‘Dat heb ik U niet gevraagd’

Tijdens haar vierendertig praatjes voor Radio Oranje heeft Wilhelmina het concreet slechts driemaal over de Jodenvervolging gehad en dan ook nog terloops. Ook verder toonde ze zich nauwelijks in hun lot geïnteresseerd.

Koningin Wilhelmina is de meest overschatte koningin die Nederland heeft gehad. Toen de strijd in de meidagen van 1940 nog volop woedde, nam ze lafhartig de benen naar Engeland. Zogenaamd om de oorlog vanuit Londen voort te zetten. Ze heeft zich door haar radiospeeches inderdaad populair gemaakt, maar voor de bevrijding van het vaderland heeft ze niets betekend. Voor het lot van de joden toonde ze nauwelijks interesse.

Dat Wilhelmina niets snapte van internationale politiek en het oorlogsverloop wordt duidelijk als we kijken naar het moment waarop ze verwachtte terug te kunnen keren naar Nederland. Tot en met eind 1941 heeft ze zich – compleet blind voor de feiten – buitengewoon optimistisch uitgelaten over de eindoverwinning. Zo zag ze op 20 maart 1941 ‘aan de kim de overwinning dagen’. Op 30 juli 1941 had ze het over ‘de laatste loodjes’, terwijl ze nog op 24 december 1941 glashard verkondigde: ‘we zien het tijdstip van de eindoverwinning dagen’. De rest van de wereld zag dat absoluut niet, want het ging de Duitsers en de Japanners op de slagvelden in die periode van de oorlog juist zeer voor de wind.

Amerika was de schok van Pearl Harbor nog niet eens te boven en de Japanse aanval op Nederlands-Indië moest nog beginnen (januari 1942). Opmerkelijk is dat Wilhelmina zelf heilig geloofde in de onzin die ze uitkraamde.

Het antwoord van Wilhelmina op de wereldwijd woedende oorlog waren – bij gebrek aan leger, luchtmacht en marine – radiopraatjes. In totaal heeft ze er vierendertig gehouden, die allemaal ongeveer 10 minuten duurden. Dat is zes uur spreektijd in vijf jaar oorlog.

Daar win je geen oorlog mee, al hebben historici als Loe de Jong en Cees Fasseur haar speeches een immense invloed toegedicht, zonder overigens ook maar een spoor van bewijs te leveren.

Jonge historici als Onno Sinke en Jord Schaap komen op grond van analyse van haar toespraken tot geheel andere conclusies. Schaap vindt ze vooral ‘langdradig’. Wilhelmina reeg woorden aaneen tot ellenlange monsterzinnen. Voor de microfoon struikelde ze dan over haar eigen woorden en ze wist een zin dan niet meer tot een goed einde te brengen.

Aan het lot van de joden in het bezette vaderland heeft ze nauwelijks aandacht besteed. Zelfs Fasseur kon dat niet ontkennen. Maar hij had wel een zwaarwegend ‘excuus’. Als verdediging voerde hij aan dat ook andere oorlogsleiders als Roosevelt en Churchill zich terughoudend hadden opgesteld. Wilhelmina als oorlogsleider; je moet maar durven. Tijdens haar vierendertig praatjes heeft Wilhelmina het concreet slechts driemaal over joden gehad en dan ook nog terloops.

En buiten de radio om? Bekommerde ze zich dan wel om haar joods landgenoten? Jazeker, ze had zelfs een favoriet: de verzetsman en Engelandvaarder Sally Noach. Maar hij was ook de enige. Voor iemand als journaliste en classica Henriëtte Boas, net als Sally Noach Engelandvaarder (en na de oorlog befaamd ingezonden brievenschrijfster te Badhoevedorp) kon ze weinig interesse opbrengen.

Alle Engelandvaarders gingen na aankomst in Londen bij Wilhelmina op de thee. Zo ook mevrouw Boas, die net als iedereen vooraf strenge, protocollaire instructies had gekregen. De belangrijkste: zeg nooit ‘nee’ tegen de koningin en richt in géén geval het woord tot haar.

Na de vraag van Hare Majesteit hoe het met haar ging te hebben beantwoord, kon Boas zich niet inhouden en zei spontaan: ‘Ja Majesteit, maar met de Joden in Nederland gaat het niet goed.’ Wilhelmina stond abrupt op. ‘Dat heb ik u niet gevraagd’ en ging de volgende in de rij lastigvallen met haar obligate hoe-is-het-met-u-vraag.

Deze column eerder verscheen in De Republikein, nummer 2, april 2022

 

Willem-Alexander hield zich in zijn recente videoboodschap over het toekomstig gebruik van de Gouden Koets lafhartig op de vlakte. ‘De Gouden Koets zal pas weer kunnen rijden als Nederland daar klaar voor is.’ Hij wekte zelf de indruk maar al te graag te willen.

Jan Snoek, vast speechschrijver van W.A., die zelf kan schrijven noch speechen, had er een raar verhaaltje van gemaakt. Wie de speech beoordeelt op dooddoeners kan zijn hart ophalen. ‘s Konings babbeltje stond bol van ‘verbinding’, ‘samen’, ‘eenheid’ en ander blabla.

De presentatie week sterk af van de manier waarop hij de laatste jaren zijn Kerstboodschappen presenteerde. Dat waren evenzovele rampen want Willem-Alexander weet zich met zijn handen geen raad. Zijn optredens riepen bij mij associaties op met een reclame voor Duracellbaterijen waar een speelgoedkonijntje op zijn laatste stroomstootjes schokkerige bewegingen maakt voordat hij tot stilstand komt.

Dat zijn handen ditmaal niet te zien waren, miste ik raar genoeg ook een beetje. Als je het geluid afzette, kreeg je de indruk dat Willem-Alexander stond te pochen over de vissen die hij had gevangen. ‘Die ik ving was zó groot maar die van mijn buurman was van het formaat guppie’. En – húps – daar gingen zijn handen dan weer om zijn verhaal kracht bij te zetten. Mijn visserslatijntheorie heb ik in de praktijk kunnen toetsen. Ik vroeg mijn kleinzoon Vince (3) waar die man op TV het over had. ‘Vissen’ sprak hij beslist.

Het is verbazingwekkend dat W.A. nog steeds wegkomt met het koloniale verleden van zijn familie. Als we de balans opmaken van het aantal doden in Indonesië ten gevolge van de Nederlandse koloniale oorlogen is dat schrikbarend. Sinds de stichting van het Koninkrijk in 1815 zijn er ruim een half miljoen mensen over de kling gejaagd.

De gewraakte afbeelding op zijn geliefde Koets – Hulde der Koloniën – past alleen al vanwege al die omgebrachte mannen, vrouwen en zelfs kinderen niet meer in deze tijd. Niks hulde. Ruim 500.000 mensen werden gedood in de tijd dat Nederland een Oranje als staatshoofd had. De Belgen, wier koning Leopold II zich in de Congo tussen 1880 en 1910 misdadig misdroeg, hebben zich wél rekenschap gegeven van die periode. Willem-Alexander echter gaat schaamteloos voorbij aan zijn eigen achtergrond en geschiedenis. Marc Rutte, premier én historicus, zul je er evenmin over horen.

Enkele historici hebben zich opgewonden over het gebruik van het woord ‘bersiap’. Bersiap betekent ‘sta paraat!’. Het woord zou racistisch zijn en verboden moeten worden op de tentoonstelling over de Indonesische onafhankelijkheidstrijd in het Rijksmuseum. Kunnen ze niet beter de rol van de Oranjes eens onder de loep nemen?

De geschiedenis van de Gouden Koets zelf in evenmin fris. Het rijtuig was een ‘geschenk’ van de Amsterdamse bevolking op initiatief van de ‘Oranjevriendenkring’ bij de inhuldiging van Wilhelmina (1898). Louis Hermans, de vleesgeworden nachtmerrie van de Oranjes in die dagen en uitgever van het satirische weekblad De Roode Duivel maakte zich er woedend over in zijn brochure De Gouden kwartjeswagen.  

Tabakszaken verkochten Volksaandelen van een kwartje om het geld bijeen te brengen. Hermans vond dat schandelijk want de werkloosheid was deprimerend hoog. ‘Aan de ledige haard van den werkman grijnst het spook van den honger en de sporen van gebrek zijn op de smalle bleeke gezichtjes uwer kinderen duidelijk merkbaar.’

Het ging niet aan arme mensen geld uit de zak te kloppen door te speculeren op ‘gevoelens van eerbied of liefde’.

Zelden had iemand zo gelijk. Als je zeven gulden in de week verdient om een kinderrijk gezin te onderhouden, is een kwartje veel geld.

De koets moet in het museum blijven. De monarchie hoort daar trouwens ook thuis.

Dit stuk verscheen eerder in De Republikein, nummer 1, maart 2022

 

Hoe ik niets vermoedend in een hinderlaag liep.

Het is alweer een aantal jaren geleden, maar plotseling schoot me de ‘Nacht van de Geschiedenis’ weer te binnen. Het is een jaarlijks terugkerend evenement van de Universiteit van Groningen waar diverse thema’s aan bod komen. Ik was gevraagd om te spreken in de themagroep ‘Kerkhof van gevallen Helden’. Er was voor elk wat wils. Zo sprak Rutger Bregman, nog piepjong, dat we veel meer lessen uit de geschiedenis moesten trekken.

In mijn groepje ging het over Jan Pieterszoon Coen en generaal Van Heutsz, die onder gejuich van koningin Wilhelmina slachtpartijen onder de Indische bevolking had aangericht.Stripheld Kuifje moest naar het kerkhof vanwege racistisch uitlatingen. Dat had hij gemeen met Coen, al ging de laatste veel verder dan zich denigrerend uitlaten over zijn Indische medemensen.

De stichter van de Sovjet-Unie, Lenin, had vanwege de vele doden die hij op zijn geweten had zijn status van gevallen held absoluut verdiend. Ik zou prins Bernhard voor mijn rekening nemen, wiens torenhoge voetstuk last had van flinke erosie. Hij was corrupt, loog tegen de klippen op en zijn status van verzetsheld in de Tweede Wereldoorlog bleek verzonnen te zijn. Want hoe kun je in het verzet zitten terwijl je in Londen woont waar hij feestend met zijn vele vriendinnen zijn dagen sleet. Aan mij de taak om het voormalig NSDAP- en SS-lid het graf in te praten.

Toen gebeurde er iets wat ik nooit eerder had meegemaakt. Prof. dr. Hans Renner kreeg het woord om alvast een aantal dingen recht te zetten, waarvan hij vermoedde dat ik die in mijn voordracht zou aanroeren. Hij zag het als zijn taak Bernhard te verdedigen. Renner was tijdens de Praagse lente naar Nederland gevlucht en was bijzonder hoogleraar Midden-Europese geschiedenis aan de RUG. Hij zou die avond Lenin ten grave dragen, maar voordat hij dat deed zag hij het als zijn opdracht mij eerst af te branden. Hij deed dat overigens met toestemming van de organisatie, die mij niet over Renners plan had ingelicht. Van hun afspraak dat ik niet op Renners woorden mocht reageren was ik evenmin op de hoogte. Ik had kunnen wegelopen maar ik ben geen Baudet.

De tirade van Renner kwam erop neer dat ik voortaan mijn mond moest houden over het koningshuis en zeker over Bernhard. Dat was een held van het zuiverste soort. Hoe haalde ik het in mijn hoofd de prins naar het kerkhof van gevallen helden te sturen. Lenin. Ja, die hoorde daar thuis, maar Bernhard beslist niet. Ook mijn kritiek op de Oranjes verafschuwde hij, want die hadden meer goed voor Nederland gedaan dan ik ooit zou kunnen beseffen.

Enigszins beduusd door de gang van zaken, besprak ik de discutabele levenswandel van Bernhard en belichtte – daartoe extra geïnspireerd door Renner – zijn corrupte gedrag, leugens en gegraai. Conclusie: Bernhard lag volkomen terecht op dat kerkhof.

Na afloop schoot ik Renner aan met de vraag wat hem bezielde. Had hij ooit iets van mijn hand over Bernhard gelezen? Nee, maar dat was ook niet nodig. Het was toch allemaal onzin. Ik kwam zeker uit de protestbeweging van de jaren zestig? Nou, dan wist hij genoeg. Ik wierp nog tegen dat al mijn boeken van een uitgebreid notenapparaat waren voorzien, maar dat vond professor Renner van geen belang: ‘voetnoten zijn geduldig’. Ik besloot toen maar het gesprek met deze lakei uit de ergste categorie te beëindigen.

Op internet vond ik snel antwoord voor Renners ophemelen van de Familie. Een paar jaar eerder was hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. De lintjesregen die eind april weer op ons afkomt, zal vast weer nieuwe lakeien opkweken.

Dit stukje verscheen ook als column in De Republikein, nummer 2, april 2021

Dat Rutte er als de kippen bij is om de Oranjes te ontzien weten we. Het is trouwens zijn taak de koninklijke familie in bescherming te nemen vanuit het dogma van de ministeriële verantwoordelijkheid.
Het dogma dus, dat de Familie permanent uit de wind houdt en de minister-president opzadelt met de verdediging. Vaak tegen beter weten. Soms ontaardt dat in leugens.

Ik weet dat zo zeker omdat ik er zelf mee te maken heb gehad. Toen ik in 1996 het lidmaatschap van prins Bernhard van de Duitse nazipartij NSDAP had onthuld, eiste Bernhard de onderliggende stukken op
die ik op de National Archives in Washington DC boven water had gehaald.

Dat de kwestie prins Bernhard niet alleen hoog zat, maar ook bezorgd maakte, was evident.
De aantekening ‘symbol 3’ op een van de stukken, maakte hem zo ongerust dat hij de telefoon greep en Nico Buis, de directeur van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) belde.
Wat hield dat in, ‘symbol 3’? Buis, kersvers benoemd tot BVD-directeur, had geen idee en gaf de opdracht van de prins door aan Dick Engelen, huishistoricus van de BVD, die op zijn beurt mij belde om uitleg.

Engelen en ik kenden elkaar. We hadden samen een artikel voor het Jaarboek van het RIOD geschreven. Mijn directeur, Peter Van Dijk, verbood mij echter iedere bemoeienis met de affaire.
Bernhard had met de directeur van de BVD gebeld, niet met het RIOD. Punt uit. De BVD moest het zelf maar uitzoeken. Van Dijk had het al moeilijk genoeg met mij in verband met prins Bernhard en was het helemaal zat.

Het telefoontje van de prins aan de BVD kwam jaren later – in 2014 – toch in het nieuws in verband met de affaire Edwin de Roy van Zuydewijn, die van 2001 tot 2006 was getrouwd met prinses Margarita. Ze was een kleindochter van prins Bernhard en een nichtje van koningin Beatrix. Het echtpaar verkeerde op voet van oorlog met de koninklijke familie en de kwestie werd deels in de media uitgevochten. Ook in het geval De Roy van Zuydewijn had Bernhard de telefoon gegrepen en de BVD opdracht gegeven onderzoek te doen naar De Roy van Zuydewijn.

Naar aanleiding van Kamervragen beweerde Rutte dat Bernhard nóóit rechtstreeks een veiligheidsdienst had benaderd. Met welke opdracht dan ook. Dat kón helemaal niet. De prins had daartoe niet de bevoegdheid.  Niemand trouwens van de koninklijke familie had het recht de inlichtingendiensten voor zijn of haar privédoeleinden in te zetten. Daar had Rutte natuurlijk gelijk in. Maar het gebeurde tóch. Dat had Rutte, Bernhard kennende, kunnen weten.
Rutte zei toen niet dat hij ‘er geen herinnering aan had’ of dat hij zijn uitspraak ‘naar eer en geweten’ had gedaan. Had hij dat wel gedaan, dan had hij dubbelop gelogen.

Kamerleden wilden de banden van prins Bernhard met inlichtingendiensten nader onderzoeken, maar Rutte hield de boot met succes af. De vragen naar ‘functie Omtzigt’, die hij pertinent niet wilde beantwoorden, kreeg hij wel voor zijn kiezen. Met als gevolg dat hij als leugenaar door de mand viel.

Geen last van vliegschaamte

Máxima en Willem-Alexander kun je van veel betichten, maar niet dat ze gebukt gaan onder vliegschaamte. Premier Rutte trouwens ook niet. Ze maken allemaal veelvuldig gebruik van het regeringsvliegtuig PH-GOV. Toen we met kerst dachten dat de koning zijn toespraak life stond af te lezen van de autocue was hij met zijn gezin al lang met vakantie. Om ‘veiligheidsredenen’ – de eeuwige dooddoener – mocht niemand weten waar hij uithing.

De koning kan aan onkosten declareren wat hem goeddunkt. Geen minister die hem lastig zal vallen. Ze vinden wél dat W-A het soms te bont maakt en verzinnen dan trucs om de kosten te verdoezelen. Zo ook met de PH-GOV, een Boeing 737, die voor veel te veel geld is verbouwd om de Koninklijke Hoogheden een plezier te doen. Ministers mogen het toestel ook gebruiken maar de koning gaat altijd voor. Beatrix was daar zeer bedreven in. Zo gauw ze een van haar vele vluchten tot ‘landsbelang’ verklaarde – en Beatrix deed niet anders – mocht ze de lucht in.

Vanwege de buitensporige vliegkosten vindt de regering het vervelend dat wij weten hoe vaak de Oranjes de PH-GOV gebruiken. Tegenwoordig zijn er tracker apps waarmee je alle vliegtuigen wereldwijd kunt volgen. Allemaal? Nou ja, op een na: de PH-GOV is sinds september onzichtbaar. Met de apps kunnen we sindsdien niet langer zien waar het staatshoofd zich bevindt. Via de KLM, dat de PH-GOV onderhoudt, was dat snel geregeld. ‘In the interest of our client, we seek solutions to have the exact location of that aircraft not made public.’

Dankzij tracker apps konden we afgelopen zomer nog zien dat de koning tijdens zijn vakantie maar liefst elf maal de PH-GOV pakte om een uitstapje te maken. Dat is nu verleden tijd. Het is niet langer na te gaan hoe vaak de Familie naar bijvoorbeeld hun vakantiehuis in Griekenland vliegt. Uiteraard zijn die vakanties ook een zaak van landsbelang: de koning rust uit en dat komt heel Nederland ten goede. Alleen al dat gratis vliegen is ontspannend.

Zowel Willem-Alexander als Mark Rutte waren vorig jaar uitgenodigd voor de Bilderbergconferentie in Zwitserland. De PH-GOV was wegens onderhoud niet beschikbaar en dus huurde de Dienst Koninklijk Huis een privéjet. Dat mag. Naar een nadere specificatie wordt nooit gevraagd.

Rutte en een medewerker mochten meevliegen, maar moesten daarvoor wel 13.695 euro overmaken op de rekening van het koninklijk huis. Een lijnvlucht was geen optie vanwege – u weet wel – veiligheidsredenen. De koning bracht dat bedrag in rekening omdat hij ongeveer 400.000 euro per jaar aan privéjets en helicopters mag uitgeven. Door Rutte te laten betalen zat hij iets minder snel aan zijn limiet.

Zowel Rutte als de koning gingen hier de fout in. Bilderbergbezoekers worden op persoonlijke titel uitgenodigd. Rutte komt als Rutte; niet als minister-president. En Willem-Alexander komt als Van Oranje; niet als koning van Nederland. Ze reisden niet in het landsbelang en dus had Rutte (en zijn medewerker) de reis zelf moeten betalen. Bovendien betaalde de premier 1772,78 euro voor drie hotelovernachtingen, Ook die kosten had hij zelf moeten ophoesten omdat ze privé zijn.

Gelukkig zijn er nog politici in Den Haag die wél weten hoe het hoort. Kathalijne Buitenweg, Tweede Kamerlid voor GroenLinks, was ook uitgenodigd in Montreux. Vloog zij mee in de door Willem-Alexander op staatskosten gehuurde privéjet? Nee, want Buitenweg kent de regels: ‘Ik ben per trein gegaan (vier keer overstappen) en heb de kosten zelf betaald.’
Zo hoort het. Rutte behoort het geld terug te storten. Zijn fractievoorzitter Klaas Dijkhoff weet vast wel hoe dat moet. En W-A? Die gaat altijd vrijuit. Hij kan zich zelfs de moeite van een smoes verzinnen besparen.

Het totaalbedrag voor de vlieguren van het Koninklijk Huis is voor 2020 geraamd op 810.000 euro. Dat is aan de lage kant. Zo nodig springt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bij met extra geld uit de algemene middelen.

Dit artikel verscheen in iets andere vorm eerder in De Republikein nr. 1 maart 2020

Kunst, doorgestoken kaart en prins Bernhard

In het Norton Simon Museum in Pasadena, Californië, hangt een tweeluik: ‘Adam en Eva’ van Lucas Cranach de Oude.
De huidige waarde wordt geschat op 25 miljoen dollar. Hermann Göring ‘kocht’ de de stukken in 1940, ze kwamen daarna in het bezit van de Nederlandse staat. Waarom hangen ze nu dan in de VS? Dankzij prins Bernhard.

De roof van kunst in de Tweede Wereldoorlog is nog steeds actueel. De belangrijkste stukken van de internationaal vermaarde Amsterdamse kunsthandel Jacques Goudstikker vielen in handen van Rijksmaarschalk Hermann Göring. Goudstikker vluchtte in mei 1940 met vrouw en kind naar Engeland. Tijdens de overtocht brak hij zijn nek door een val in het scheepsruim. Na de oorlog deed zijn echtgenote Desi jarenlang vergeefse pogingen haar rechtmatige bezit terug te krijgen.

Als historicus, gespecialiseerd in roof en restitutie, heb ik de afwikkeling van de zaak Goudstikker altijd een schande gevonden. De Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), verantwoordelijk voor de teruggave aan de eigenaars van de uit Duitsland gerecupereerde kunst, fungeerde soms als een acquisitiebureau met als doel ons nationaal kunstbezit gratis te verrijken. Zo kon het gebeuren dat stukken niet bij hun eigenaar terugkeerden, maar staatsbezit werden. Van dat SNK-beleid was ook Desi Goudstikker-von Halban Kurz slachtoffer.

Geschoold als operazangeres in Wenen had ze weinig verstand van de kunsthandel.
Van die onwetendheid heeft het SNK gebruik gemaakt om de collectie voor de staat in te palmen. Na jarenlange strijd gaf ze het gevecht op, waarmee de Nederlandse staat meer dan tweehonderd schilderijen (waaronder Rembrandts) in handen kreeg. Toen medio jaren negentig de roof en teruggave van joods bezit weer volop in de belangstelling stonden, gloorde nieuwe hoop. De erven Goudstikker in Greenwich, Connecticut (VS), spanden een rechtszaak aan, maar de rechter verklaarde zich niet bevoegd tot oordelen. Pas in 2006 erkende de staat bij monde van staatsecretaris Medy van der Laan, dat de familie fout was behandeld. Desi’s schoondochter Marei von Saher kreeg het geroofde familiebezit terug.

Althans een deel. Van de ruim 1100 geroofde schilderijen en sculpturen keerden er 202 terug in familiebezit. De rest is verloren gegaan door brand, diefstal en oorlogsgeweld. Er zijn ook stukken op een onfrisse manier verkocht. In het Norton Simon Museum in Pasadena (Californië) hangt een tweeluik, ‘Adam en Eva’ van Lucas Cranach, de Oude. Het stuk is omstreeks 1530 geschilderd. De huidige waarde wordt geschat op 25 miljoen dollar. Göring ‘kocht’ de stukken in 1940, de SNK bracht ze in het bezit van de staat en het is aan prins Bernhard te danken dat ze nu in Pasadena hangen. In 2007 eiste mevrouw Von Saher de Cranachs op als haar eigendom en begon een proces. Hoe was Cranach in Pasadena beland?

George Stroganoff-Scherbatoff, telg uit een oud Russisch geslacht, begon in mei 1961 een procedure tegen de Nederlandse staat om de Cranachs, dat familiebezit zou zijn, terug te krijgen. Na de Sovjetrevolutie had de familie zijn heil in het buitenland gezocht. Toen Stroganoff zijn claim indiende, was hij Amerikaans staatsburger.
De herkomst van het tweeluik is niet helemaal duidelijk. Volgens Stroganoff was het afkomstig  uit het familiepaleis te Sint-Petersburg. De Sovjetregering had de collectie geconfisqueerd  en in 1931 bij het Berlijnse veilinghuis Thomas Lepke te koop aangeboden. Dat er mogelijk een luchtje aan zat, bleek uit de opmerking van de veilingmeester dat Lepke niet aansprakelijk was voor eventuele claims in de toekomst. Het koperspubliek zat er niet mee. Goudstikker ook niet. Hij betaalde voor ‘Adam en Eva’ 47.000 mark. De mogelijkheid dat het tweeluik niet tot de Stroganoff-collectie behoorde, maar door de Sovjets in een kerk te Kiev was geconfisqueerd, is niet uitgesloten.

Wat wel vaststaat is dat Stroganoff tot actie overging toen hij hoorde dat het kunstwerk in Den Haag lag opgeslagen. Aanvankelijk zonder succes. De Nederlandse autoriteiten toonden zich niet gevoelig voor zijn larmoyante verhaal dat het tweeluik ooit familiebezit was geweest en dat zijn verdere leven zinloos zou zijn zolang ‘Adam en Eva’ niet bij hem thuis aan de muur hingen. Het ging hem niet om het geld, beweerde hij, maar om de ‘affectiewaarde’.
Stroganoff koos echter pas voor die sentimentele benadering toen zijn juridisch gegronde claim – hij zou volgens Russisch recht de enige wettige erfgenaam zijn – kansloos bleek. Nederland peinsde er geen moment over zijn claim in te willigen en ook zijn aanspraken op een werk van Petrus Christus (‘Madonna met kind’) en een Rembrandt (‘Titus met monnikskap’) liepen op niets uit. De verkoop van stukken uit nationaal kunstbezit is alleen toegestaan als het landsbelang dat eist, maar daarvan was in het geval Stroganoff geen sprake.

De staat deelde haar afwijzing in een ultrakort briefje mede. De bedoeling daarvan was Stroganoffs advocaat geen enkel handvat te bieden voor verdere acties. Mr. Van der Feltz trapte daar vanzelfsprekend niet in en vroeg naar de gronden voor de negatieve beslissing.
Stroganoff realiseerde zich dat de kans om de Cranach in handen te krijgen nihil was en besloot  een andere weg te bewandelen. Plotseling duikt prins Bernhard dan op in de stukken. Hij pleit ervoor Stroganoff zijn zin te geven.

Na de interventie van Z.K.H. komt de zaak snel in beweging. Het ministerie van O.K.&W vraagt het Rijksmuseum een schatting te maken van de waarde van de Cranach, de Rembrandt en de Petrus Christus. Directeur Van Schendel volgde de ontwikkelingen met argwaan en laat dat blijken in een brief. Hij noemde de nieuwe opstelling een ‘onrustbarend novum’ voor de kunstwereld. Als werd toegegeven aan de eis van Stroganoff zou het hek van de dam zijn, want er waren massa’s kunstobjecten uit de Sovjet-Unie in het westen terecht gekomen.
Het ministerie dreigde zich volgens Van Schendel op een hellend vlak te begeven. Het nut van het maken van een schatting zag hij niet in.

Bij O.K.&W. was onrust ontstaan na het bericht dat Bernhard zich in de kwestie had gemengd. Het besef drong door dat men de kwestie misschien niet langer in de hand had toen Stroganoff ‘nog langs andere dan wettelijke wegen probeert iets gedaan te krijgen’. Het ministerie sloot niet langer ‘bij voorbaat uit dat het Rijk zou willen overwegen een regeling te treffen die enigszins recht doet aan de affectiewaarde die de heer Stroganoff zegt aan de schilderijen te hechten.’

Een slecht voorteken was ook dat er toch een schatting werd gemaakt: de Rembrandt was ruwweg acht miljoen gulden waard, de ‘Adam’ van Cranach tienduizend en de ‘Eva’ twintigduizend gulden. De Petrus Christus bleek een vervalsing.

De omslag in de procedure kwam dus pas toen Stroganoff de kansloze, legale weg verliet en Bernhard inschakelde. Hij deed dat samen met de Amerikaanse jurist en kunstkenner Winston Guest, die al jarenlang bevriend was met de prins. Guest, afkomstig uit een vooraanstaande familie, wist dat Bernhard in regeringskringen grote invloed genoot. Als hij Bernhard mee kon krijgen, zou de kans op succes aanzienlijk zijn. Guest stuurde de prins een memorandum waarin hij de aspecten van de Stroganoff-claim toelichtte. Daarmee toog Bernhard persoonlijk naar de minister van O.K.&W.

Het memo was duidelijk bedoeld om sympathie voor de arme, van zijn erfstukken beroofde, Stroganoff te wekken. Guest prentte ook nog eens in dat Stroganoff niet zomaar een Amerikaan was. Integendeel. Hij had gediend in de staf van Roosevelt, een president die in Nederland vanwege de oorlog enorm aanzien genoot. Hoe was het dan mogelijk, vroeg Bernhard zich namens Guest af, dat het Cranach-tweeluik van Stroganoff ergens in een Haagse kelder stof lagen te vangen? Het zou Nederland sieren Stroganoff zijn rechtmatige bezit terug te geven.

Om de kans om succes te vergroten paste Stroganoff zijn eisen aan. Hij was bereid een bescheiden som voor de schilderijen te betalen. De eis op de Rembrandt liet hij vallen. Die was toch volstrekt kansloos, al was het alleen maar vanwege de waarde van het doek. De nieuwe opstelling was bedoeld als sympathiek gebaar. Stroganoff wilde duidelijk maken dat hij niet het onderste uit de kan wenste.

De interventies van Bernhard begonnen eind februari 1966. Vier maanden later, op 8 juli 1966, was de zaak geregeld. Stroganoff kreeg het tweeluik van Cranach (en de Madonna) voor de spotprijs van 60.000 gulden in handen. Alleen al de ‘Adam’ en ‘Eva’ waren toen 750.000 dollar waard (de dollar was toen fl. 3.50).

In 1973 bleek dat Stroganoff de zaak had bedonderd. Dat kwam uit toen Guest een rechtszaak tegen hem aanspande omdat Stroganoff zijn afspraken niet na was gekomen. Uit de aanklacht blijkt dat de claim het gezamenlijke werk van beide heren was geweest. De afspraak was dat Guest een deel van de opbrengst zou krijgen als de claim werd toegewezen. Het ging dus gewoon om geld. Niks geen affectie of andere, tranentrekkende, emotionele argumenten. Het was allemaal doorgestoken kaart.

Het duo had onderling afgesproken zich te bedienen van een ‘prominent and influential figure in the Netherlands’. In de dagvaarding staat Bernhard omschreven als ‘X’, die had beloofd hen in ‘every possible way’ te zullen helpen. Het bleek een gouden greep. De toewijzing van het tweeluik in juli 1966 was geheel aan Bernhard te danken.

De ‘affectie’ van Stroganoff ging niet diep: in 1970 verkocht hij het tweeluik voor 800.000 dollar aan het Norton Simon Museum. Het is sinds kort zeker dat ze daar definitief blijven hangen. Op 20 mei jl. heeft het Supreme Court de claim van Von Saher definitief afgewezen op grond van de overweging dat de  Amerikaanse rechter zich niet mag mengen in beslissingen van de Nederlandse staat.

Heeft Bernhard ook aan de overeenkomst verdient? Daarvoor is geen bewijs, maar het is wel aannemelijk. Bernhard deed niets voor niets. Hij liet zich zelfs onderhands betalen voor het openen van bedrijven en bruggen; een taak die tot de kerntaken van de prinselijke bezigheden behoort.

Wordt het niet de hoogste tijd dat het Prins Bernhard Cultuurfonds een andere naam krijgt, zoals John Jansen van Galen vorig jaar al in Argus bepleitte?

(Dit artikel is onder meer gebaseerd op stukken van het ministerie van Financiën, 2.08.53, inventarisnummer 321 en het ministerie van CRM, inventarisnummer 1094, beide aanwezig op het Nationaal Archief, Den Haag).

Dit stuk verscheen eerder in Argus, 9 juli, 2019.

Hormonarchie

Democratisch gekozen staatshoofden mogen doorgaans een of twee ambtstermijnen aanblijven. Het minimaliseert de kans op machtsmisbruik, vriendjespolitiek, nepotisme en niet te vergeten afpersing. Vorstenhuizen daarentegen blijven decennialang aan de macht en leveren generatie na generatie het staatshoofd. Zijn zij dan afpersingsbestendig? We nemen als willekeurig voorbeeld het Huis van Oranje.

Dat ondervond koning Willem II wiens biseksualiteit en buitenechtelijke affaires bij enkele journalisten bekend waren. Die wilden dat best geheim houden, mits de koning met geld over de brug kwam. Willem heeft kapitalen uitgegeven om te voorkomen dat zijn biseksuele voorkeur en buiten-de-deur-geneuk publiekelijk bekend werden.
In 1819 – Willem was nog kroonprins – kreeg hij een anonieme brief met de mededeling dat er een pamflet klaarlag waarin zijn ‘schandelijke en onnatuurlijke lusten’ uitgebreid uit de doeken zouden worden gedaan. Als Willem publicatie wilde voorkomen, moest hij  63.000 gulden (ruim een half miljoen euro) zwijggeld betalen.

De afperser, Adam Boers, werd weliswaar in de kraag gevat, maar hem voor de rechter slepen was uitgesloten: dan zou het schandaal immers alsnog openbaar worden. De boef werd stilletjes op een boot naar Suriname gezet. De schuit leed onderweg schipbreuk maar Boers overleefde, vestigde zich in Parijs en begon vanuit Frankrijk aan een nieuw rondje afpersen. Zijn Belgische kompaan, die naar Batavia was verbannen, vertrouwde zijn kennis over Willems geheime seksleven toe aan luitenant Regnerus van Andringa de Kempenaer. De luitenant was nog niet terug in Nederland of hij zette de koning onder druk. Om een schandaal te voorkomen zag Willem zich gedwongen opnieuw de geldkraan open te draaien.

Prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina, liet een schare buitenechtelijke kinderen na. Dankzij geknoei in bevolkingsregisters en vervalsing van geboortebewijzen bleef Hendrik buiten beeld, maar geheel onopgemerkt bleef het toch niet. Wilhelmina huurde François van ’t Sant in, hoofdcommissaris van de Haagse politie, om de seksuele uitspattingen van haar echtgenoot te verdoezelen en, indien noodzakelijk, financiële regelingen te treffen.  Van ’t Sant probeerde steevast – vaak tegen al eerder gemaakt afspraken in –  de kosten voor alimentatie en zwijgen te drukken. Zoals bekend hebben de Oranjes een bloedhekel aan betalen, maar de reputatie van de monarchie dreigde bezoedeld te raken en dat was voor Wilhelmina (haast) nog erger dan geld uitgeven.

Toen Pim werd geboren als liefdesbaby van prins Hendrik en Mien Abbo-Wenneker werd een andere oplossing bedacht. Mien, die gehuwd was en dus overspel had gepleegd, scheidde van haar man en hertrouwde met luitenant Jan Derk Lier. De luitenant erkende Hendriks bastaard als zijn zoon. De halfbroer van koningin Juliana ging voortaan door het leven als Pim Lier.
Mien kreeg een ton op haar spaarbankboekje gestort; daarnaast ontving het echtpaar duizend gulden per maand, wat Van ’t Sant tegen alle afspraken al snel weer terugschroefde tot de helft.
Hendriks hormoongestuurde gedrag was een doorn in het oog van minister-president Hendrik Colijn. Terecht was hij bang dat Hendriks gedrag zou uitlekken. Als ministerieel verantwoordelijke zou hij dan met de gebakken peren zitten, want een crisis rond het populaire koningshuis zou hem bij de volgende verkiezen electoraal kunnen schaden. Hendriks uitspattingen moesten daarom koste wat kost de doofpot in en daar voor altijd blijven.

Prins Bernhard heeft het aan Hendriks excessieve seksleven te danken dat hij wél een uitkering van staatswege kreeg. De gedachte was dat een eigen jaarinkomen Bernhard financieel onafhankelijk maken zou zodat hij – in tegenstelling tot Hendrik – met belastinggeld zijn maîtresses en hoeren kon betalen. Hendrik had nauwelijks een cent te makken gehad zodat Wilhelmina voor zijn buitenechtelijke pleziertjes opdraaide. Naar goed Oranjegebruik kwamen die financiële lasten voortaan op de schouders van de belastingbetaler te rusten. Maar de oversekste en corrupte Bernhard vierde het leven buiten het echtelijke bed zo uitbundig dat hij steekpenningen moest aannemen om zijn alimentatie- en zwijgkosten te kunnen betalen.
Bernhard kon moeilijk anders. Het onderhouden van zijn buitenechtelijke kinderen en maîtresses kostte veel meer geld dan zijn jaarwedde van een ton hem opleverde. Daarnaast was hij slachtoffer van afpersers die weet hadden van zijn seksleven en omkoopbaarheid.

Afpersing kan, behalve de koninklijke privésfeer en de reputatie van het koningshuis, óók het landsbestuur schaden. Buitenlandse inlichtingendiensten, waaronder de Britse, Amerikaanse, Franse (en vermoedelijk ook Russische), volgden Bernhards activiteiten op de voet. Kennis van Bernhards wangedrag hield het gevaar in dat de politiek van de Nederlandse regering door vreemde naties kon worden beïnvloed. Het kabinet-Drees, maar ook koningin Juliana, hebben zich om die reden grote zorgen gemaakt over het gedrag van prins Bernhard.
Kranten spelen in de wereld van afpersing en corruptie een belangrijke rol. Zij kunnen immers affaires, die geheim moeten blijven, aan de grote klok hangen. Chanteurs kunnen zo hun slachtoffers gemakkelijk onder druk zetten. Wie niet betaalt wordt aan de schandpaal genageld.

De regering besefte dat vreemde inlichtingendiensten dynamiet in handen hadden. Er waren signalen dat de prins betrokken was bij illegale wapenhandel. Ook zou hij contacten onderhouden met louche banken en schimmige bedrijven. Bovendien bemoeide hij zich achter de schermen met Indonesië dat druk bezig was zich van het ‘moederland’ af te scheiden. Ook onderhield hij nauwe contacten met het bedrijfsleven dat de kolonie voor Nederland wilde behouden. Die inmenging mocht nooit naar buiten komen. De situatie was nu dubbel penibel: behalve dat de naam van het koningshuis bezoedeld dreigde te raken, was de kans ook levensgroot dat Bernhard met zijn ondoordachte gedrag het beleid van de Nederlandse regering zou doorkruisen.

Erfopvolging is een goudmijn voor afpersers. Een gekozen staatshoofd heeft maar relatief kort tijd zich chantabel te maken. Als hij aftreedt, kunnen onthullingen over zijn leven weinig kwaad meer. In een systeem van erfopvolging ligt dat precies andersom. Er zijn veel redenen om de monarchie af te schaffen. De mogelijkheid van afpersing is er eentje van.

Dit artikel verscheen eerder in Propria Cures, 15 juni 2019

Boek Leonie van Gerard Aalders

Het leven van Nederland meest intrigerende dubbelspionne, gereconstrueerd op basis van geheime archieven

In 1925 vestigt Leonie Pütz, 24 jaar oud, zich in het Amsterdam van de roaring twenties. Dankzij haar acteertalent weet deze bedwelmende schoonheid, afkomstig uit het Duitse Aken, vrijwel direct door te dringen tot de top van het Nederlandse toneel en speelt daar met de grootste namen van deze tijd. Niemand kent echter haar achtergrond als spionne voor Duitsland, weinigen weten dat ze ook voor Nederlandse, Engelse en Franse inlichtingen-diensten actief is. Leonie Reiman (haar schuilnaam) beheerst het spionagevak tot in de finesses en ze verstaat de kunst haar informanten datgene te ontlokken wat ze niet van plan waren ooit prijs te geven. Mannen op hoge posten, onder wie ministers en een procureur-generaal met veel macht, vallen voor haar geraffineerde charme en scherp intellect, anderen raken levenslang verstrikt in haar web.

Als ze tijdens de oorlog twee rivaliserende Duitse geheime diensten tegen elkaar uitspeelt, wordt ze gearresteerd en met een doodvonnis naar Ravensbrück gestuurd. Ze weet de nachtmerrie van dit concentratiekamp voor vrouwen op inventieve wijze te overleven en speelt na haar terugkeer een prominente rol in het Bureau Nationale Veiligheid, Nederlands eerste naoorlogse inlichtingendienst.

Leonie is gebaseerd op diepgaand archiefonderzoek. Het boek schetst het leven van een spionne waarin niets is wat het lijkt en waar schijn en werkelijkheid naadloos in elkaar overvloeien. Waarom werd ze aangeklaagd voor oorlogsmisdaden? Welke bekende Nederlanders kon ze chanteren en naar haar pijpen laten dansen? Wat wist ze van prins Bernhard?

Toen Leonie, totaal aan lager wal geraakt en verslaafd aan drank, in 1978 voorgoed de ogen sloot, slaakte menig Nederlander een zucht van verlichting.

‘Vergeleken bij Leonie was Mata Hari? een onnozel dorpswicht’

Graag meer achtergronden bij het nieuws

Zowel de Volkskrant als de NRC hebben uitgebreid geschreven over de vondst van Beatrice de Graaf in Duitse archieven. Op grond van haar onderzoek komt De Graaf tot de conclusie dat Wilhelmina van de komst van keizer Wilhelm II op de hoogte moet zijn geweest en dat de Nederlandse koningin persoonlijk achter zijn asielverlening in 1918 heeft gezeten. Ik denk dat mevrouw De Graaf daarin volkomen gelijk heeft. Maar waarom plaatsen kranten zulk nieuws niet in een breder kader?

Historicus Piet Hagen trok die conclusie al jaren geleden in zijn biografie van Pieter Jelles Troelstra Politicus uit Hartstocht (2011).
Troelstra, leider van de sociaaldemocraten, veronderstelde al in 1918, direct nadat de keizer de Nederlandse grens was gepasseerd, dat Wilhelmina ‘de keizer gastvrijheid had aangeboden’.

Troelstra was in de ochtend van 10 november 1918 door het Duitse gezantschap in Den Haag gebeld met de vraag hoe hij en zijn partij, de SDAP, dachten over asielverlening aan de keizer.
Hij had daar geen bezwaar tegen mits de keizer, net als alle andere militairen die onze grens
overstaken, direct werd geïnterneerd.
De keizer had daar uiteraard geen zin in. Het gezantschap heeft Troelstra er toen aan herinnerd dat koningin Wilhelmina al ‘gastvrijheid’ [had] aangeboden’.
Troelstra heeft er ook nog op gewezen dat de Duitsgezinde oud-generaal J.B. Van Heutsz, die bij Wilhelmina in een bijzonder goed blaadje stond, een dag voordat de keizer de Nederlandse grens passeerde, op diens hoofdkwartier in Spa (België) had geluncht.
De regering heeft later ontkend dat er toen over asiel was gesproken, maar Troelstra heeft altijd geweigerd – naar mijn mening volkomen terecht – dat te geloven.

Wilhelmina bewonderde generaal Van Heutsz vanwege zijn ‘pacificatie’ acties op Atjeh, dat deel uitmaakte van Nederlands Indië. ‘Pacificatie’ wilde zeggen: massamoorden plegen op de inheemse bevolking, die weigerde de Nederlandse koloniale heerschappij te aanvaarden. Dankzij die wandaden op Atjeh bracht hij het tot vertrouweling van Wilhelmina, die net als Van Heutsz pro-Duits was.

Het was dus oud nieuws wat de kranten in de afgelopen week brachten. Hoe Wilhelmina de keizer in haar autobiografische werk Eenzaam maar niet alleen heeft geportretteerd is evenmin nieuws, maar in dit verband toch wel aardig weer eens naar voren te halen. Over Hare Majesteit doen vele mythes de ronde. Ze hebben vrijwel allemaal gemeen dat Wilhelmina eruit oprijst als een heroïsche figuur die alles deed voor volk en vaderland en zichzelf het liefst wegcijferde.

In haar memoires schetst ze hoe Wilhelm II na de Duitse capitulatie tot haar afgrijzen naar Nederland vluchtte om asiel te vragen. Ze kon er maar niet over uit. Het was het laatste wat ze voor mogelijk had gehouden: een keizer die zijn volk in de steek laat. Dat deed je als monarch niet. En waarom? Alleen omdat hij voor zijn eigen leven had moeten vrezen als hij in Duitsland was gebleven.
De keizer was gevlucht, zo had ze vernomen, op aanraden van zijn directe ‘omgeving’.
Daarom moest Wilhelmina van Wilhelms ‘omgeving’ evenmin iets hebben. Die beschikte volgens haar niet over ‘staatsmanswijsheid’, om over moed nog maar te zwijgen. Ze schrijft in haar memoires (met cursiveringen):

‘Ik overdrijf niet, als ik zeg, dat het mij een week en misschien nog langer gekost heeft voor ik geloof kon hechten aan de ingekomen berichten, zó onwaarschijnlijk leek mij deze handelwijze. Verder zal ik over Wilhelm II niet spreken.’

Ze heeft hem, voor zover bekend, nooit gesproken of bezocht. Van uitlevering aan de oude tegenstanders van Duitsland, die de keizer wilden berechten wegens oorlogsmisdaden, kon echter geen sprake zijn. In het Verdrag van Versailles vraagt artikel 227 expliciet om uitlevering van Wilhelm door Nederland. Het heeft geleid tot aanzienlijke spanningen: Groot-Brittannië dreigde een tijdlang de diplomatieke betrekkingen met Den Haag te verbreken en Nederland de toegang tot de Volkenbond te ontzeggen. Dat alles dankzij onze koningin die van internationale betrekkingen niet het geringste benul had.

Cruciale papieren die met het asiel van Wilhelm hadden te maken, zijn vernietigd. Typisch Wilhelmina. Documenten die een smet op haar reputatie konden werpen, moesten worden verbrand. Ze heeft er, bij wijze van spreken, dagwerk aan gehad.

En haar eigen vlucht dan naar Engeland in mei 1940? Was dat dan niet vergelijkbaar? Gelukkig kon haar biograaf, wijlen Cees Fasseur, zijn lezertjes in dat opzicht geruststellen. Wilhelmina was gevlucht omdat het landsbelang dat eiste. Bij de keizer daarentegen hadden persoonlijke belangen de doorslag gegeven.

Hare Koninklijke Hoogheid Zelve heeft over haar vertrek naar Engeland geschreven dat ze zich ‘ten volle bewust’ was geweest ‘van de verbijsterende indruk, die haar vertrek thuis zou maken, maar waar het landsbelang dit meebracht, zag ik mij verplicht de smaad aan te durven van de schijn van gevlucht te zijn.’

Diep in haar hart echter was ze het liefst op de Grebbeberg gesneuveld:

‘Had de guerrilla tegen de valschermtroepen mij niet van de aanvang af alle verbinding met het strijdende leger afgesneden, zo had ik mij naar de strijdenden aan de Grebbe kunnen begeven om het lot van de krijgsman te delen en, zoals Willem III het uitdrukte: als de laatste man te vallen in de laatste loopgraaf. Ik wist dus, dat ook dat mij niet beschoren was.’

Arme majesteit. Werkelijk alles zat tegen.