De boom in.

Prinses Marianne (1810-1883), dochter en oogappel van koning Willem I, was een vrijgevochten vrouw die niet in haar tijd paste. Marianne hield van seks en daar kwam ze demonstratief voor uit. Wat zij, de prinses, deed vonden tijdgenoten maar ook haar familie schandalig. De levenswandel van de Oranjes was zoals bekend verre van onberispelijk, maar mannen mochten dat. Tijd om Marianne eens voor het voetlicht te halen

Op 20-jarige leeftijd trouwde ze met haar volle neef prins Albert van Pruisen. Een verstandshuwelijk, gebaseerd op politiek en machtsoverwegingen. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, van wie er twee jong stierven. De sfeer in hun Berlijnse onderkomen was om te snijden. Dat had vooral te maken met Alberts veelvuldige bezoeken aan bordelen waarbij hij een enthousiaste voorkeur aan de dag legde voor hoerenkasten met de slechtste reputatie. Albert hing de beest uit en daar kreeg Marianne schoon genoeg van.

Toen haar vader in 1843 stierf kon ze dankzij de erfenis zelfstandig gaan leven. Ze liet haar echtgenoot en drie kinderen in Berlijn achter en verhuisde naar Voorburg. Ze nam een koetsier in dienst, Johannes van Rossum, die al spoedig tot bedgenoot werd gepromoveerd en met wie ze zelfs openlijk ging samenwonen. Schande dus. Haar reputatie ging helemaal aan diggelen toen ze met Johannes (een getrouwd man) een zoon kreeg. Overspel, zo vonden de Oranjes door de eeuwen heen, was geen enkel probleem, maar een vrouw moest dat niet in haar hoofd halen.

Marianne leidde een onstuimig leven, vol van avontuur en verre reizen. Bij reizen horen souvenirs. Toen ze in Egypte een slavenmarkt bezocht, koos ze haar souvenir met zorg. Het joch dat ze kocht was opvallend knap en straalde manlijkheid uit. Voor Marianne reden om met hem in Den Haag te gaan lopen pronken. Haar slaafje bracht de fantasie van het volk in wijde omgeving danig op hol en kreeg in oververhitte fantasieën de rol van seksslaaf toebedeeld. Marianne zat er niet mee.

Zelfs Eilert Meeter, journalist en erkend republikein, sprak schande van haar gedrag en noemde Marianne een ‘rondzwervende vrouw van lichte zeden’. Niemand in Nederland zou meer ontaard zijn dan Marianne. De biseksuele koning Willem II (haar broer) was door zijn seksuele uitspattingen geliefd bij het afpersersgilde, maar op Marianne kregen ze geen vat. Als je alles openlijk doet valt er immers niets af te persen. Gêne kende de prinses niet of nauwelijks. Je krijgt zelfs het idee dat broeder Willem wat betreft seksueel vertier nog best veel van zijn jongste zus had kunnen opsteken.

Over Marianne ging het gerucht dat ze wedstrijden organiseerde waarbij de hoofdprijs een naakte vrouw was. Vermoedelijk is het verhaal ontsproten aan de erotische verbeeldingskracht van de Voorburgers, maar een goed verhaal moet je, zoals bekend, niet kapot checken. In een boom op Leeuwensteijn, haar villa in Voorburg, had prinses Marianne een plateau laten timmeren, dat eigenlijk een open lucht sekstheater was. Een vrouw die letterlijk niets om het lijf had nam daarop plaats. Ze was de prijs voor een stel bronstige mannen die zich likkebaardend onder de boom hadden opgesteld. Ook zij waren, afgezien van hun rijlaarzen, naakt.

Zodra de hoofdprijs zich op het plateau had geïnstalleerd, kwamen de heren in actie en klommen seksbelust de boom in. Wie als eerste het plateau in de ‘prinsessenboom’ bereikte won de naakte dame als hoofdprijs. Terwijl de winnaar op het plateautje seks had keek prinses Marianne, al dan niet in gezelschap van genodigden, belangstellend toe. Wellicht doelde Meeter op het vermeende sekstheater van de prinses toen hij noteerde dat Marianne zich overgaf ‘aan onnatuurlijke gruweldaden, die hier geen nadere bespreking verdragen’.

Niettemin deed ze later in haar leven veel aan liefdadigheid. Er zijn talloze straten in Nederland naar haar genoemd. Al dan niet omzoomd door bomen.

Deze column verscheen eerder in De Republikein, nummer 4, december 2022

 

 

 

Majesteit,

Went het al een beetje daarboven? Vast wel, want u ben bent nu immers bij de Allerhoogste in wiens naam u over het Verenigd Koninkrijk regeerde. Uw heengaan kwam gezien uw leeftijd niet onverwacht, maar de reacties op uw dood waren naar mijn bescheiden mening wat overtrokken. Vond u zelf die tiendaagse rouwperiode ook niet een tikkeltje overdreven? Soms waande ik me in Noord-Korea waar demonstratief rouwen bij overlijden van het staatshoofd verplicht is. Onder streng toezicht van de rouwpolitie verdronk ook uw koninkrijk in tranen, al werd het zo zoetjesaan toch tijd dat u ook de weg ging die al uw voorouders zijn gegaan.

Zeventig jaar lang was u de discretie zelve met als gevolg dat we praktisch niets van u weten. U hield uw mening voor zich, zoals het hoort in een monarchie. Aan dat principe hebt u zelden getornd. We droegen een wereldberoemde vrouw ten grave van wie eigenlijk niemand wist wie ze was. U zou een geweldig gevoel voor humor hebben gehad. Dat geloof ik graag, maar de grapjes die ik hoorde waren zo flauw dat ze – indien u geen koningin was geweest – volstrekt onopgemerkt waren gebleven. Maar ja, als we niets mogen weten van uw ideeën en u zichzelf verbood om ook maar één opmerkelijke uitspraak te doen, is ieder grapje meegenomen.

Uw foto bij de begrafenis van uw echtgenoot vond ik ontroerend. Boris Johnson had strenge coronaregels uitgevaardigd. Ze golden voor iedereen (u incluis) behalve voor hemzelf en zijn naaste medewerkers. Wat een mazzel dat u Boris nog mocht zien aftreden, maar wat moet het afschuwelijk zijn geweest die Liz Truss in de maag gesplitst te krijgen.

U was nog niet overleden of het ging direct al mis met Truss. Ik neem aan dat u God hebt toevertrouwd haar graag een schop onder haar ass te hebben willen geven.

Het moet me van het hart dat ik weinig vertrouwen heb in uw opvolger. Recentelijk werd Charles ervan beticht miljoenen aangenomen in ruil voor gunsten. Die steekpenningen zouden zijn bedoeld voor goede doelen, maar smeergeld blijft smeergeld. Prins Bernhard deed exact hetzelfde met een miljoen van Lockheed. Hij beweerde dat aan het Wereld Natuur Fonds te hebben geschonken.

U kunt hem, vrees ik, niet raadplegen, want ik neem aan dat Petrus op last van God Bernhard onverwijld heeft doorgestuurd naar de strafafdeling, exclusief gereserveerd voor corrupte prinsen.

Geniet van uw eeuwige rust,

Gerard Aalders

 

‘Hemelpost’ werd gepubliceerd in HP/DeTijd, december/januari 2022/2023

Griekenland

Het koningspaar ging weer eens op staatsbezoek. Ditmaal naar Griekenland waar ze sowieso al enkele maanden per jaar verblijven in hun vakantievilla.  Staatsbezoeken zijn uitputtend, lezen we regelmatig, en dat is ook zo. Ze luisteren naar speechen en ze geven zelf ook voordrachten. Er worden kransen gelegd en er wordt eindeloos gegeten, geborreld en getoast. Maar wat is eigenlijk het nut van zo’n reis en wat levert het op?

Een staatsbezoek is er volgens de RVD om de goede relatie met een ander land te bevestigen en te verdiepen. Maar waarom zou je eigenlijk gaan als de relatie, in dit geval Griekenland, al goed is? En hoe verdiep je een relatie? Kennelijk door inhoudsloze speeches af te steken die bol staan van de platitudes en door een tekstschrijver geschreven zijn, want Willem-Alexander doet dat nooit zelf. Voor zijn toespraken heeft hij Jan Snoek. Willem-Alexander leest alleen maar voor. Meestal gaat dat niet vloeiend  want ons staatshoofd verstaat de kunst van het speechen niet.

Een staatsbezoek valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid, wat inhoudt dat de minister van Buitenlandse Zaken meereist, hetgeen onvermijdelijk impliceert dat hij een aantal dagen van zijn eigenlijke werk wordt afgehouden. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en die van Volksgezondheid, Welzijn en Sport reisden ook mee en ook zij kwamen niet aan hun dagelijkse bezigheden toe. De veelgeroemde handelsmissie schitterde ditmaal door afwezigheid. Logisch,  want het kost meer dan het oplevert.

Er stond ook een gesprek met de Griekse ombudsman op het programma. Jammer, want die had zijn tijd veel beter aan nuttig ombudswerk kunnen besteden. Vervolgens kreeg de Akropolis  een bezoek van de Koninklijke Hoogheden te verduren. Dat zal vanwege de veiligheidsmaatregelen niet in goede aarde bij de overige bezoekers zijn gevallen. Trouwens ook niet bij de kleine middenstanders die van toeristen moeten leven, want die waren er vanwege de security niet. Exact daarom hebben winkels rondom het Paleis op de Dam de pest aan officiële gelegenheden waarbij de koning betrokken is. Klanten blijven weg.

Het nut van een bezoek aan een tentoonstelling van World Press Photo over vrouwenrechten was ook raadselachtig, maar misschien wilde Máxima zich graag als voorvechter van vrouwenrechten profileren. Het paar bezocht voorts een kliniek waar kinderen met kanker worden verpleegd. Erg meelevend natuurlijk en helemaal niets mis mee, maar waarom? Heel eenvoudig, er is in Utrecht een speciaal ziekenhuis voor kinderen met kanker naar Máxima vernoemd.

Schrijnend was dat hun bezoek aan een vluchtelingenkamp op Lesbos – het echtpaar is sinds kort officieel zeer begaan met het lot van vluchtelingen – uit het programma was geschrapt. Het is echt niet leuk die oeverloze ellende in zo’n kamp te moeten aanschouwen. Dus werd er gekozen voor een alternatief. In Athene is een opvangcentrum voor gevluchte kinderen. Het is er minder ellendig dan op Lesbos en kinderen kunnen er muziekles krijgen.

Kinderen speelden en zongen voor Willem-Alexander en Máxima die al spoedig het obligate traantje wegpinkte. Na afloop klampte een meisje zich wanhopig aan Máxima vast. Ze wilde graag een gesprek om over haar ellendige, uitzichtloze leven in het centrum te vertellen. Vermoedelijk in de hoop dat het dankzij de pers iets zou uithalen.

Máxima leek nu écht aangedaan en keek vragend naar haar echtgenoot. Helaas. Willem-Alexander maakte duidelijk dat daar echt geen tijd voor was. Wellicht bang dat de bitterballen bij de volgende ontvangst koud zouden worden.

Op de laatste dag van het staatsbezoek (in Thessaloniki) deden ze, gezellig op de fiets, een toeristische attractie aan. En natuurlijk was er het gebruikelijke persmoment waar journalisten onzinnige, voorgekookte en door de RVD goedgekeurde vragen kunnen stellen waarop ze voorgekookte, nietszeggende, door de RVD bedachte, antwoorden kregen.

Het enige moment waarop hun bezoek mogelijk enig nut had kunnen hebben, in het opvangcentrum, lieten ze onbenut.

Máxima adorerende royalty bladen konden hun geluk niet op. Wat was het toch weer leuk en wat zag ze er weer gewéldig uit.

‘Dat heb ik U niet gevraagd’

Tijdens haar vierendertig praatjes voor Radio Oranje heeft Wilhelmina het concreet slechts driemaal over de Jodenvervolging gehad en dan ook nog terloops. Ook verder toonde ze zich nauwelijks in hun lot geïnteresseerd.

Koningin Wilhelmina is de meest overschatte koningin die Nederland heeft gehad. Toen de strijd in de meidagen van 1940 nog volop woedde, nam ze lafhartig de benen naar Engeland. Zogenaamd om de oorlog vanuit Londen voort te zetten. Ze heeft zich door haar radiospeeches inderdaad populair gemaakt, maar voor de bevrijding van het vaderland heeft ze niets betekend. Voor het lot van de joden toonde ze nauwelijks interesse.

Dat Wilhelmina niets snapte van internationale politiek en het oorlogsverloop wordt duidelijk als we kijken naar het moment waarop ze verwachtte terug te kunnen keren naar Nederland. Tot en met eind 1941 heeft ze zich – compleet blind voor de feiten – buitengewoon optimistisch uitgelaten over de eindoverwinning. Zo zag ze op 20 maart 1941 ‘aan de kim de overwinning dagen’. Op 30 juli 1941 had ze het over ‘de laatste loodjes’, terwijl ze nog op 24 december 1941 glashard verkondigde: ‘we zien het tijdstip van de eindoverwinning dagen’. De rest van de wereld zag dat absoluut niet, want het ging de Duitsers en de Japanners op de slagvelden in die periode van de oorlog juist zeer voor de wind.

Amerika was de schok van Pearl Harbor nog niet eens te boven en de Japanse aanval op Nederlands-Indië moest nog beginnen (januari 1942). Opmerkelijk is dat Wilhelmina zelf heilig geloofde in de onzin die ze uitkraamde.

Het antwoord van Wilhelmina op de wereldwijd woedende oorlog waren – bij gebrek aan leger, luchtmacht en marine – radiopraatjes. In totaal heeft ze er vierendertig gehouden, die allemaal ongeveer 10 minuten duurden. Dat is zes uur spreektijd in vijf jaar oorlog.

Daar win je geen oorlog mee, al hebben historici als Loe de Jong en Cees Fasseur haar speeches een immense invloed toegedicht, zonder overigens ook maar een spoor van bewijs te leveren.

Jonge historici als Onno Sinke en Jord Schaap komen op grond van analyse van haar toespraken tot geheel andere conclusies. Schaap vindt ze vooral ‘langdradig’. Wilhelmina reeg woorden aaneen tot ellenlange monsterzinnen. Voor de microfoon struikelde ze dan over haar eigen woorden en ze wist een zin dan niet meer tot een goed einde te brengen.

Aan het lot van de joden in het bezette vaderland heeft ze nauwelijks aandacht besteed. Zelfs Fasseur kon dat niet ontkennen. Maar hij had wel een zwaarwegend ‘excuus’. Als verdediging voerde hij aan dat ook andere oorlogsleiders als Roosevelt en Churchill zich terughoudend hadden opgesteld. Wilhelmina als oorlogsleider; je moet maar durven. Tijdens haar vierendertig praatjes heeft Wilhelmina het concreet slechts driemaal over joden gehad en dan ook nog terloops.

En buiten de radio om? Bekommerde ze zich dan wel om haar joods landgenoten? Jazeker, ze had zelfs een favoriet: de verzetsman en Engelandvaarder Sally Noach. Maar hij was ook de enige. Voor iemand als journaliste en classica Henriëtte Boas, net als Sally Noach Engelandvaarder (en na de oorlog befaamd ingezonden brievenschrijfster te Badhoevedorp) kon ze weinig interesse opbrengen.

Alle Engelandvaarders gingen na aankomst in Londen bij Wilhelmina op de thee. Zo ook mevrouw Boas, die net als iedereen vooraf strenge, protocollaire instructies had gekregen. De belangrijkste: zeg nooit ‘nee’ tegen de koningin en richt in géén geval het woord tot haar.

Na de vraag van Hare Majesteit hoe het met haar ging te hebben beantwoord, kon Boas zich niet inhouden en zei spontaan: ‘Ja Majesteit, maar met de Joden in Nederland gaat het niet goed.’ Wilhelmina stond abrupt op. ‘Dat heb ik u niet gevraagd’ en ging de volgende in de rij lastigvallen met haar obligate hoe-is-het-met-u-vraag.

Deze column eerder verscheen in De Republikein, nummer 2, april 2022

 

Willem-Alexander hield zich in zijn recente videoboodschap over het toekomstig gebruik van de Gouden Koets lafhartig op de vlakte. ‘De Gouden Koets zal pas weer kunnen rijden als Nederland daar klaar voor is.’ Hij wekte zelf de indruk maar al te graag te willen.

Jan Snoek, vast speechschrijver van W.A., die zelf kan schrijven noch speechen, had er een raar verhaaltje van gemaakt. Wie de speech beoordeelt op dooddoeners kan zijn hart ophalen. ‘s Konings babbeltje stond bol van ‘verbinding’, ‘samen’, ‘eenheid’ en ander blabla.

De presentatie week sterk af van de manier waarop hij de laatste jaren zijn Kerstboodschappen presenteerde. Dat waren evenzovele rampen want Willem-Alexander weet zich met zijn handen geen raad. Zijn optredens riepen bij mij associaties op met een reclame voor Duracellbaterijen waar een speelgoedkonijntje op zijn laatste stroomstootjes schokkerige bewegingen maakt voordat hij tot stilstand komt.

Dat zijn handen ditmaal niet te zien waren, miste ik raar genoeg ook een beetje. Als je het geluid afzette, kreeg je de indruk dat Willem-Alexander stond te pochen over de vissen die hij had gevangen. ‘Die ik ving was zó groot maar die van mijn buurman was van het formaat guppie’. En – húps – daar gingen zijn handen dan weer om zijn verhaal kracht bij te zetten. Mijn visserslatijntheorie heb ik in de praktijk kunnen toetsen. Ik vroeg mijn kleinzoon Vince (3) waar die man op TV het over had. ‘Vissen’ sprak hij beslist.

Het is verbazingwekkend dat W.A. nog steeds wegkomt met het koloniale verleden van zijn familie. Als we de balans opmaken van het aantal doden in Indonesië ten gevolge van de Nederlandse koloniale oorlogen is dat schrikbarend. Sinds de stichting van het Koninkrijk in 1815 zijn er ruim een half miljoen mensen over de kling gejaagd.

De gewraakte afbeelding op zijn geliefde Koets – Hulde der Koloniën – past alleen al vanwege al die omgebrachte mannen, vrouwen en zelfs kinderen niet meer in deze tijd. Niks hulde. Ruim 500.000 mensen werden gedood in de tijd dat Nederland een Oranje als staatshoofd had. De Belgen, wier koning Leopold II zich in de Congo tussen 1880 en 1910 misdadig misdroeg, hebben zich wél rekenschap gegeven van die periode. Willem-Alexander echter gaat schaamteloos voorbij aan zijn eigen achtergrond en geschiedenis. Marc Rutte, premier én historicus, zul je er evenmin over horen.

Enkele historici hebben zich opgewonden over het gebruik van het woord ‘bersiap’. Bersiap betekent ‘sta paraat!’. Het woord zou racistisch zijn en verboden moeten worden op de tentoonstelling over de Indonesische onafhankelijkheidstrijd in het Rijksmuseum. Kunnen ze niet beter de rol van de Oranjes eens onder de loep nemen?

De geschiedenis van de Gouden Koets zelf in evenmin fris. Het rijtuig was een ‘geschenk’ van de Amsterdamse bevolking op initiatief van de ‘Oranjevriendenkring’ bij de inhuldiging van Wilhelmina (1898). Louis Hermans, de vleesgeworden nachtmerrie van de Oranjes in die dagen en uitgever van het satirische weekblad De Roode Duivel maakte zich er woedend over in zijn brochure De Gouden kwartjeswagen.  

Tabakszaken verkochten Volksaandelen van een kwartje om het geld bijeen te brengen. Hermans vond dat schandelijk want de werkloosheid was deprimerend hoog. ‘Aan de ledige haard van den werkman grijnst het spook van den honger en de sporen van gebrek zijn op de smalle bleeke gezichtjes uwer kinderen duidelijk merkbaar.’

Het ging niet aan arme mensen geld uit de zak te kloppen door te speculeren op ‘gevoelens van eerbied of liefde’.

Zelden had iemand zo gelijk. Als je zeven gulden in de week verdient om een kinderrijk gezin te onderhouden, is een kwartje veel geld.

De koets moet in het museum blijven. De monarchie hoort daar trouwens ook thuis.

Dit stuk verscheen eerder in De Republikein, nummer 1, maart 2022

 

Hoe ik niets vermoedend in een hinderlaag liep.

Het is alweer een aantal jaren geleden, maar plotseling schoot me de ‘Nacht van de Geschiedenis’ weer te binnen. Het is een jaarlijks terugkerend evenement van de Universiteit van Groningen waar diverse thema’s aan bod komen. Ik was gevraagd om te spreken in de themagroep ‘Kerkhof van gevallen Helden’. Er was voor elk wat wils. Zo sprak Rutger Bregman, nog piepjong, dat we veel meer lessen uit de geschiedenis moesten trekken.

In mijn groepje ging het over Jan Pieterszoon Coen en generaal Van Heutsz, die onder gejuich van koningin Wilhelmina slachtpartijen onder de Indische bevolking had aangericht.Stripheld Kuifje moest naar het kerkhof vanwege racistisch uitlatingen. Dat had hij gemeen met Coen, al ging de laatste veel verder dan zich denigrerend uitlaten over zijn Indische medemensen.

De stichter van de Sovjet-Unie, Lenin, had vanwege de vele doden die hij op zijn geweten had zijn status van gevallen held absoluut verdiend. Ik zou prins Bernhard voor mijn rekening nemen, wiens torenhoge voetstuk last had van flinke erosie. Hij was corrupt, loog tegen de klippen op en zijn status van verzetsheld in de Tweede Wereldoorlog bleek verzonnen te zijn. Want hoe kun je in het verzet zitten terwijl je in Londen woont waar hij feestend met zijn vele vriendinnen zijn dagen sleet. Aan mij de taak om het voormalig NSDAP- en SS-lid het graf in te praten.

Toen gebeurde er iets wat ik nooit eerder had meegemaakt. Prof. dr. Hans Renner kreeg het woord om alvast een aantal dingen recht te zetten, waarvan hij vermoedde dat ik die in mijn voordracht zou aanroeren. Hij zag het als zijn taak Bernhard te verdedigen. Renner was tijdens de Praagse lente naar Nederland gevlucht en was bijzonder hoogleraar Midden-Europese geschiedenis aan de RUG. Hij zou die avond Lenin ten grave dragen, maar voordat hij dat deed zag hij het als zijn opdracht mij eerst af te branden. Hij deed dat overigens met toestemming van de organisatie, die mij niet over Renners plan had ingelicht. Van hun afspraak dat ik niet op Renners woorden mocht reageren was ik evenmin op de hoogte. Ik had kunnen wegelopen maar ik ben geen Baudet.

De tirade van Renner kwam erop neer dat ik voortaan mijn mond moest houden over het koningshuis en zeker over Bernhard. Dat was een held van het zuiverste soort. Hoe haalde ik het in mijn hoofd de prins naar het kerkhof van gevallen helden te sturen. Lenin. Ja, die hoorde daar thuis, maar Bernhard beslist niet. Ook mijn kritiek op de Oranjes verafschuwde hij, want die hadden meer goed voor Nederland gedaan dan ik ooit zou kunnen beseffen.

Enigszins beduusd door de gang van zaken, besprak ik de discutabele levenswandel van Bernhard en belichtte – daartoe extra geïnspireerd door Renner – zijn corrupte gedrag, leugens en gegraai. Conclusie: Bernhard lag volkomen terecht op dat kerkhof.

Na afloop schoot ik Renner aan met de vraag wat hem bezielde. Had hij ooit iets van mijn hand over Bernhard gelezen? Nee, maar dat was ook niet nodig. Het was toch allemaal onzin. Ik kwam zeker uit de protestbeweging van de jaren zestig? Nou, dan wist hij genoeg. Ik wierp nog tegen dat al mijn boeken van een uitgebreid notenapparaat waren voorzien, maar dat vond professor Renner van geen belang: ‘voetnoten zijn geduldig’. Ik besloot toen maar het gesprek met deze lakei uit de ergste categorie te beëindigen.

Op internet vond ik snel antwoord voor Renners ophemelen van de Familie. Een paar jaar eerder was hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. De lintjesregen die eind april weer op ons afkomt, zal vast weer nieuwe lakeien opkweken.

Dit stukje verscheen ook als column in De Republikein, nummer 2, april 2021

Dat Rutte er als de kippen bij is om de Oranjes te ontzien weten we. Het is trouwens zijn taak de koninklijke familie in bescherming te nemen vanuit het dogma van de ministeriële verantwoordelijkheid.
Het dogma dus, dat de Familie permanent uit de wind houdt en de minister-president opzadelt met de verdediging. Vaak tegen beter weten. Soms ontaardt dat in leugens.

Ik weet dat zo zeker omdat ik er zelf mee te maken heb gehad. Toen ik in 1996 het lidmaatschap van prins Bernhard van de Duitse nazipartij NSDAP had onthuld, eiste Bernhard de onderliggende stukken op
die ik op de National Archives in Washington DC boven water had gehaald.

Dat de kwestie prins Bernhard niet alleen hoog zat, maar ook bezorgd maakte, was evident.
De aantekening ‘symbol 3’ op een van de stukken, maakte hem zo ongerust dat hij de telefoon greep en Nico Buis, de directeur van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) belde.
Wat hield dat in, ‘symbol 3’? Buis, kersvers benoemd tot BVD-directeur, had geen idee en gaf de opdracht van de prins door aan Dick Engelen, huishistoricus van de BVD, die op zijn beurt mij belde om uitleg.

Engelen en ik kenden elkaar. We hadden samen een artikel voor het Jaarboek van het RIOD geschreven. Mijn directeur, Peter Van Dijk, verbood mij echter iedere bemoeienis met de affaire.
Bernhard had met de directeur van de BVD gebeld, niet met het RIOD. Punt uit. De BVD moest het zelf maar uitzoeken. Van Dijk had het al moeilijk genoeg met mij in verband met prins Bernhard en was het helemaal zat.

Het telefoontje van de prins aan de BVD kwam jaren later – in 2014 – toch in het nieuws in verband met de affaire Edwin de Roy van Zuydewijn, die van 2001 tot 2006 was getrouwd met prinses Margarita. Ze was een kleindochter van prins Bernhard en een nichtje van koningin Beatrix. Het echtpaar verkeerde op voet van oorlog met de koninklijke familie en de kwestie werd deels in de media uitgevochten. Ook in het geval De Roy van Zuydewijn had Bernhard de telefoon gegrepen en de BVD opdracht gegeven onderzoek te doen naar De Roy van Zuydewijn.

Naar aanleiding van Kamervragen beweerde Rutte dat Bernhard nóóit rechtstreeks een veiligheidsdienst had benaderd. Met welke opdracht dan ook. Dat kón helemaal niet. De prins had daartoe niet de bevoegdheid.  Niemand trouwens van de koninklijke familie had het recht de inlichtingendiensten voor zijn of haar privédoeleinden in te zetten. Daar had Rutte natuurlijk gelijk in. Maar het gebeurde tóch. Dat had Rutte, Bernhard kennende, kunnen weten.
Rutte zei toen niet dat hij ‘er geen herinnering aan had’ of dat hij zijn uitspraak ‘naar eer en geweten’ had gedaan. Had hij dat wel gedaan, dan had hij dubbelop gelogen.

Kamerleden wilden de banden van prins Bernhard met inlichtingendiensten nader onderzoeken, maar Rutte hield de boot met succes af. De vragen naar ‘functie Omtzigt’, die hij pertinent niet wilde beantwoorden, kreeg hij wel voor zijn kiezen. Met als gevolg dat hij als leugenaar door de mand viel.

Geen last van vliegschaamte

Máxima en Willem-Alexander kun je van veel betichten, maar niet dat ze gebukt gaan onder vliegschaamte. Premier Rutte trouwens ook niet. Ze maken allemaal veelvuldig gebruik van het regeringsvliegtuig PH-GOV. Toen we met kerst dachten dat de koning zijn toespraak life stond af te lezen van de autocue was hij met zijn gezin al lang met vakantie. Om ‘veiligheidsredenen’ – de eeuwige dooddoener – mocht niemand weten waar hij uithing.

De koning kan aan onkosten declareren wat hem goeddunkt. Geen minister die hem lastig zal vallen. Ze vinden wél dat W-A het soms te bont maakt en verzinnen dan trucs om de kosten te verdoezelen. Zo ook met de PH-GOV, een Boeing 737, die voor veel te veel geld is verbouwd om de Koninklijke Hoogheden een plezier te doen. Ministers mogen het toestel ook gebruiken maar de koning gaat altijd voor. Beatrix was daar zeer bedreven in. Zo gauw ze een van haar vele vluchten tot ‘landsbelang’ verklaarde – en Beatrix deed niet anders – mocht ze de lucht in.

Vanwege de buitensporige vliegkosten vindt de regering het vervelend dat wij weten hoe vaak de Oranjes de PH-GOV gebruiken. Tegenwoordig zijn er tracker apps waarmee je alle vliegtuigen wereldwijd kunt volgen. Allemaal? Nou ja, op een na: de PH-GOV is sinds september onzichtbaar. Met de apps kunnen we sindsdien niet langer zien waar het staatshoofd zich bevindt. Via de KLM, dat de PH-GOV onderhoudt, was dat snel geregeld. ‘In the interest of our client, we seek solutions to have the exact location of that aircraft not made public.’

Dankzij tracker apps konden we afgelopen zomer nog zien dat de koning tijdens zijn vakantie maar liefst elf maal de PH-GOV pakte om een uitstapje te maken. Dat is nu verleden tijd. Het is niet langer na te gaan hoe vaak de Familie naar bijvoorbeeld hun vakantiehuis in Griekenland vliegt. Uiteraard zijn die vakanties ook een zaak van landsbelang: de koning rust uit en dat komt heel Nederland ten goede. Alleen al dat gratis vliegen is ontspannend.

Zowel Willem-Alexander als Mark Rutte waren vorig jaar uitgenodigd voor de Bilderbergconferentie in Zwitserland. De PH-GOV was wegens onderhoud niet beschikbaar en dus huurde de Dienst Koninklijk Huis een privéjet. Dat mag. Naar een nadere specificatie wordt nooit gevraagd.

Rutte en een medewerker mochten meevliegen, maar moesten daarvoor wel 13.695 euro overmaken op de rekening van het koninklijk huis. Een lijnvlucht was geen optie vanwege – u weet wel – veiligheidsredenen. De koning bracht dat bedrag in rekening omdat hij ongeveer 400.000 euro per jaar aan privéjets en helicopters mag uitgeven. Door Rutte te laten betalen zat hij iets minder snel aan zijn limiet.

Zowel Rutte als de koning gingen hier de fout in. Bilderbergbezoekers worden op persoonlijke titel uitgenodigd. Rutte komt als Rutte; niet als minister-president. En Willem-Alexander komt als Van Oranje; niet als koning van Nederland. Ze reisden niet in het landsbelang en dus had Rutte (en zijn medewerker) de reis zelf moeten betalen. Bovendien betaalde de premier 1772,78 euro voor drie hotelovernachtingen, Ook die kosten had hij zelf moeten ophoesten omdat ze privé zijn.

Gelukkig zijn er nog politici in Den Haag die wél weten hoe het hoort. Kathalijne Buitenweg, Tweede Kamerlid voor GroenLinks, was ook uitgenodigd in Montreux. Vloog zij mee in de door Willem-Alexander op staatskosten gehuurde privéjet? Nee, want Buitenweg kent de regels: ‘Ik ben per trein gegaan (vier keer overstappen) en heb de kosten zelf betaald.’
Zo hoort het. Rutte behoort het geld terug te storten. Zijn fractievoorzitter Klaas Dijkhoff weet vast wel hoe dat moet. En W-A? Die gaat altijd vrijuit. Hij kan zich zelfs de moeite van een smoes verzinnen besparen.

Het totaalbedrag voor de vlieguren van het Koninklijk Huis is voor 2020 geraamd op 810.000 euro. Dat is aan de lage kant. Zo nodig springt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bij met extra geld uit de algemene middelen.

Dit artikel verscheen in iets andere vorm eerder in De Republikein nr. 1 maart 2020

Kunst, doorgestoken kaart en prins Bernhard

In het Norton Simon Museum in Pasadena, Californië, hangt een tweeluik: ‘Adam en Eva’ van Lucas Cranach de Oude.
De huidige waarde wordt geschat op 25 miljoen dollar. Hermann Göring ‘kocht’ de de stukken in 1940, ze kwamen daarna in het bezit van de Nederlandse staat. Waarom hangen ze nu dan in de VS? Dankzij prins Bernhard.

De roof van kunst in de Tweede Wereldoorlog is nog steeds actueel. De belangrijkste stukken van de internationaal vermaarde Amsterdamse kunsthandel Jacques Goudstikker vielen in handen van Rijksmaarschalk Hermann Göring. Goudstikker vluchtte in mei 1940 met vrouw en kind naar Engeland. Tijdens de overtocht brak hij zijn nek door een val in het scheepsruim. Na de oorlog deed zijn echtgenote Desi jarenlang vergeefse pogingen haar rechtmatige bezit terug te krijgen.

Als historicus, gespecialiseerd in roof en restitutie, heb ik de afwikkeling van de zaak Goudstikker altijd een schande gevonden. De Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), verantwoordelijk voor de teruggave aan de eigenaars van de uit Duitsland gerecupereerde kunst, fungeerde soms als een acquisitiebureau met als doel ons nationaal kunstbezit gratis te verrijken. Zo kon het gebeuren dat stukken niet bij hun eigenaar terugkeerden, maar staatsbezit werden. Van dat SNK-beleid was ook Desi Goudstikker-von Halban Kurz slachtoffer.

Geschoold als operazangeres in Wenen had ze weinig verstand van de kunsthandel.
Van die onwetendheid heeft het SNK gebruik gemaakt om de collectie voor de staat in te palmen. Na jarenlange strijd gaf ze het gevecht op, waarmee de Nederlandse staat meer dan tweehonderd schilderijen (waaronder Rembrandts) in handen kreeg. Toen medio jaren negentig de roof en teruggave van joods bezit weer volop in de belangstelling stonden, gloorde nieuwe hoop. De erven Goudstikker in Greenwich, Connecticut (VS), spanden een rechtszaak aan, maar de rechter verklaarde zich niet bevoegd tot oordelen. Pas in 2006 erkende de staat bij monde van staatsecretaris Medy van der Laan, dat de familie fout was behandeld. Desi’s schoondochter Marei von Saher kreeg het geroofde familiebezit terug.

Althans een deel. Van de ruim 1100 geroofde schilderijen en sculpturen keerden er 202 terug in familiebezit. De rest is verloren gegaan door brand, diefstal en oorlogsgeweld. Er zijn ook stukken op een onfrisse manier verkocht. In het Norton Simon Museum in Pasadena (Californië) hangt een tweeluik, ‘Adam en Eva’ van Lucas Cranach, de Oude. Het stuk is omstreeks 1530 geschilderd. De huidige waarde wordt geschat op 25 miljoen dollar. Göring ‘kocht’ de stukken in 1940, de SNK bracht ze in het bezit van de staat en het is aan prins Bernhard te danken dat ze nu in Pasadena hangen. In 2007 eiste mevrouw Von Saher de Cranachs op als haar eigendom en begon een proces. Hoe was Cranach in Pasadena beland?

George Stroganoff-Scherbatoff, telg uit een oud Russisch geslacht, begon in mei 1961 een procedure tegen de Nederlandse staat om de Cranachs, dat familiebezit zou zijn, terug te krijgen. Na de Sovjetrevolutie had de familie zijn heil in het buitenland gezocht. Toen Stroganoff zijn claim indiende, was hij Amerikaans staatsburger.
De herkomst van het tweeluik is niet helemaal duidelijk. Volgens Stroganoff was het afkomstig  uit het familiepaleis te Sint-Petersburg. De Sovjetregering had de collectie geconfisqueerd  en in 1931 bij het Berlijnse veilinghuis Thomas Lepke te koop aangeboden. Dat er mogelijk een luchtje aan zat, bleek uit de opmerking van de veilingmeester dat Lepke niet aansprakelijk was voor eventuele claims in de toekomst. Het koperspubliek zat er niet mee. Goudstikker ook niet. Hij betaalde voor ‘Adam en Eva’ 47.000 mark. De mogelijkheid dat het tweeluik niet tot de Stroganoff-collectie behoorde, maar door de Sovjets in een kerk te Kiev was geconfisqueerd, is niet uitgesloten.

Wat wel vaststaat is dat Stroganoff tot actie overging toen hij hoorde dat het kunstwerk in Den Haag lag opgeslagen. Aanvankelijk zonder succes. De Nederlandse autoriteiten toonden zich niet gevoelig voor zijn larmoyante verhaal dat het tweeluik ooit familiebezit was geweest en dat zijn verdere leven zinloos zou zijn zolang ‘Adam en Eva’ niet bij hem thuis aan de muur hingen. Het ging hem niet om het geld, beweerde hij, maar om de ‘affectiewaarde’.
Stroganoff koos echter pas voor die sentimentele benadering toen zijn juridisch gegronde claim – hij zou volgens Russisch recht de enige wettige erfgenaam zijn – kansloos bleek. Nederland peinsde er geen moment over zijn claim in te willigen en ook zijn aanspraken op een werk van Petrus Christus (‘Madonna met kind’) en een Rembrandt (‘Titus met monnikskap’) liepen op niets uit. De verkoop van stukken uit nationaal kunstbezit is alleen toegestaan als het landsbelang dat eist, maar daarvan was in het geval Stroganoff geen sprake.

De staat deelde haar afwijzing in een ultrakort briefje mede. De bedoeling daarvan was Stroganoffs advocaat geen enkel handvat te bieden voor verdere acties. Mr. Van der Feltz trapte daar vanzelfsprekend niet in en vroeg naar de gronden voor de negatieve beslissing.
Stroganoff realiseerde zich dat de kans om de Cranach in handen te krijgen nihil was en besloot  een andere weg te bewandelen. Plotseling duikt prins Bernhard dan op in de stukken. Hij pleit ervoor Stroganoff zijn zin te geven.

Na de interventie van Z.K.H. komt de zaak snel in beweging. Het ministerie van O.K.&W vraagt het Rijksmuseum een schatting te maken van de waarde van de Cranach, de Rembrandt en de Petrus Christus. Directeur Van Schendel volgde de ontwikkelingen met argwaan en laat dat blijken in een brief. Hij noemde de nieuwe opstelling een ‘onrustbarend novum’ voor de kunstwereld. Als werd toegegeven aan de eis van Stroganoff zou het hek van de dam zijn, want er waren massa’s kunstobjecten uit de Sovjet-Unie in het westen terecht gekomen.
Het ministerie dreigde zich volgens Van Schendel op een hellend vlak te begeven. Het nut van het maken van een schatting zag hij niet in.

Bij O.K.&W. was onrust ontstaan na het bericht dat Bernhard zich in de kwestie had gemengd. Het besef drong door dat men de kwestie misschien niet langer in de hand had toen Stroganoff ‘nog langs andere dan wettelijke wegen probeert iets gedaan te krijgen’. Het ministerie sloot niet langer ‘bij voorbaat uit dat het Rijk zou willen overwegen een regeling te treffen die enigszins recht doet aan de affectiewaarde die de heer Stroganoff zegt aan de schilderijen te hechten.’

Een slecht voorteken was ook dat er toch een schatting werd gemaakt: de Rembrandt was ruwweg acht miljoen gulden waard, de ‘Adam’ van Cranach tienduizend en de ‘Eva’ twintigduizend gulden. De Petrus Christus bleek een vervalsing.

De omslag in de procedure kwam dus pas toen Stroganoff de kansloze, legale weg verliet en Bernhard inschakelde. Hij deed dat samen met de Amerikaanse jurist en kunstkenner Winston Guest, die al jarenlang bevriend was met de prins. Guest, afkomstig uit een vooraanstaande familie, wist dat Bernhard in regeringskringen grote invloed genoot. Als hij Bernhard mee kon krijgen, zou de kans op succes aanzienlijk zijn. Guest stuurde de prins een memorandum waarin hij de aspecten van de Stroganoff-claim toelichtte. Daarmee toog Bernhard persoonlijk naar de minister van O.K.&W.

Het memo was duidelijk bedoeld om sympathie voor de arme, van zijn erfstukken beroofde, Stroganoff te wekken. Guest prentte ook nog eens in dat Stroganoff niet zomaar een Amerikaan was. Integendeel. Hij had gediend in de staf van Roosevelt, een president die in Nederland vanwege de oorlog enorm aanzien genoot. Hoe was het dan mogelijk, vroeg Bernhard zich namens Guest af, dat het Cranach-tweeluik van Stroganoff ergens in een Haagse kelder stof lagen te vangen? Het zou Nederland sieren Stroganoff zijn rechtmatige bezit terug te geven.

Om de kans om succes te vergroten paste Stroganoff zijn eisen aan. Hij was bereid een bescheiden som voor de schilderijen te betalen. De eis op de Rembrandt liet hij vallen. Die was toch volstrekt kansloos, al was het alleen maar vanwege de waarde van het doek. De nieuwe opstelling was bedoeld als sympathiek gebaar. Stroganoff wilde duidelijk maken dat hij niet het onderste uit de kan wenste.

De interventies van Bernhard begonnen eind februari 1966. Vier maanden later, op 8 juli 1966, was de zaak geregeld. Stroganoff kreeg het tweeluik van Cranach (en de Madonna) voor de spotprijs van 60.000 gulden in handen. Alleen al de ‘Adam’ en ‘Eva’ waren toen 750.000 dollar waard (de dollar was toen fl. 3.50).

In 1973 bleek dat Stroganoff de zaak had bedonderd. Dat kwam uit toen Guest een rechtszaak tegen hem aanspande omdat Stroganoff zijn afspraken niet na was gekomen. Uit de aanklacht blijkt dat de claim het gezamenlijke werk van beide heren was geweest. De afspraak was dat Guest een deel van de opbrengst zou krijgen als de claim werd toegewezen. Het ging dus gewoon om geld. Niks geen affectie of andere, tranentrekkende, emotionele argumenten. Het was allemaal doorgestoken kaart.

Het duo had onderling afgesproken zich te bedienen van een ‘prominent and influential figure in the Netherlands’. In de dagvaarding staat Bernhard omschreven als ‘X’, die had beloofd hen in ‘every possible way’ te zullen helpen. Het bleek een gouden greep. De toewijzing van het tweeluik in juli 1966 was geheel aan Bernhard te danken.

De ‘affectie’ van Stroganoff ging niet diep: in 1970 verkocht hij het tweeluik voor 800.000 dollar aan het Norton Simon Museum. Het is sinds kort zeker dat ze daar definitief blijven hangen. Op 20 mei jl. heeft het Supreme Court de claim van Von Saher definitief afgewezen op grond van de overweging dat de  Amerikaanse rechter zich niet mag mengen in beslissingen van de Nederlandse staat.

Heeft Bernhard ook aan de overeenkomst verdient? Daarvoor is geen bewijs, maar het is wel aannemelijk. Bernhard deed niets voor niets. Hij liet zich zelfs onderhands betalen voor het openen van bedrijven en bruggen; een taak die tot de kerntaken van de prinselijke bezigheden behoort.

Wordt het niet de hoogste tijd dat het Prins Bernhard Cultuurfonds een andere naam krijgt, zoals John Jansen van Galen vorig jaar al in Argus bepleitte?

(Dit artikel is onder meer gebaseerd op stukken van het ministerie van Financiën, 2.08.53, inventarisnummer 321 en het ministerie van CRM, inventarisnummer 1094, beide aanwezig op het Nationaal Archief, Den Haag).

Dit stuk verscheen eerder in Argus, 9 juli, 2019.