de regels respecteerde, kon geen directie zijn ontslag doordrukken.
 
Aalders heeft lang geaarzeld of hij dit boek zou schrijven. Uiteindelijk concludeerde hij dat het beleid van onafhankelijke directies, die zich keer op keer toch lieten overrompelen door ‘Den Haag’ en het koningshuis, niet onbesproken mocht blijven. Geschiedschrijving behoort onafhankelijk te zijn; geen speelbal van belangen.
 
Gerard Aalders is historicus en schrijver. Gedurende zeventien jaar was hij onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en publiceerde onder meer over de nazi-roof in Nederland. Hij schreef diverse boeken over de Bilderbergconferenties, economische oorlogvoering, inlichtingendiensten, kartels en majesteitsschennis. Zijn boeken over ‘Zakenprins Bernhard’ en recentelijk ‘Wilhelmina’ werden bestsellers.
Technische gegevens Het Instituut:
Formaat:             15 x 23 cm
Omvang:             300 pagina’s
ISBN:                    978908975 783 8
Prijs:                     € 22,50
Gerard Aalders is beschikbaar voor interviews
Voor meer informatie en/of het aanvragen van een interview of een recensie-exemplaar:
Odette Lafère
Tel +31(0)575563628 / Tmob +31(0)651273679
Alle uitgaven van Just Publishers vindt u op www.justpublishers.nl

 

Mijn gebrek aan naastenliefde

Het is niet de gewoonte op recensies van je boeken te reageren, maar een blogje moet kunnen. Tenslotte hoef je je niet alles te laten welgevallen. Zeker niet van Oranjeminnende recensenten, die er niet tegen kunnen dat een lid van het Koninklijk huis wordt beschreven op een manier die hun niet zint.

De toon van de recensies is extra fel omdat ze van CDA- en GVP-huize zijn. De heren voelen zich dubbel gepakt omdat ik behalve Wilhelmina`s functioneren ook haar geloof van wat kritische noten heb voorzien.

In het Reformatorisch Dagblad (11-06-2018) brandt Pieter Verhoeve mij volledig af en in het Friesch  Dagblad (02-06-2018) krijg ik op mijn kop van Bearn Bilker. Verhoeve is voorzitter van de Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen, burgemeester van Oudewater en GPV-lid. Bilker is CDA-er, burgemeester van Kollumerland en Nieuwkruisland en geldt als een kenner van het Oranjehuis.

Bilker was zo vriendelijk mij zijn recensie toe te sturen. We hadden wel eens email-contact gehad, en ik vond zijn geste heel aardig. Zoals dat hoort heb ik hem daarvoor bedankt.
Wat mij aan beide recensies stoorde was hun opmerking dat ik geen of slecht literatuur- en archiefonderzoek had gedaan. Het boek zou nergens op zijn gebaseerd.
Voor hun lezers moet dat een hele opluchting zijn geweest, want die konden na die geruststellende woorden weer rustig gaan slapen. Niets aan de hand immers? Helaas voor hen is het een bewering, die op vrijwel elke bladzijde van Wilhelmina met kloeke voetnoten wordt gelogenstraft. Ze komen trouwens geen van beiden met ook maar één voorbeeld.

Als extra geruststelling haalt Verhoeve wijlen Cees Fasseur aan, mijn liefste vijand. Die had inderdaad nooit een  goed woord voor me over en Verhoeve citeert hem dan ook gretig.
Wat ik deed (volgens Fasseur) was niets anders dan het verzamelen van ‘vermoedens, geruchten, loze beweringen en dat dan zo’n beetje aan elkaar schrijven.’ Tsja. Als de hofbiograaf dat beweert, zal het wel waar zijn, redeneert de baas van de Bond van Oranjeverenigingen.
Hij beweert trouwens ook dat iedere onderzoeker toegang kan krijgen tot het Koninklijk Huisarchief (KHA). Dat is onzin. Het KHA schrijft zelf: ‘De periode na 1934 is niet toegankelijk voor derden’.    Mij werd trouwens ook de toegang vóór 1934 ontzegd, zoals Verhoeve op p. 107 van mijn boek (noot 166) had kunnen lezen.

Bilker op zijn beurt huldigt Fasseur als de man die hem juist de ogen voor de échte Wilhelmina heeft geopend. Het is jammer dat Bilker mijn boek hardnekkig een biografie noemt, hoewel ik op p. 19 toch ten zeerste heb benadrukt dat het geen biografie is, maar een poging haar feitelijke rol in ballingschap te laten zien.

De teneur van beide stukken ten aanzien van mijn boek is helder: broddelwerk, nergens op gebaseerd en rijp voor de vuilnis. Ik had van deze trouwe Oranjevazallen niet anders verwacht.

In het derde hoofdstuk heb ik de internationale verhoudingen tijdens de oorlog beschreven. Wilhelmina komt in dat hoofdstuk niet eens voor. Verhoeve vindt dat deel van mijn boek ‘bondig en boeiend beschreven’, maar is ook van mening dat hoofdstuk 3 niet in het boek thuishoort.
Vreemd, want ik wilde de onzinnige bewering ontzenuwen dat Wilhelmina in het internationale krachtenveld een rol van enige betekenis heeft gespeeld. Roosevelt en Churchill namen haar niet eens serieus. Exact om die reden komt ze in het hoofdstuk niet voor.

Instemmend haalt Verhoeve de opvatting van de gereformeerde historicus Van Deursen aan, die vond dat geschiedschrijving een vorm van naastenliefde is voor hen die zijn overleden. Maar helaas: ‘Aalders houdt zich daar niet aan.’ Nee, natuurlijk niet. Als je daarin meegaat, zou Hitler alleen nog door een harde nazi en Stalin uitsluitend door een gestaalde communist kunnen worden beschreven.

En Wilhelmina door een doorgewinterde oranjeklant.  Zoals een Bilkner of een Verhoeve.

Een telefoontje uit Jubbega

Jubbega aan de lijn: of ik belangstelling heb voor een dossier over de befaamde meestervervalser Han van Meegeren. Natuurlijk heb ik dat. We maken een afspraak voor de volgende ochtend, want zulke dingen mag je niet uitstellen. Ruim voor de afgesproken tijd meldde ik mij met kloppend hart bij huize Veenstra.
Onderweg naar Friesland had ik me afgevraagd, wat de stukken inhielden en hoe ze in hemelsnaam, of all places, in Jubbega waren beland.

Bij de koffie vertelde mevrouw Veenstra dat haar man de stukken in een vuilcontainer had gevonden. Omdat zijn echtgenote belangstelling had voor ‘oud papier’ had hij de dossiers mee naar huis genomen. De documenten waren vergeeld, maar verkeerden verder in perfecte staat. Op sommige prijkte de originele handtekening van Van Meegeren.

Hoe de papieren in de container waren beland, bleef een raadsel, maar ik neem aan dat een rechercheur ze om de een of andere reden mee naar huis heeft genomen. Dat moet omstreeks 1946 zijn geweest. Vermoedelijk verhuisde hij later naar Jubbega waar zijn erfgenamen na zijn dood bij de zolderopruiming moeten hebben gedacht: ‘weg met die oude troep’. Dankzij mijnheer Veenstra van de Jubbegase gemeentereiniging en zijn vrouw die zoveel van ‘oud papier’ hield, bleven de stukken bewaard.

In hoeverre waren ze uniek? Over Van Meegeren was natuurlijk al veel bekend. Onder zijn slachtoffers bevond zich de topnazi Hermann Göring, die een ‘Vermeer’ (Christus en de Overspelige Vrouw) in de maag gesplitst kreeg. Het maakte Van Meegeren bij een groot publiek razend populair, temeer omdat de Reichsmarschall er 1,25 miljoen gulden voor had neergeteld.

Christus en de overspelige vrouw

Van Meegeren was geen vervalser die schilderijen kopieerde. Integendeel. Hij schilderde nieuwe voorstellingen, maar maakte daarbij oneigenlijk gebruik van de naam en de stijl van beroemde  meesters uit de Gouden Eeuw. Johannes Vermeer was zijn favoriet. Vermeer was peperduur omdat er weinig schilderijen van hem bekend waren. Aan die schaarste dacht Van Meegeren wat doen.

Bij het schilderen van zijn beroemdste ‘Vermeer’, de Emmausgangers, streefde hij perfectie na. Als ondergrond gebruikte Van Meegeren een onbekend  zeventiende-eeuws schilderij, waarvan hij de voorstelling zoveel mogelijk had weggeschuurd. Daaroverheen componeerde hij zijn Emmausgangers met verfsoorten die absoluut vrij waren van synthetische middelen want die bestonden nog niet in de Gouden Eeuw. Het craquelé verkreeg hij door het linnen om een stok te rollen zodat de gewenste barstjes en scheurtjes ontstonden.

De vaderlandse kunstwereld raakte in vervoering over de ‘vondst’ en critici bejubelden het buitengewone vakmanschap waarmee de ‘Vermeer’  was geschilderd. Van Meegeren verkocht  zijn pas `ontdekte’ Vermeer aan het Rotterdamse museum Boymans, dat zich sinds 1938 – voor het destijds astronomische bedrag van ruim een half miljoen gulden – de gelukkige eigenaar waande van een zeldzame Vermeer.

In de archieven van de ministeries van Justitie en Financiën ligt veel materiaal over de meestervervalser. Van de Jubega-vondst bleek veel in kopie of origineel op een of op beide departementen aanwezig te zijn. Maar wat we nog niet wisten was dat Van Meegeren volkomen beneveld zijn eerste bekentenissen heeft afgelegd. De rechercheur die hem arresteerde probeerde  ‘met deze dronken man een vertrouwelijk gesprek te voeren.’

Dankzij de fles cognac die Van Meegeren bij zijn arrestatie al had leeggedronken, kwam er weliswaar een enorme woordenstroom op gang, maar of je die gezien zijn kennelijke staat ‘vertrouwelijk’ kunt noemen, is twijfelachtig.
Zijn verhaal was ook niet altijd even consistent. Dat had vooral te maken met de glazen Bourgogne die hij steeds weer kreeg toegediend als zijn woordenvloed dreigde te stagneren. Dat Van Meegeren zich vergiste in het aantal vervalste Vermeers moet ongetwijfeld aan de alcohol worden toe-geschreven.

Waarom had hij schilderijen in de stijl van Vermeer, maar ook van Pieter de Hoogh, Frans Hals en  Gerard Terborgh,  geschilderd? Volgens de vervalser lag dat vooral aan ‘een te geringe erkenning’ van zijn eigen werk. Daarom had hij ‘op een fatale dag’ besloten zich ‘te wreken op kunstcritici en experts en anderen, die om de schilderkunst heenfladderen, door iets aan de wereld te brengen, dat zij nog niet gezien had.’

Dat is Van Meegeren uitstekend gelukt, zoals vrijwel alle kunstcritici later met het schaamrood op de kaken hebben moeten toegeven.

De Emmaüsgangers

De artikel verscheen eerder in Argus, 20-03-2018

Mijn boek over Wilhelmina verschijnt midden april bij JUSTpublishers.
Was koningin Wilhelmina een vorstin van mythische proporties

of een koningin van de mythe?

Wilhelmina
Mythe fictie en werkelijkheid
Veel media-aandacht
Terwijl haar koningschap nog steeds met talloze raadsels is omgeven
was Wilhelmina (1880 – 1962) als koningin razend populair. Voor haar
dood heeft ze veel documenten vernietigd die haar positieve imago
(waarvan ze zich zeer bewust was) konden aantasten.

 

Biografen roemen Wilhelmina’s standvastigheid, haar moed en
haar onverschrokkenheid. Met haar ferme toespraken in Londen
voor radio Oranje zou zij Nederland door de Tweede Wereldoorlog
hebben gesleept en zelfs onze bevrijding hebben bewerkstelligd.
Maar haar biografen zijn het er ook unaniem over eens dat Wilhelmina
allerminst democratisch of parlementair gezind was. Met haar ministers
lag ze vrijwel permanent in de clinch. Na haar zoveelste uitbarsting van
razernij vroegen ministers zich af ‘Is Hare Majesteit wel helemaal normaal?’
De vorstin was tijdens haar buien buitengewoon uit de hoogte, koppig en de
eigenwijsheid voorbij. Steevast worden daarvoor vergoelijkende redenen
aangedragen.

Haar biografen hebben uit diepe eerbied nooit de vragen gesteld die ze hadden
moeten stellen.
Wat blijft er van Wilhelmina over als we haar ontdoen van al de mythes en
imponerende daden waarmee biografen, geschiedschrijvers maar ook spindoctors
haar hebben omgeven?
Mijn onderzoek naar haar leven en werken leveren een totaal ander beeld op van de oude koningin.
Haar solide reputatie was gebouwd  op drijfzand.

 

 

Lieve Mona

Loek Kessels had jarenlang een veelgelezen rubriek in Story: ‘Schrijf het maar aan Mona’. Ze beantwoordde duizenden brieven die steevast begonnen met ‘Lieve Mona’. De briefschrijvers (m/v) kregen altijd warme, invoelende antwoorden. Iedereen las Mona al gaf je dat liever niet toe:  ‘ja, wel eens gelezen bij de kapper’. Loek schreef tientallen romans, thrillers en kinderboeken. Haar eerste kinderboek publiceerde ze toen ze dertien was.

Begin september kwam er weer een boek van haar uit: Een Kusje op je ziel dat over haarzelf  en haar moeder gaat. Geen mooie titel, maar goed, Mona kan bij mij geen kwaad doen. Ze was dol op haar moeder, of liever gezegd, ze wilde dat graag zijn. Maar dat is lastig wanneer je moeder niets van jou moet hebben. Loek keek enorm tegen haar op: een schoonheid die deed denken aan een geslaagde mix van Marlene Dietrich met Greta Garbo. Loeks moeder, als Leonie Pütz net over de grens bij Aken geboren, was actrice. Ze schreef ook toneelstukken. Sommige zijn opgevoerd onder regie van Louis Saalborn, een grootheid in zijn tijd. Als jong meisje vond Loek alles was haar moeder deed buitengewoon fascinerend, maar dat vermocht niet haar moeders hart te vermurwen. Waarschijnlijk had dat te maken met drank: Leonie dronk als een tempelier.

Ze was getrouwd met Carl Brandt, een vermogende Amsterdamse bakker, die verschrikkelijk trots was op zijn mooie vrouw. Anderzijds was hij niet blind voor haar streken al gingen die veel verder dan hij ooit heeft vermoed. Leonie was namelijk zeer bedreven in het inlichtingenwerk. Wat ze als (dubbel)spionne heeft uitgevreten is indrukwekkend. Loek kwam daar pas achter toen er een biografie over haar moeder verscheen.

Leonie’s drankzucht heeft het jeugdleven van Loek verwoest. Ze is nu 85, maar ze zit er nog steeds mee. Een kop koffie kun je aan haar nog wel kwijt, maar een lunch vindt ze te ver gaan: dat is ze niet waard. Haar moeder heeft haar altijd ingepeperd dat ze dom, lelijk en nutteloos was. Dat werkt een leven lang door. Als je leest welke rotstreken Leonie haar dochter leverde begrijp je waarom dat een blijvende indruk maakt.

Toen ze in haar tienertijd, tegen de zin van Leonie, eens naar een feestje ging, kwam een taxi Loek afhalen: haar vader was overleden. Een ‘grapje’ van moeder. Dat bleek toen de overledene zelf de deur opende. Vader Brandt was kapot van Leonie`s rotstreek maar bovendien: als het echt zo ver was zou Loek niet komen. En zo is het gegaan. Tot overmaat van ramp schoof Leonie Loek de schuld van haar vaders dood in de schoenen: ‘als je direct was gekomen na mijn telegram (Loek logeerde bij haar grootouders) zou hij niet zijn overleden.’

Begin jaren vijftig verhuisde ze met haar moeder naar Limburg waar Leonie een café begon; wellicht niet zo’n goed idee voor een alcoholiste. Op een avond toen ze in bed lag zette Leonie haar letterlijk het mes op de keel. Waarom haar stomdronken moeder haar toen niet heeft vermoord weet ze nog steeds niet.

En toch was Leonie een fascinerende vrouw; een ‘ravissante schoonheid’ zoals dat destijds heette. Eind jaren tachtig maakte ik kennis met haar op het ministerie van Justitie. Op papier weliswaar; het justitiearchief bevatte veel stukken over Leonie. Ik raakte gefascineerd: razend intelligent, mooi, actrice, een dubbelspionne die het vak verstond, maîtresse van (ondermeer) de toenmalige Amsterdamse hoofdofficier van Justitie over wie ze doodleuk een toneelstuk schreef om hem onder druk te zetten.

Tijdens de oorlog werd ze met een verkapt doodvonnis (‘terugkeer niet gewenst’) naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück afgevoerd waar ze – uiteraard – de meest onwaarschijnlijke streken uithaalde.
Na de oorlog verhoorde ze Willy Lages. Een gevangenis vond ze geen fijne omgeving dus nam ze Lages mee naar haar huis in Amsterdam-Zuid. Daar verhoorde ze de oorlogsmisdadiger in haar tuin onder het genot van een borrel en een haring. Leonie bracht ook het verhaal van prins Bernhards ‘stadhoudersbrief’ in de wereld. Het is allemaal terug te vinden in haar biografie die ik in 2003 publiceerde.

Mata Hari was vergeleken bij Leonie een slaapverwekkende dorpstrut. Maar ik besef ook dat Loek, die ik goed ken, een betere moeder had verdiend dan de ‘ravissante schoonheid’ die alleen maar haar moederrol speelde.

Dit artikel verscheen eerder in Argus

Zwendel is uit; mijn nieuwe boek over een elftal fraudeurs uit binnen- en buitenland. Het is een gemengd en curieus gezelschap, zowel wat betreft hun criminele activiteiten (het gaat om miljarden) als hun achtergronden.
In Zwendel analyseer ik de oplichtingspraktijken van banken, bedrijven en ‘zelfstandige’ fraudeurs zoals ‘meesteroplichter’ Carlo Ponzi. In Amerika is ‘Ponzi’ een veelgebruikt synoniem voor zwendel, oplichting en bedrog.
Van Nederlandse bodem heb ik de bank Gebr. Teixeira de Mattos, de ‘beerput’ aan de Amsterdamse Herengracht en de vastgoedmagnaat Reinder Zwolsman onder de loep genomen.
Op het internationale vlak komen de Zweedse luciferkoning Ivar Kreuger, de Amerikanen Richard Whitney, Robert Vesco, Bernie Cornfeld en de absolute zwendelkampioen Bernard Madoff aan de orde. Verder is er aandacht voor de Italiaan Roberto Calvi, (‘bankier van God’), het Amerikaanse energiebedrijf ENRO en de Bank for Credit and Commerce International (BCCI) uit Pakistan. Zijn er overeenkomsten tussen al deze gevallen?
Als je niet bedonderd wil worden door mooipratende, charismatische oplichters moet je altijd een ding in het achterhoofd houden: als iets te mooi is om waar te zijn is dat meestal ook zo. De oplichter en zijn slachtoffer hebben één ding gemeen: hebzucht. Allebei willen ze zo snel en zo gemakkelijk mogelijk rijk worden. Steenrijk als het even kan. De fraudeur wil dat nog wel eens lukken, als hij tenminste op tijd zijn biezen pakt om uit handen van justitie te blijven. Soms ben je dan gedoemd om de rest van je leven te blijven reizen en vluchten. Robert Vesco overkwam dat. Wanhopig probeerde hij toen een eilandje te kopen om daar een zelfstandige staat van te maken met een uitleveringsverbod naar zijn thuisland Amerika. Dan pas zou hij van de vruchten van zijn witteboordencriminaliteit kunnen genieten. Die staat is er nooit gekomen; uiteindelijk kreeg Vesco asiel op Cuba omdat hij de Cubanen had geholpen de Amerikanen een loer te draaien. Maar toen hij probeerde de familie Castro te bedonderen ging hij voor twaalf jaar naar de gevangenis.

Hoedt u voor financiële analisten en adviseurs. De kans dat ze het mis hebben is ongeveer fifty-fifty. Duiders en analytici van de economische wereld suggereren weliswaar dat ze de financiële toekomst kunnen voorspellen, maar wat ze doen is niets anders dan koffiedik kijken.
Onlangs poneerde een onafhankelijk statisticus, die langdurig onderzoek had gedaan naar de prognoses van investeringsbanken op Wall Street dat het moeilijk was analisten in onbetrouwbaarheid te overtreffen: ‘It is not easy to be as bad as they are.’ Je kunt net zo goed, of eigenlijk beter nog, een muntje opwerpen en dan kruis of munt laten beslissen. In ieder geval werkt dat niet slechter, vermoedelijk zelfs beter. Een enkeling van die financiële wijsneuzen kan het wel eens bij het rechte eind hebben, maar als beroepsgroep gaan ze zo vaak de mist in dat je maar beter hun advies terzijde kunt leggen.

Bernard Cornfeld, de oprichter van Investors Overseas Services (IOS) kreeg jarenlang niets dan lof. Cornfeld leidde een mutual fund hoewel hij bar weinig benul had van economie en financiën. Zijn bedrijf, waarin miljarden omgingen, was gebouwd op een aansprekend verkoopverhaal, charme en heel veel charisma. Niet op kennis. Het fundament van zijn imperium wat gebouwd op drijfzand.
Pas toen het misging met IOS verstomde het gejubel van analisten en economen. Nooit hadden ze iets in de gaten gehad. De beroepsgroep heeft trouwens vrijwel altijd de neiging té mooie voorspellingen te doen. Daar verdienen ze aan; optimisme loont. Hoeveel voorspellingen voor het financiële rampjaar 2007 waren niet ongekend vrolijk?

Energiereus ENRON Corporation was in zijn (ogenschijnlijke) bloeiperiode de lieveling van Wall Street. Zes jaar op een rij – tot het jaar dat het bedrijf door zijn eigen malversaties bezweek – noemde het befaamde Fortune Magazine  ENRON ‘het meest innovatieve bedrijf van Amerika’. Op één onderdeel ging Enron inderdaad aan kop, het kon bogen op het grootste faillissement uit de Amerikaanse geschiedenis. Aandeelhouders verloren in totaal 74 miljard dollar. Dat was in december 2001. Recordhouder in ENRON intussen allang niet meer.

Dit alles werpt de vraag op wat accountants, toezichthouders, sectorwaakhonden, regelgevers en ratingbedrijven als Moody’s en Standard & Poor’s eigenlijk uitvoeren. In veel van de elf gevallen in Zwendel tekenden de accountants zonder blikken of blozen de jaarrekeningen. Soms uit angst dat hun advieswerk voor dat bedrijf anders gevaar zou lopen. Toezichthouders grepen vaak niet in, ook niet na herhaalde waarschuwingen van klokkenluiders. Incompetentie? Best mogelijk. Wie veel geld wil verdienen gaat het bedrijfsleven in waar de beloningen en bonussen vele malen hoger zijn dan bij de toezichthoudende instanties.
En dan de kredietwaardigheidsverklaringen. De drie grootste kredietbeoordelaars van Amerika Standard & Poor’s, Moody’s en Fitch Rating, gaven de  bankgigant Lehman Brothers tot aan de dag voorafgaande aan haar faillissment hoge ratings. Bij ENRON was het niet anders.

Frauderen loont. De straffen zijn meestal laag, áls er al gestraft wordt. Soms mag er niet ingegrepen worden op bevel uit de hoogste regeringskringen. Vaak zijn de lijntjes tussen banken, bedrijven en de regering erg kort. Het komt voor dat een bank of bedrijf een illegale operatie voor de overheid uitvoert. In Zwendel geef ik daarvan een aantal voorbeelden. Ingrijpen wordt erg lastig wanneer de kans bestaat dat regeringsbetrokkenheid aan het licht komt. Een schandaal is gauw geboren en dan rollen er koppen. Dan liever de doofpot.

Lees en huiver.