Het vetorecht maakt van democratie een lachertje
De Europese Unie presenteert zich graag als een baken van democratie. Maar op cruciale momenten gaat het mis als een land (of zelfs maar één man) gaat dwarsliggen. Zoals Viktor Orbán van Hongarije. Hij kon dat doen omdat in de EU het vetorecht geldt. Één land kan een besluit tegenhouden dat door alle andere lidstaten is aangenomen. Zo kan het gebeuren dat de Unie op essentiële punten meer lijkt op een stelsel van wederzijdse gijzeling dan een democratie.
Het vetorecht wordt steevast verdedigd met een beroep op nationale soevereiniteit. Kleine landen zouden bescherming nodig hebben tegen grote. Zoals het kleine Luxemburg tegen het grote Frankrijk. Dat klinkt sympathiek, maar in werkelijkheid beschermt het veto niet de zwakken, maar (zoals in het geval van Hongarije) de dwarsligger. Het vetorecht geeft regeringen de macht om Europese besluitvorming te gijzelen voor binnenlandse politieke winst, electorale profilering of simpelweg obstructie. Orban was daar een meester in. Laten we hopen dat Peter Magyar zich houdt aan zijn verkiezingsbeloften en niet in de voetsporen van zijn oude baas Viktor Orbán treedt.
De praktijk is bekend. Sancties worden afgezwakt, buitenlands beleid verlamd, belastinghervormingen eindeloos vertraagd. Niet omdat er geen meerderheid is – die is er vaak ruimschoots – maar omdat één regering doodleuk besluit dat háár nationale belang zwaarder weegt dan dat van de overige 26. Dat is geen democratie maar chantage, verpakt in vetorecht.
De verdedigers van het vetorecht wijzen erop dat afschaffing mogelijk is met volledige unanimiteit. Dat is juist maar het is ook de kern van het probleem. Het systeem kan uitsluitend worden hervormd met instemming van alle landen. Als een land dwarsligt (oftewel ‘een Hongaartje doet’) verandert er niets. Kán er niets veranderen.
Verandering is niet absoluut onmogelijk. De EU heeft in de loop der jaren soms laten zien dat politieke wil juridische barrières kan verschuiven. Via zogenoemde “passerelle-clausules” kan men overstappen van unanimiteit naar meerderheid. Een passerelleclausule (overbruggingsclausule) is een bepaling in de EU-verdragen waarmee de besluitvormingsprocedure kan worden aangepast zonder formele verdragswijziging. Zo kan worden overgestapt van unanimiteit (vetorecht) naar een gekwalificeerde meerderheid, of van een bijzondere naar de gewone wetgevingsprocedure. Dat neemt evenwel niet weg dat het vetorecht de wereld uit moet.
Besluiteloosheid vormt in een wereld van geopolitieke spanningen, economische concurrentie en militaire dreiging een (té) groot risico. Een Unie die niet kan handelen verliest onvermijdelijk zijn invloed – en uiteindelijk ook zijn relevantie. Het vetorecht, ooit bedoeld als waarborg voor de kleine landen om niet gedomineerd te worden door de grote, dreigt zo een instrument van zelfondermijning te worden.
Er is nog een principiëler punt. Democratie betekent niet dat iedereen het altijd eens moet zijn. Democratie betekent dat besluiten tot stand komen op basis van meerderheid, met bescherming van minderheden. Zo gezien is absoluut blokkaderecht een gedrocht en eigenlijk onaanvaardbaar.
De kern van het probleem is dat de EU blijft hangen tussen twee modellen: een statenbond waarin unanimiteit logisch is, en een politieke unie waarin meerderheid de norm zou moeten zijn maar dat dus niet is. Zolang die keuze niet wordt gemaakt, blijft het vetorecht een symptoom van institutionele halfslachtigheid.
De vraag is dus niet of het vetorecht juridisch kan worden afgeschaft. Dat kan. Maar dan moeten wel alle landen unaniem vóór zijn. En dat is precies het probleem. Één dwarsligger en het gaat niet door. Juridisch kan het dus in principe maar de vraag is of de politieke moed bestaat om het te doen. Zolang die ontbreekt, blijft de Europese Unie een systeem waarin één land (en in het geval van Hongarije maar één man) het collectieve belang kan blokkeren.


