zondag 9 oktober 2016

Prins Bernhard was altijd uit op geld.

Het belastingschandaal rond de Oranjes dat RTL Nieuws op 10 oktober 2016 naar buiten bracht, laat een buitengewoon op geld beluste Koninklijke Familie zien. Prins Bernhard speelde daarin een centrale rol. Geen wonder: de prins was een schaamteloze geldwolfBernhard deed alles voor geld en hij kwam er altijd mee weg. 
Alle ministers die met de prins te maken kregen, hadden last van zwakke knieën en een nog zwakkere ruggengraat. 
Hieronder nogmaals het verhaal hoe de prins (ondermeer) tegen alle regels en wetten in een miljoen uit een fonds te pakken kreeg, dat was bedoeld om joods slachtoffers van de Holocaust te compenseren. De Kamer werd weloverwogen niet ingelicht. 
De ministers toonden zich zelfs bereid om het parlement voor te liegen. Als het om de monarchie gaat, lijken ze tot alles bereid. En Rutte? We zullen zien, maar mijn vertrouwen is - gezien zijn eerste reacties - klein. Behalve over een laag teflon beschikt de premier ook over een effectief slijmschild.
Onderstaand artikel verscheen eerder (zonder bronverwijzingen, nu wél bijgevoegd) in De Republikein, 2008, nr. 2. Het Nos journaal en het tv-programma Nova maakten er een item 


Van vorstelijke claims en royale toewijzingen
Financiële avonturen van prins Bernhard

In het geruchtmakende interview met Pieter Broertjes en Jan Tromp van de Volkskrant (2004) gaf Bernhard toe wat hij altijd had ontkend. De prins had inderdaad ruim een miljoen dollar smeergeld aangenomen van de Amerikaanse vliegtuigfabrikant Lockheed. Maar ach, dat geld was bedoeld voor het Wereldnatuurfonds. Wie kon daar nou bezwaar tegen hebben?[1] Corruptie blijft natuurlijk gewoon corruptie, óók als smeergeld in een Robin Hood-achtige sfeer van goede doelen wordt getrokken. De prins heeft in zijn lange leven wel meer bijgescharreld. Zou hij dat allemaal hebben weggegeven? Het eerste geval dat hier aan de orde komt duidt vooral op geldzucht en misbruik maken van zijn positie. De overige twee trouwens al evenzeer, al lijkt het uitbuiten van zijn positie met het verstrijken der jaren alleen maar toe te nemen.
De ongegeneerdheid waarmee de prins der Nederlanden zich geld toe-eigende zou menig ministerieel voorhoofd hebben moeten doen fronsen, maar in plaats van Bernhards gedrag een halt toe te roepen, hielden de ministers hun mond en lieten zich – tegen beter weten in – corrumperen.

Vermogen 
Op 7 januari 1937 trad Bernhard zur Lippe-Biesterfeld in het huwelijk met prinses Juliana. Bij Koninklijk Besluit kreeg hij de titel Prins der Nederlanden. Het goed Duitse `zur’ ruilde hij in; voortaan was hij van Lippe-Biesterfeld.[2] Het huwelijk met de toekomstige koningin kostte hem zijn Duitse nationaliteit maar die naturalisatie zou hij al snel in zijn voordeel proberen uit te buiten. Het huwelijk was voor de dan 26-jarige Duitser uit een verarmd adellijk geslacht dé oplossing voor zijn financiële situatie. Hij beweerde tegenover het Volkskrantduo dan wel altijd voldoende geld te hebben gehad, de waarheid was aanmerkelijk genuanceerder.

`We waren thuis niet arm. Van dat verhaal klopt niets. (…). Ik heb geld
van mijn ouders gekregen. Dat is de basis geweest voor mijn vermogen.
Ik heb al voor de oorlog mijn geld belegd in Amerikaanse aandelen.
Die zijn natuurlijk niet minder waard geworden.’[3]

Wilhelmina-biograaf C. Fasseur schreef terecht: `Veel geld had hij niet.’ Sefton Delmer, een Britse journalist, die hem al in het Berlijn van de jaren dertig goed had leren kennen, deelt die conclusie: hij spreekt van een `verarmde prins’.[4] Maar het gaat te ver om te zeggen dat hij armlastig was. Bernhard beschikte in zijn oude vaderland over een banksaldo maar daar kon hij vanwege de strenge Duitse deviezenbepalingen niet bij. Aan die circa 240.000 Reichsmarken (een gulden - €0,45 - kostte toen ongeveer 0,75 RM) had hij weinig omdat het op een geblokkeerde rekening (Sperrkonto) stond: het geld kon, tenzij met speciale toestemming, alleen in Duitsland worden besteed. In 1938 slaagde hij er uiteindelijk in om twee ton van dat bedrag te gebruiken voor de aankoop van bospercelen rondom Reckenwalde, het landgoed in Oost-Duitsland (tegenwoordig Pools grondgebied), waar hij was geboren en waar zijn moeder nog steeds woonde.
De Amsterdamse hoogleraar E.J.H. Schrage heeft het geval gebruikt om aan te tonen dat Bernhard en zijn moeder wel degelijk over serieus te nemen vermogen beschikten.[5] Maar met die vermeende rijkdom van Bernhard loopt het nogal los, zeker als we bedenken dat dit bedrag ruwweg overeen komt met een jaarinkomen van 200.000 gulden dat minister-president Colijn hem had toegewezen. Juliana kreeg een zelfde bedrag uit de staatsruif. Dat was bij de Grondwetswijziging van 1938 zo geregeld. Het verhaal dat Bernhard aan de Volkskrant opdiste dat hij zelf een inkomen als voorwaarde voor zijn huwelijk had gesteld, klopt dan ook niet.[6]
Die regeling had Bernhard eigenlijk te danken aan zijn in 1934 overleden schoonvader. Prins Hendrik was voor de financiering van zijn zwierige levenswandel bijna geheel afhankelijk geweest van zijn vrouw, koningin Wilhelmina, die er niet om bekend stond scheutig om te springen met haar geld. De regering van haar kant had nagelaten voor de prins-gemaal een adequate overeenkomst te treffen. Door schade en schande wijs geworden, beide in de meest letterlijke betekenis van het woord, had de regering besloten daar in de toekomst wat aan te doen. Het achterliggende idee was dat een eigen jaarinkomen prins Hendrik minder afhankelijk zou hebben gemaakt van fout gezelschap en financiële manipulaties. En bovendien mocht die Biesterfelder, zo heeft Colijn eens gezegd, best een paar centen kosten als hij naar Nederland wilde komen om het voortbestaan van de Oranjedynastie te waarborgen.[7] Van die taak heeft hij zich, zo kunnen we achteraf zonder enig voorbehoud constateren, met overgave gekweten. Hij deed zelfs meer dan van hem werd verwacht. Wel bleken het, voor zover wij weten, alleen dochters te zijn.    

Amerikaanse aandelen
Bernhard heeft zijn spaargeld gestoken in bosgrond rond Reckenwalde. Het landgoed werd na de oorlog door Polen geannexeerd. Hij belegde het dus niet in Amerikaanse aandelen, zoals hij beweerde, en dat zou vanwege de Duitse deviezenbepalingen ook nauwelijks mogelijk zijn geweest. Uit stukken in het Britse Nationaal Archief blijkt dat duidelijk: zijn aandelen waren overwegend Duits en beliepen in Rijksmarken (die na de oorlog vrijwel niets meer waard waren en vóór de oorlog dus praktisch onbruikbaar) bij lange na niet de helft van zijn Nederlandse jaartoelage.[8] Zijn vader, prins Bernhard Leopold zur Lippe, had wél in Amerikaanse stukken belegd (Lehigh & Wilkes Barre Coal Company, Pennsylvania), maar die waren in de Eerste Wereldoorlog door het Amerikaanse beheersinstituut voor vreemd vermogen, de Alien Property Custodian, geconfisqueerd. Het ging om een voor die tijd aanzienlijk bedrag van omstreeks $ 70.000. Onder de Settlement of War Claims Act van 1928 had Bernhard senior 80 procent van het geconfisqueerde bedrag (inclusief rente) teruggekregen. De rest, zo’n $ 16.000 (inclusief rente), werd door Washington geparkeerd op een speciale rekening (German Special Deposit Account).[9] De kans dat dit restant, met uitzondering van een bedragje van $ 3,39 ooit zou worden vrijgegeven, was vrijwel nihil. Voor een dollar werd in 1937 ongeveer fl. 1,80 betaald en een gulden (€ 0,45) was toen naar ruwe schatting ongeveer vijftien keer meer waard dan hij nu zou zijn geweest, maar dat terzijde.

Nederlander
 Dat Bernhard dat geld graag terug wilde hebben is voorstelbaar, maar of hij ook inderdaad daadwerkelijk stappen had moeten zetten om zijn wens te verwezenlijken is een geheel andere zaak. De pasgetrouwde Bernhard dacht daar duidelijk anders over. Door zijn huwelijk had hij zijn Duitse nationaliteit moeten inruilen voor het Nederlandse staatsburgerschap en dat opende nieuwe perspectieven. Meende hij. En dus zette de prins het ministerie van Buitenlandse Zaken aan het werk dat op zijn beurt het gezantschap in Washington opdracht gaf zich van een bijzondere taak te kwijten: probeer die resterende 16.000 dollar van Bernhard los te peuteren.
De prins moet nog geen half jaar na zijn huwelijk tot actie zijn overgegaan. Behalve de Nederlandse overheid had hij ook het kantoor van Cohu Brothers, effectenmakelaars op Wall Street, New York, aan het werk gezet. Uit de stukken wordt niet duidelijk of hij eerst het New Yorkse effectenkantoor dan wel Buitenlandse Zaken heeft ingeschakeld. Mogelijke beide tegelijk. Vast staat wel dat Cohu Brothers het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken (State Department) op 17 juni 1937 per brief benaderde met het verzoek om na te gaan wat het voor de prins kon doen.
Bernhard was door zijn huwelijk immers Nederlander geworden en de prins wilde weten of hij op grond daarvan de resterende twintig procent geconfisqueerd vermogen kon terug krijgen. Cohu Brothers schakelde op zijn beurt een advocaat in met rechtstreekse toegang tot Sumner Welles, de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken. Die liet weten dat hij het geval had doorgestuurd naar het ministerie van Justitie waaronder het ressorteerde.
Het antwoord, al binnen een week, liet aan duidelijkheid niets te wensen over: er was binnen de wet absoluut geen mogelijkheid om de nieuwbakken prins der Nederlanden aan zijn financiële gerief te helpen. De naturalisatie had zijn positie in de zin der wet op geen enkele wijze in zijn voordeel beïnvloed. Drie weken later kwam Buitenlandse Zaken in actie. Uit de brief van de secretaris-generaal aan het Nederlandse gezantschap in Washington blijkt dat hij van de gang van zaken op de hoogte is, dus ook dat het Amerikaanse ministerie van Justitie afwijzend heeft beschikt op Bernhards verzoek. Dat belette hem echter niet om tegen beter weten in te schrijven:

` Nu Prins Bernhard de Nederlandsche nationaliteit heeft verworven zal er wel geen bezwaar tegen bestaan de fondsen af te staan, met welke aangelegenheid de Heer Cohu doende is.’

Of de gezant zo vriendelijk wilde zijn de zaak onder de aandacht van Justitie te brengen door die `officieel’ te laten weten `dat Prins Bernhard Leopold zur Lippe thans is Prins Bernhard der Nederlanden.’[10] Het gezantschap deed wat een gezantschap behoort te doen, namelijk de boodschap overbrengen[11], al was het in dit geval een boodschap met een voorspelbaar negatief antwoord die bovendien niet aan het State Department maar aan het ministerie van Justitie behoorde te worden gericht.
Het lijkt erop dat Den Haag een diplomatiek oplossing hoopte te vinden, maar het is evenmin uitgesloten dat het ministerie slechts ten dele door Bernhard werd ingelicht en alleen had meegedeeld dat Cohu Brothers zijn belangen behartigde. In ieder geval wees de gezant er in zijn brief aan het State Department op dat hij handelde volgens instructies van Harer Majesteits Regering. Die zou het ten zeerste op prijs zou stellen als de stukken werden vrijgegeven en geretourneerd aan His Royal Highness. Daarmee was de zaak een officieel verzoek van de Nederlandse aan de Amerikaanse regering geworden.

Een energiek verzoek
Ook Cohu Brothers werd nog eens gemaand de noodzakelijke stappen te nemen om het geld los te krijgen. Het antwoord uit New York was dat het kantoor niets kon doen. Maar natuurlijk was het niet uitgesloten dat het State Department voor dit geval een uitzondering wilde maken.[12] Dat was een suggestie tegen beter weten in want de zaak viel niet onder State maar Justitie.
Vervolgens wierp Bernhard zich middels zijn particulier secretaris in de strijd. Hij liet weten te hebben vernomen van een nieuwe regeling die het mogelijk zou maken om `bij uitzondering’  de resterende 20 procent op te eisen. De gezant werd gemaand zich met een `energiek verzoek’ om restitutie tot het ministerie van Justitie te richten: `Wellicht is het tot de Amerikaanse autoriteiten niet doorgedrongen dat Prins Bernhard Leopold zur Lippe-Biesterfeld thans Nederlander is en gemaal van H.K.H. Prinses Juliana der Nederlanden.’[13]
Op 29 oktober 1937 vatte de gezant de zaak nog eens samen in een brief aan de minister van Buitenlandse Zaken. Argumenten waren er eigenlijk niet, want vrijgave zou immers in strijd zijn met de wet. Een nationaliteitsverandering veranderde daar niets aan. Cohu Brothers had zonder omwegen gezegd geen enkele `constructive suggestion’ te kunnen aandragen. Maar de gezant toonde zich een inventief man door persoonlijk twee mogelijke oplossingen aan te dragen. Uit de eerste kan zijn eerbied voor de monarchie worden afgelezen; uit de tweede trouwens ook, al ging die – zeker gezien het bedrag dat er in het spel was en de oplossing die hij voorstelde – mijns inziens heel erg ver. Justitie zou er volgens de gezant door het State Department op gewezen kunnen worden dat

`de wetgever zeer zeker niet bedoeld heeft fondsen van een lid van het Koninklijk Huis eener bevriende natie, die gedurende den wereldoorlog hare onzijdigheid heeft bewaard, vast te houden, hetgeen immers, zoo dan al niet in strijd met vastgelegde regelen van Internationaal Recht, toch onvereenigbaar is met de conceptie van Internationale Hoffelijkheid, gelijk die vermoedelijk ook door Amerika opgevat en toegepast wordt.’[14]

En in tegenstelling tot Cohu Brothers had de gezant wel degelijk een constructieve suggestie: wat was er op tegen om het State Department te bewegen ‘het Congres der Verenigde Staten een wetsvoorstel voor te leggen’ om voor Bernhard een uitzondering te maken? Het antwoord gaf hij zelf: het geval zou dan wellicht in de openbaarheid komen en dat leek de gezant minder wenselijk. Een tweede bezwaar was dat het State Departement het herhaalde gezeur om die $ 16.000 wel eens zat zou kunnen worden, of zoals de gezant het in meer diplomatieke taal formuleerde, `wrevel’ zou wekken. De gezant leek zelf nog het meeste te voelen voor de `parlementaire procedure’ (dus een wetsaanpassing via het Congres), maar hij wilde eerst rustig de reactie van de prins afwachten.[15] De reactie van Bernhard is helaas niet bekend, maar de gezant komt wel andermaal terug op zijn idee om Bernhard via een wetswijziging zijn geconfisqueerde dollars te bezorgen. Een ontwerp daartoe zou door een Afgevaardigde of Senator bij het Congres moeten worden ingediend. Bezwaar is wel – hij wees er al eerder op – dat de pers er dan lucht van kon krijgen en bij

`de hier gebruikelijke perspraktijken zou het ongetwijfeld te verwachten zijn, dat berichten erover op sensationeele wijze worden opgediend en kritiek zouden inhouden over het feit, dat een uitzondering wordt gemaakt voor een bepaalden vreemdeling, die thans tot de Koninklijke Familie van Nederland behoort, terwijl anderen, zelfs vroegere Duitschers, die thans het Amerikaanse staats burgerschap hebben verkregen, in hoe kommervolle omstandigheden zij zich ook mogen bevinden, niet de beschikking over de hun toekomende gelden (…) kunnen verkrijgen.’[16]

Het was een feilloze analyse van de kern van het probleem. De wet is er nooit gekomen. Bernhard heeft via Den Haag nog wel geprobeerd om rente te trekken van het geconfisqueerde bedrag, zoals dat volgens hem tot 1933 of 1934 mogelijk zou zijn geweest[17], maar uit de stukken valt niet op te maken of hem dat gelukt is. Vermoedelijk niet en gezien het bedrag dat er mee zou zijn gemoeid, het ook nauwelijks de moeite waard geweest, al dacht de prins daar kennelijk anders over. Na de oorlog, in 1964 zou Bernhard, zoals we nog zullen zien, zijn vordering opnieuw aan de orde stellen. Voorlopig moest hij het stellen met twee ton per jaar aan harde Nederlandse guldens. En gratis huisvesting op Soestdijk.

Een positie
Kort na deze mislukte poging brak de oorlog uit en de koninklijke familie nam de wijk naar Engeland. Juliana bracht het grootste deel van de oorlog in Canada door. Bernhard bouwde vanuit Londen een keiharde verzetsreputatie op. Volgens een bekende uitspraak van de Britse koning George VI zou Bernhard de enige zijn geweest die van de oorlog had genoten. Maar Bernhard gaf aan die uitspraak een eigen interpretatie: `Hij bedoelde ermee te zeggen dat ik tijdens de oorlog een positie heb kunnen opbouwen.’ Maar de prins beweerde sober te hebben geleefd en hij had bij aankomst in Londen, mei 1940,  tegen Juliana gezegd: `zolang we weg zijn rook ik niet, dans ik niet, drink ik geen whisky.’ Naar eigen zeggen had hij zich tijdens de oorlog aan die belofte gehouden.[18] Dat verhaal strookt niet met de foto’s die we van hem uit die tijd kennen, en is ook  tegenspraak met zijn eigen verhaal dat hij met een stevig glas cognac in de hand bijna het slachtoffer werd van een luchtaanval.[19] Maar sober of niet, hij heeft nooit opgebiecht dat de oorlog hem op het idee bracht opnieuw financiële claims in te dienen. Financieel, zo kan worden geconstateerd, heeft Bernhard wel degelijk van de oorlog genoten, zoals we hierna zullen zien.

De Piet Hein
Juliana en Bernhard kregen het motorjacht de Piet Hein in 1937 cadeau als nationaal huwelijksgeschenk. Het schenken van schepen door het Nederlandse volk aan de Oranjes lijkt een traditie te worden. Beatrix kreeg op haar 18e verjaardag het zeiljacht De Groene Draeck aangeboden. Er zijn meer overeenkomsten: beide schepen werden onderhouden op de Rijkswerf in Den Helder en het ministerie van Defensie draaide jarenlang op voor de onderhoudskosten, maar de juiste data zijn niet bekend.
In de zomer van 2007 plaatste de Tweede Kamer vraagtekens bij de jarenlange onderhoudsfinanciering van de Groene Draeck, waaraan de laatste twee jaar maar liefst vier ton was uitgegeven. Over de kosten van de Piet Hein, die in 1981 in bruikleen werd gegeven aan een speciaal daartoe opgerichte stichting, werden geen nadere gegevens bekend gemaakt. Tijdens de oorlog werd het 31 meter langer jacht naar Duitsland overgebracht en gebruikt als commandoschip voor de Luftwaffe.
In 1945 lag de Piet Hein in Hamburg. Het was beschadigd en moest worden gerestaureerd.[20] Juist die restauratie en de vermelding dat Defensie ook jarenlang financieel voor de Piet Hein opdraaide zou aanleiding hebben kunnen zijn voor een aanvullende Kamervraag: wie betaalde die restauratie? Defensie of Bernhard en Juliana, de beide eigenaren? Of deelden ze misschien in de kosten? Zeker is wel dat het echtpaar een aanzienlijk bedrag voor reparatiekosten heeft getoucheerd uit fondsen die daarvoor absoluut niet waren bedoeld.

Het eerste spoor van de claim is terug te vinden in een brief gedateerd 9 januari 1946 van de hand van Cees Dedel, de `Thesaurier van Hunne Koninklijke Hoogheden Prinses Juliana en Prins Bernhard der Nederlanden’. Uit zijn brief blijkt dat er in de zomer van 1945 al correspondentie over de kwestie is geweest, maar die briefwisseling is in het dossier niet bijgevoegd. Dedel schrijft van de desbetreffende instanties te hebben vernomen dat de `restauratie-kosten van een luxe- vaartuig niet voor vergoeding wegens oorlogs- of bezettingskosten in aanmerking komen’.[21]
Nederland kende in die tijd een buitengewoon ingewikkeld stelsel van schadevergoedingen als gevolg van oorlogshandelingen, waarmee ik de lezer hier niet lastig zal vallen.[22] Na nul op rekest te hebben gekregen was het duidelijk dat er een andere weg bewandeld moest worden. Waarom niet een beroep gedaan op het Bureau Oorlogsbuit van het ministerie van Financiën? Tijdens een onderhoud van Dedel met de chef van dat Bureau was gebleken dat de aanvankelijk geraamde kosten zeker het dubbele zouden bedragen van de in eerste instantie geschatte 50.000 gulden. Die had het prinselijk paar overigens al in hun zak dankzij speciaal verleende dispensatie van de Rekenkamer (de taak van het Bureau Oorlogsbuit was namelijk restitutie; niet het geven van schadevergoeding). Afgesproken werd om eerst een volledige en definitieve opgave van de kosten af te wachten, want om `wederom’ (dus niet vaker dan strikt nodig) bij de Rekenkamer voor ontheffing aan te kloppen, zo kan men lezen in een brief van de secretaris-generaal van Financiën, zou `zeer bezwaarlijk’ zijn. De voorzitter van de Rekenkamer had immers al moeite gehad om akkoord te gaan met de inmiddels gegeven fl. 50.000.  Daar kwam nog wat bij dat het

`absoluut niet noodig was om ten deze alle kosten ten laste van het Rijk te brengen, aangezien de financieele positie van Z.K.H. een redelijke bijdrage zeer goed toelaat.’[23]      

De secretaris-generaal had er geen bezwaar tegen dat Dedel van zijn bezwaren in deze delicate kwestie kennis nam en hem bovendien

`uitdrukkelijk mede te deelen dat iedere gedachte om deze kosten te verhalen op de reparatie-rekening Duitschland op zuivere fantasie berust en dat het volkomen doelloos is verder hierover te praten. Ik heb dit reeds tweemaal gezegd, maar men schijnt het niet te gelooven.’[24]

Inderdaad kreeg de thesaurier van het prinselijke paar al een dag later bericht dat het volkomen uitgesloten was om de kosten op de reparatierekening Duitsland te verhalen.[25]
Maar de ferme taal van de secretaris-generaal ten spijt kon al begin mei 1947 op Soestdijk de champagne worden opengetrokken. De machtiging om over te gaan tot uitbetaling `van een bedrag van fl. 52.888,11 zoals gedeclareerd door Cees Dedel’ was afgegeven. Het ministerie hoopte dat daarmee de aangelegenheid tot `tevredenheid van Zijne Koninklijke Hoogheid is afgehandeld.’[26] Dat zal ongetwijfeld het geval zijn geweest want tot twee maal toe (fl. 50.000 en fl. 52.888,11) had ZKH een schadevergoeding geïncasseerd in een geval waarvoor volgens de regels geen enkele vergoeding mogelijk was.   

Niet eerder (en ook niet daarna) werd een restitutiezaak zo snel en zo ruimhartig ten gunste van een eiser afgehandeld. Ik heb dat Nederlandse restitutiebeleid uitvoerig gedocumenteerd in Berooid dat in 2001 verscheen. Het was berucht om zijn bureaucratie, stroperigheid, traagheid van afhandelen en het meer dan nauwkeurig volgen van de regels. En het stond al helemaal niet bekend om zijn financiële meegaandheid. Vooral de minister van Financiën, Piet Lieftinck had in dat opzicht een reputatie opgebouwd. Zijn ministerie was belast met restitutiezaken en waakte als een Cerberus over iedere cent. In het verarmde, uitgezogen naoorlogse Nederland zou er overigens nauwelijks een andere beleid mogelijk zijn geweest.[27] Maar uitzonderingen zijn er nu eenmaal altijd. Voor de prins was de afhandeling van de Piet Hein in ieder geval een mooie opsteker. Achteraf bleek het de opmaat naar een nog veel grotere klapper.

Wiedergutmachung
In 1957 kwam in de Bondsrepubliek Duitsland het Bun­desrücker­stattungsge­setz (BRÜG) tot stand. De wet was in de eerste plaats bedoeld om scha­de­ver­goeding te geven aan slachtoffers van het nazi-regime die op grond van hun ras, geloof of politieke overtui­ging waren vervolgd en hun eigendommen in beslag genomen. De wet was het sluitstuk van de zogenaamde Wiedergutmachung; een uitgebreid complex maatregelen ter vergoeding van geleden materiële schade. In Nederland hebben vooral joodse burgers, de groep die samen met de zigeuners het meeste onder het naziregime hebben geleden, een beroep op deze schadevergoedingsregeling gedaan. Ongeveer 230 van de uitgekeerde 280 miljoen DM is hen ten goede gekomen.[28] Dat ze daarbij in koninklijk gezelschap verkeerden zullen ze nooit hebben vermoed. Terecht natuurlijk, want in tegenstelling tot die zwaarstgetroffenen had Bernhard geen enkel recht op Wiedergutmachung. Toch wist hij er een miljoen DM uit te slepen door zich niet alleen op persoonlijke titel in de strijd te werpen maar ook de ministers van Buitenlandse Zaken en Financiën voor zijn kar te spannen. 

Apanage
De vordering van prins Bernhard ging terug op 1918, het jaar waarin de oude Duitse adel in crisis werd gestort. De Eerste Wereldoorlog was verloren, de keizer was naar Nederland gevlucht en van de macht van de vele Duitse vorsten was door maatregelen van de nieuwe
Weimar-republiek weinig over gebleven. Ook Leopold IV, vorst van Lippe, trof dat lot: in 1919 kwam er een einde aan de soevereine status van het kleine land Lippe.
Volgens het oude Duitse adelrecht erfde de oudste zoon zowel de titel als het familievermogen. Tegenover dat voorrecht stond apanage: de verplichting om (in ieder geval deels) in het levensonderhoud van zijn zusters, jongere broers en eventueel andere familieleden te voorzien. Ook Leopold IV was apanage verschuldigd aan Bernhard Sr. Maar hoewel de apanage door Weimar op de helling was gezet, duurde het nog tot juli 1938 voordat het feodale systeem dankzij een nieuwe wet effectief werd aangepakt. De nieuwe wet dwong de actuele rechthebbende op het familievermogen met de overige belanghebbende familieleden een afkoopregeling treffen. Bernhard en zijn broer Aschwin maakten aanspraak op de apanage die Leopold IV destijds met hun (inmiddels overleden) vader had afgesproken en waarvoor binnen het kader van de nieuwe wet dus een afkoopregeling moest worden getroffen. De definitieve regeling zou nog tot 20 juli 1944 op zich laten wachten, maar toen kreeg de prins door een speciale kamer van de rechtbank (Oberste Fideikommissgericht) 87.000 RM toegewezen. Leopold IV stortte dat bedrag bij de Deutsche Bank in Berlijn ten gunste van de prins.[29]
Het is evident dat Bernhards apanage-claim op geen enkele wijze onder de termen van de Wiedergutmachung viel. Het was zelfs eerder andersom: Bernhard kreeg midden in de Tweede Wereldoorlog een bedrag toegewezen juist dankzij het nazibewind. Vast staat anderzijds ook dat hij in principe recht had op die 87.000 RM. Daar staat echter weer tegenover dat hij in Londen op 15 april 1943 een akte had ondertekend waarin hij afstand deed `van iedere nalatenschap van zijn vader en de toekomstige nalatenschap van zijn moeder’.[30] Niemand heeft ooit nog een beroep op die akte gedaan; Bernhard zelf nog het allerminst.[31]

Claims van Bernhard
Na de Duitse capitulatie kwam de 87.000 RM onder beslag van het Britse Militaire Gezag. Bernhard moet al spoedig de indruk hebben gekregen dat hij dat geld maar beter als afgeschreven kon beschouwen.
Toen hij eind mei 1951 nog geen Pfennig had gekregen, machtigde de prins zijn advocaat H.W. Stein alles te doen wat nodig was om het bedrag vrij te maken. In hoeverre Stein succes heeft gehad blijft volgens professor Schrage, die hiernaar onderzoek heeft gedaan, onbekend.[32] Wat we wel weten is dat Bernhard een claim bij het centraal meldpunt voor vermogensbeheer in Bad Nenndorf heeft ingediend. Uit de stukken blijkt dat hij de toegekende apanage zelf ruimhartig had verhoogd naar DM 600.000; verder eiste hij een achterstallige apanage ter hoogte van DM 797.00 en een deel van het vermogen (Hausvermögen) van het vorstenhuis Lippe met als peiljaar 1918.[33] Dat was dus bijna 1,4 miljoen DM voor apanage, naar de omvang van het Hausvermögen blijft het gissen. (Het is enigszins verwarrend dat in juni 1948 door een broodnodige geldsanering de Duitse Mark werd ingevoerd ter vervanging van de Rijksmark, die van 1941 tot juni 1948 international niet inwisselbaar was geweest. De koers van de gulden was in 1941 circa 0,75 RM, de nieuwe DM was ruim 4 cent duurder: 0,79).
Bernhard diende zijn vorderingen in bij de nieuwe Duitse Bondsrepubliek (DBR), het land Nordrhein-Westfalen, het land Lippe, het Landesverband Lippe en de erven van de inmiddels overleden Leopold IV.
Het Duitse ministerie van Justitie oordeelde in 1952 dat Bernhards aanspraken iedere juridische basis ontbeerden, met eventuele uitzondering van zijn claim die te maken had met een gerechtelijke uitspraak uit 1938. Ook de deelstaat Nordrhein-Westfalen reageerde op 24 juni 1953 negatief op Bernhards eis. Justitie kwam met een schikkingsvoorstel van DM 386.649,76 zonder echter duidelijk te maken op welke gronden die schikking was gebaseerd.[34]

Grensgeschil
Eind november 1953 had Bernhard de Duitse Bondskanselier Konrad Adenhauer al `zeer uitvoerig en onverbloemd’ op zijn `zogenaamde vermogensclaims’ aangesproken. Ook de Duitse ambassadeur in Nederland was op vergelijkbare wijze door Bernhard benaderd. De prins had er schoon genoeg van: hij bleef maar advocaten betalen. De zaak moest nu maar eens worden opgelost. In het voorstel van Bernhard om de kwestie via Nordrhein-Westfalen te regelen zag de Bondskanselier niets; het leek hem beter om de zaak mee te nemen in de ‘grote pot’: het Duits-Nederlands financieel verdrag waarbij kwesties uit de nazitijd werden geregeld. Maar dat vond Bernhard weer niets; hij wilde de zaak liever privé afhandelen buiten de Duitse en Nederlandse regering om zodat het niet in de openbaarheid kwam. Een oplossing vinden was niet eenvoudig.
De DBR wilde Bernhard liever niet voor het hoofd stoten, maar om het geval netjes onder een juridische regeling te laten vallen was moeilijk of zelfs onmogelijk.
Het was al snel duidelijk dat het probleem niet binnen het kader van het Dollard-Eems geschil kon worden opgelost. Die kwestie ging over een omstreden grensgebied tussen Groningen en Duitsland. Aan de Duitse kant was er Nordrhein-Westfalen bij betrokken, de deelstaat waarin Land Lippe was opgegaan. De deelstaat eiste in ruil voor toegevendheid jegens Bernhard een tegemoetkoming van de Nederlandse regering, maar dat zat er om politieke redenen niet in. De koppeling Wiedergutmachung – grensgeschil - apanage viel gewoon niet te maken. In de zomer van 1954 was het duidelijk dat de kwestie slechts op politieke wijze kon worden opgelost, waarbij het dan wel zaak was ervoor te zorgen dat Bernhards eis niet in de publiciteit kwam. Dat wilde de prins zelf niet en de Bondsregering al evenmin.[35]

Gevolmachtigde Gelissen
Inmiddels had prins Bernhard Dr. Ir. H.C.J.H. Gelissen als zijn persoonlijk gevolmachtigde aangewezen. Gelissen was voor de oorlog minister van economische zaken geweest en hij zou zich na de oorlog in talrijke functies (zowel voor de overheid als particulier) voor de Nederlandse economische belangen inzetten. Én voor die van Bernhard. De prins probeerde er intussen meer vaart achter te zetten door de Duitse ambassadeur in Den Haag en de Nederlandse ambassade in Bonn rechtstreeks te benaderen, onder andere met het verzoek om te bewerkstelligen dat Adenhauer zijn gevolmachtigde Gelissen persoonlijk zou ontvangen om over de kwestie te praten. De Bondskanselier hield een ontmoeting echter af.
Op het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken in Bonn wekte de zaak duidelijk irritatie.  Prof. Dr. E. Kaufmann van dat ministerie zag geen kans om de kwestie ook maar in de marge van de (financiële) onderhandelingen ter sprake te brengen. Hij verzocht daarom ambassadeur Mühlenfeld in Den Haag er voor te zorgen dat minister J.W. Beyen van Buitenlandse Zaken hem daarover niet meer (`in welcher Form auch immer’) zou aanspreken. Het mocht niet baten. Eind augustus 1957 stond Beyen, behalve minister ook vriend van prins Bernhard, bij Kaufmann in Bonn op de stoep.[36]

Den Haag
De Nederlandse regering werd zo lang mogelijk buiten de kwestie gehouden maar in de loop van 1959 veranderde dat. Op het ministerie van Buitenlandse Zaken tastte men toen nog min of meer in het duister over het verloop van de zaak. En al was er weinig bekend, er bestond wel overeenstemming dat `iedere oplossing, die behandeling in een Parlement nodig zou maken’ ongewenst was. Daarom was de claim ook steeds buiten de officiële onderhandelingen gehouden. Het besef leefde dat Bernhards juridische positie niet sterk was, maar hij had wél een `raw deal’ met de Duitsers. Dat was de reden voor de  principiële bereidheid van Bonn `om samen met de algemene regeling, maar niet in het kader daarvan, een oplossing te zoeken teneinde de Prins tegemoet te komen’.[37] En dat nu bleek een hele toer.
De DBR toonde zich uiteindelijk bereid een miljoen DM te betalen, maar wilde de politieke verantwoordelijkheid daarvoor niet op zich nemen.  

De afwikkeling
Op 30 november 1959 kreeg Jelle Zijlstra, minister van Financiën, een brief van zijn Duitse collega. Die liet weten dat op boekhoudkundige gronden de 1 miljoen DM, bestemd voor Bernhard, in het totaalbedrag van 275 miljoen Wiedergutmachung zou worden opgenomen. De prins zou niet bij naam worden genoemd, maar omschreven als Sonderzweck; in latere stukken ook wel als Sonderfall, een bijzonder geval, of als `bijzondere betaling’.[38]
De reden om Bernhards naam waar mogelijk niet aan het papier toe te vertrouwen was het strikt vertrouwelijke karakter van de zaak. Bij de ontmoeting van minister Josef Luns (die Beyen inmiddels had opgevolgd) en zijn collega Heinrich von Brentano, zomer 1959, werden `de aanspraken van prins Bernhard buiten de agenda’ gehouden.
Overigens doemden tijdens die ontmoeting wel de contouren van een mogelijke oplossing op: Bonn wilde Den Haag wel een bedrag voor `omstreden gevallen’ ter beschikking stellen, maar wees iedere politieke verantwoordelijk af. Die legde de Duitse regering bij het kabinet De Quay.[39] De terughoudendheid van Duitsland sproot voort uit vrees voor kritiek van de Duitse Rekenkamer. De apanagevergoeding viel ten eerste onder geen enkele Duitse vergoedingswet en ten tweede bestond er huiver voor `een groot aantal vordering van niet-Nederlanders met soortelijke aanspraken’.[40]
Er zou tot 8 april 1960, de dag dat het `Financieel Verdrag’[41] werd ondertekend nog heel wat worden afgesteggeld over bedragen en juiste formuleringen. Zo was Duitsland op 21 januari 1960 van plan  Nederland een bedrag voor te stellen van 275 miljoen DM (het totaalbedrag) plus 1 miljoen DM voor de prinselijke  Sonderfall. Het was een post die officieel eigenlijk niet bestond, maar wel steeds weer opdook. Bonn hield dus vast aan het totaalbedrag (Pauschalsumme) van 275 miljoen DM  en wilde om politieke redenen de 1 miljoen (een gulden kostte in 1960 circa 0,90 DM) apart opvoeren, zónder de naam van Bernhard te noemen.

Een paar dagen later was de claim van Bernhard wel opgenomen in het totaalbedrag, maar in een aparte briefwisseling (`niet in samenhang met de ondertekening van het verdrag’), zo luidde de afspraak, zou daarover verantwoording worden afgelegd.[42] Zijlstra zat ermee in zijn maag, want er konden politieke moeilijkheden van komen. Hij had liever gezien dat de 1 miljoen voor Bernhard niet in het totaalbedrag was opgenomen want dan had hij het geld regelrecht, kunnen doorsluizen naar de prins. Als onderdeel van de Pauschalsumme daarentegen moest hij het als begrotingspost  politiek kunnen verantwoorden. Hij had een bewijsstuk nodig, want de Rekenkamer zou lastige vragen ging stellen.
De oplossing werd gevonden in een `vertrouwelijke notawisseling’ met de Duitse ambassade in Den Haag. Daarin zou worden vermeld dat in het totaalbedrag een miljoen DM was begrepen `ter definitieve regeling van een verder, in het financieel verdrag niet uitdrukkelijk genoemd, schadegeval’. In Duitsland zou daaraan geen enkele bekendheid worden gegeven en in Nederland kon zo een `openbare discussie’ worden voorkomen, aldus minister Luns in een brief aan prins Bernhard. Slechts enkele leden van de Staten Generaal ‘onder wie geen communisten’ zouden onder geheimhouding kennis mogen nemen van dat geheime deel van de overeenkomst, maar zelfs dat zou tenslotte achterwege blijven.[43]
En als de zaak onverhoopt toch in de pers of in de volksvertegenwoordiging mocht komen? Ook daarover was nagedacht. De zaak zou dan `kortweg ontkend’ kunnen worden. De betaling lag immers vastgelegd in een geheime notawisseling. En mocht het `binnenskamers’ uitlekken, dan was dat weliswaar vervelend voor de betrokken bewindslieden, maar er zou wel begrip voor zijn `gezien het karakter van deze zaak’.[44] Uiteindelijk werd de betaling aan Bernhard in de samenstelling van de Globalsumme als `apanage’ verantwoord met de opmerking `(N.B. opgenomen in een geheime – niet aan de Staten Generaal overlegd – notawisseling)’.[45]
Op 1 augustus 1963 (toen pas trad het verdrag in werking) kon Bernhard zijn 1 miljoen DM incasseren.[46] De akte 15 april 1943 waarbij Bernhard afstand had gedaan van `iedere nalatenschap van zijn vader en de toekomstige nalatenschap van zijn moeder’ leek door alle partijen gemakshalve te zijn vergeten.

Oost-Duitsland
In februari 1976, rapporteerde de Britse ambassadeur in Den Haag in een vertrouwelijk schrijven aan Londen over de zich ontwikkelende Lockheed-affaire en de reacties die dat teweeg bracht. Behalve Lockheed had hij nóg een interessante mededeling: Bernhard had een fors bedrag uit Oost-Duitsland ontvangen. E.W.J. Barnes schreef:

`In vertrouwen werd ons medegedeeld dat de prins ongeveer $ 300.000 aan restitutiegeld uit Oost-Duitsland heeft ontvangen voor het bezit van zijn moeder, hoewel zijn moeder geen Nederlandse is en dus ook geen recht heeft op restitutie. En hoewel andere claimanten hun claims zagen teruggeschroefd in verhouding tot een bepaald bedrag van de totaal geclaimde som, ontving de prins het gehele bedrag.’

Uit officiële bron had Barnes vernomen dat de kranten het nieuws zou brengen, maar dat was er nog niet van gekomen.[47] Helaas heb ik deze claim niet met méér stukken kunnen onderbouwen en blijft het in tegenstelling tot de andere hier gepresenteerde gevallen een one source verhaal. Ambassadeur Barnes is doorgaans een betrouwbare bron. Het vreemde is evenwel dat Oost-Duitsland niet bepaald bekend stond als een land dat scheutig was met vergoedingen – zelfs integendeel -  en het blijft dan ook een raadsel welke invloedrijke figuren de prins in de toenmalige Deutsche Demokratische Republik heeft kunnen bewegen om zich voor hem in te spannen, temeer daar hij te boek stond als een notoire anticommunist. Voor de rest past de geschiedenis naadloos in het beeld dat hier over de prins en zijn claims oprijst. Hij laat niet los, claimt gelden waarop hij geen rechten kan doen gelden, maar krijgt het desondanks tegen alle regels in toch (met uitzondering van Amerika).  

Een nieuwe poging
Mogelijk aangemoedigd door zijn succes en de meegaandheid van de betrokken bewindslieden – die mijns inziens zonder twijfel over de schreef gingen - deed Bernhard opnieuw een poging om de $ 16.000 geconfisqueerd vermogen in de VS los te krijgen. Op 3 mei 1964 schreef hij een brief naar de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Gerhard Schröder, waarin hij verwees naar dat geval. Zijn moeder had hem verteld dat alle Duitsers na de Eerste Wereldoorlog door das Reich schadeloos waren gesteld voor hun verloren gegane bezittingen in Polen en Afrika. De vraag aan Schröder was nu of hij `een kans had een schadeloosstelling voor dit bedrag, wat dat heden ten dage ook mag zijn’, bij de Bondsrepubliek aan te vragen.[48] Als verdragsterritorium vond Bernhard Polen en Afrika duidelijk aan de wat krappe kant. Het waren inmiddels vette jaren voor de prins want in 1960 had hij immers ook al een miljoen dollar smeergeld van Lockheed in zijn zak gestoken. Van Northrop toucheerde hij omstreeks diezelfde tijd zevenhonderdduizend dollar smeergeld.[49] Tegen de Volkskrant zei hij nog: `Ik had geen geld nodig. Niet voor mijzelf. Dat vond ik oninteressant.’ Maar Lockheed vermeldde bij de betalingen aan de prins `childcare’. Toen de Volkskrantjournalisten tegensputterden omdat hij volgens het Lockheed-rapport van de Commissie van Drie eigenlijk altijd met geld bezig was, riep de prins: `Maar dat klopt niet. Voor mijzelf ben ik nooit uit geweest op geld. Ik had genoeg.’[50] Bernhard opereerde in 1964 op twee fronten gelijk: in de VS had hij senator Jacob K. Javits aangeschreven over hetzelfde onderwerp. Javits kende hij van de Bilderbergconferenties, waarvan Bernhard voorzitter was, tot de Lockheed-affaire (1976) daaraan een einde zou maken. Javits wendde zich tot het ministerie van Justitie, maar het antwoord was even teleurstellend als ruim een kwart eeuw daarvoor: geen schijn van kans.[51] Vermoedelijk kende Bernhard dit antwoord al voordat hij zich tot Schröder wendde en probeerde hij (opnieuw) via een Duitse schadevergoedingsregeling het geld binnen te halen. Schröder schreef terug zijn best te hebben gedaan, maar helaas, hij kon Bernhard geen positief antwoord geven. Hij beloofde wel verder te zullen informeren om te zien of er toch geen andere mogelijkheden waren. Schröder zette daarop het ministerie van Financiën aan het werk, maar het resultaat was en bleef voor de prins teleurstellend. Mogelijk echter zou hij in 1978 een nieuwe poging kunnen wagen. In dat jaar zou opnieuw bekeken kunnen worden of vrijgave mogelijk was. Waarom wordt uit de brief niet duidelijk. De prins bedankte Schröder voor de gedane moeite en schreef dat hij de zaak aan zijn kinderen zou overlaten `in de hoop dat die in 1978 de Amerikanen tot betaling kunnen bewegen’.[52] Of zijn dochters dat inderdaad hebben gedaan, is niet bekend.

Welke conclusie kunnen we trekken uit deze financiële avonturen van prins Bernhard? Strikt formeel valt het vooroorlogse geval privaatrechtelijk nog te verdedigen. Met zijn gedrag ligt dat anders. Wellicht was zijn houding niet eens zo vreemd voor iemand die was opgegroeid in een milieu waar democratie als een soort uitwas werd beschouwd. Bernhard kon de democratie gestolen worden en het Nederlandse politieke bestel waarin hij na zijn huwelijk moest functioneren was hem niet alleen vreemd, maar interesseerde hem eigenlijk ook niet.[53] Telkens weer maakte hij misbruik van zijn positie omdat hij zijn plaats niet kende of er simpelweg geen boodschap aan had. Hij deed gewoon wat hij wilde en hij wist zich van meet af aan gedekt door dienaren van de staat. Met zijn gedrag heeft de prins de Nederlandse staat menigmaal gecorrumpeerd en de autoriteiten bleken zelfs bereid om ter wille van zijn ongerechtvaardigde wensen te liegen tegen de volksvertegenwoordiging, normaal gesproken een politieke doodzonde. Al eerder heb ik opgemerkt dat de monarchie infantiliseert en debilisering in de hand werkt. Bernhard begreep dat als geen ander en hij heeft daarvan dankbaar gebruik gemaakt. En net als macht corrumpeert de monarchie. Ook dat heeft prins Bernhard ten volle begrepen. En er gebruik van maakte als hem dat zo uitkwam.






[1]  Broertjes, Pieter  & Jan Tromp, De Prins spreekt, Amsterdam, 2004, pp. 27-43.
[2] Geboren als Bernhard Leopold Friedrich Everhard Julius Kurt Karl Gottfried Peter Graf von Biesterfeld. Op 24 februari 1916 werd zijn titel (`Graf’) gewijzigd in Prinz zur Lippe-Biesterfeld.
[3] Pieter & Tromp, De Prins spreekt, De aangehaalde passage is te vinden op p. 87.
[4] Cees Fasseur, Wilhelmina. Krijgshaftig in een vormeloze jas, Amsterdam, 201, p. 130 en Sefton Delmer, Trail Sinister. An Autobiography, Vol. 1, London, 1961, p. 254.
[5] E.J.H. Schrage,  Zur Lippe-Biesterfeld. Prinses Armgard, prins Bernhard en hun houding tegenover nazi-Duitsland, Amsterdam, 2004, pp. 42-43.
[6] Broertjes  & Tromp, De Prins spreekt, p. 87.  Het bedrag is geregeld in artikel 29 van de herziene grondwet 1938.
[7] Wijnen, Harry van, De Prins-Gemaal. Vogelvrij en gekooid, Amsterdam, 1994, p. 25-27. De toelage is geregeld in artikel 29.
[8] National Archives, Londen, FO 944/200 (diverse stukken over claims en verklaringen van Bernhard die stelt dat hij zijn portefeuille op zijn moeder en broer heeft overgedragen om confiscatie door de nazi’s te voorkomen).
[9] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap Verenigde Staten/Legatie Washington, 1814 - 1946, nummer toegang 2.05.13, inventarisnummer 1103, Brief namens de Secretary of State, niet gedateerd. 
[10] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, Brief Hooker aan State Department, 17 juni 1937, Brief Sumner Welles aan Hooker, 19 juni 1937, idem 24 juni 1937, brief Department of Justice aan Hooker, 30 juni 1937 en brief Buitenlandse Zaken aan Gezantschap Washington, 21 juli 1937.
[11] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, Brief aan de Secretary of State, 16 augustus 1937.
[12] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief gezantschap aan Cohu Brothers, 11 oktober 1937 en brief Cohun Brothers aan Gezantschap, 13 oktober 1937.
[13] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief particulier secretaris van prins Bernhard aan Gezantschap Washington, 25 oktober, 1937.
[14] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief van gezant te Washington aan minister van Buitenlandse Zaken, 29 oktober, 1937.
[15] Idem.
[16] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief Gezant Washington aan de minister van Buitenlandse Zaken.
[17] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief van ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Gezant te Washington, 29 april 1938.
[18] Broertjes & Tromp, De Prins spreekt, p. 77.
[19] Hatch, Alden, Prins Bernhard. Zijn plaats en functie in de moderne monarchie, Amsterdam, 1962, p. 115 (cognac) en Delmer, Sefton, Black Boomerang,  an autobiography, Vol. II, London, 1962  p. 23 (brandy).
[20] `Defensie betaalde ook voor “Piet Hein”’,  GPD, 18 augustus 2007. Zie voor de Piet Hein, zijn geschiedenis en huidige functie: http://www.piethein.nu/.
[21] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, I/Archief GS 1945-1954, 313.213 Schadeclaims van derden, 728 ~ 20792, map  Kosten reparatie jacht Piet Hein, Brief van Dedel aan minister van Buitenlandse Zaken,  9 januari 1946. 
[22] Zie voor de diverse regelingen: Aalders, Gerard, Berooid. De beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945, Amsterdam, 2001, pp.205-207.
[23]  Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, I/Archief GS 1945-1954, 313.213 Schadeclaims van derden, 728 ~ 20792, map Kosten reparatie jacht Piet Hein, brief van mr. H.L. s’ Jacob (secretaris-generaal van het ministerie van Financiën) aan de minister van Buitenlandse Zaken, 4 februari 1947.
[24] Idem.
[25] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, I/Archief GS 1945-1954, 313.213 Schadeclaims van derden, 728 ~ 20792, map Kosten reparatie jacht Piet Hein, brief aan Jhr. C. Dedel, 5 februari 1947.
[26] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, I/Archief GS 1945-1954, 313.213 Schadeclaims van derden, 728 ~ 20792, map Kosten reparatie jacht Piet Hein, brief ministerie van Financiën aan de minister van Buitenlandse Zaken, 1 mei 1947.
[27] Zie Aalders, Berooid.
[28] Zie Aalders, Berooid, pp. 325-330 en passim. Voor een zeer uitvoerige behandeling van de BRÜG: Biella, Friedrich e.a., Die Wiedergutmachung national­sozia­lis­tischen Unrechts Durch die Bundesrepu­blik Deuts­chland, Das Bun­desrücker­stattungsge­setz. Band II, München, 1981. 
[29] Zie Peter Helmberger, Die Normalisierung der Beziehungen der Bundesrepublik Deutschland zum Königreich der  Niederlande in den 1950er Jahren, (proefschrift), München, 195, p. 149; idem, `Der Versuch einer Generalbereinigung. Die Verhandlungen zwischen den Niederlanden und der Bundesrepublik um den Ausgleichsvertrag vom 8. April 1960, in: Zentrum für Niederlande-Studien, Jahrbuch 4 1993, pp. 71-98  Zie ook Schrage, Zur Lippe-Biesterfeld, p.p. 76-86 en W.H. Weenink, Bankier van de Wereld Bouwer van Europa. Johan Willem Beyen 1897-1976,Amsterdam-Rotterdam 2005, pp.418-419.
[30] Nationaal Archief, Den Haag, 2.09.06, Ministerie van Justitie te Londen, (1936) 1940-1945 (1953), Inv. Nr. 1044, Akte, gedateerd op 15 april 1943. Een Duitstalige akte is bijgevoegd.
[31] Zie ook Schrage, Zur Lippe-Biesterfeld, p. 182, noot 137.
[32] Schrage, Zur Lippe-Biesterfeld, p.83.
[33] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, Entwurf Vermerk Rückerstatttungsansprüche SKH. des Prinzen Bernhard der Niederlande, 3 oktober 1955. Bernhard had zijn `rekening’ als volgt samengesteld: aflossing van 25 jaar apanage van jaarlijks DM 24.000 (vermoedelijk 1919-1944 het jaar van de definitieve uitspraak van het Oberste Fideikommissgericht); nabetaling van achterstallige apanage van jaarlijks DM 24.000 gedurende 33 jaar (niet toegelicht wordt  over welke jaren het gaat, mogelijk zijn er bedragen in verwerkt ten gunste van  zijn broer Aschwin en zijn moeder Armgard). Bernhard verwijst in zijn eis naar diverse rechterlijke uitspraken in 1938, 1941 en 1944.  
[34] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, Entwurf Vermerk Rückerstatttungsansprüche SKH. des Prinzen Bernhard der Niederlande, 3 oktober 1955. Vergelijk Helmberger, Die Normalisierung der Beziehungen, pp.149-150 die twee voorstellen noemt, waarbij een bedrag van respectievelijk DM 130.000 en DM 250.000 wordt genoemd. Dat laatste voorstel was afkomstig van het Bundeskanzleramt.   
[35] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, Entwurf Vermerk Rückerstatttungsansprüche SKH. des Prinzen Bernhard der Niederlande, 3 oktober 1955.
[36] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, diverse correspondentie van en met Gelissen over de claims van Bernhard (1957). Zie voor Gelissen het Biografisch Woordenboek van Nederland http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn2/gelissen. In het particulier archief van Gelissen (Nationaal Archief, Den Haag , toegang 2.21.282) is niets over deze zaak terug te vinden. Voor het citaat van Kaufmann, D 3, 18 april 1957.
[37] Ministerie van Buitenlandse Zaken, ARCHIEF GS 1955-1964, 313.23, Volkenrecht en Internationaal Recht. Recuperatie. Map 203 Duitsland ZKH Prins Bernhard, deel II, 1955-1964, brief 9 maart 1959.
[38] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin,  Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, Brief Etzel aan Zijlstra, 30 november 1959. `Sonderfall’ en `bijzondere betaling’: o.a. brief van 21 januari 1960, brief van ambassadeur Lahr aan Statssektretär Hettlage Bundesminsiterium der Finanzen.
[39] Helmberger, Die Normalisierung der Beziehungen, p. 150.
[40] Ministerie van Buitenlandse Zaken, ARCHIEF GS 1955-1964, 313.23 Volkenrecht en Internationaal Recht. Recuperatie. Map 203 Duitsland ZKH Prins Bernhard, deel II, 1955-1964, Aide Mémoire, 29 juni 1963.
[41] `Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging, met Slotprotocol (Financieel Verdrag)’ van 8 april 1960 in: Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden, Jaargang 1960, Nr. 70.
[42] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin,  Bestand B 86, Abteilung Friedensregelung. Nr. 546, Deutsch-niederländische Ausgleichsverhandlungen, 21 januari 1960; idem, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, 25 januari 1960 en idem, Vermerk (Vertraulich), 28 januari 1960 (citaat: niet in samenhang etc.)
[43] Ministerie van Buitenlandse Zaken, ARCHIEF GS 1955-1964, 313.23 Volkenrecht en Internationaal Recht. Recuperatie. Map 203 Duitsland ZKH Prins Bernhard, deel II, 1955-1964, Concept Nederlands-Duits Financieel Verdrag, 29 februari 1960; idem, Luns aan Bernhard (onderwerp Apanage, april 1960) en 29 juli 1963; idem, Uittreksel brief aan het ministerie van Financien (geheim), 16 maart 1960 en idem, Aide Mémoire, 29 juni 1963 (m.b.t. de Rekenkamer).
[44] Idem, Memorandum, 12 januari 1963.
[45] Idem, Memorandum, 15 januari 1963.
[46] Idem, Luns aan Bernhard, 29 juli 1963.
[47] National Archives, London, FCO 33/3014, E.J.W. Barnes, British Embassy The Hague to Sir Michael Palliser, K.C.M.G., 27 februari 1976.
[48] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Bestand B 86, Abteilung Friedensregelung. Nr. 1250, Brief van Bernhard aan Schröder, 3 mei 1964.
[49] ` De Northrop-affaire’ in: Vrij Nederland, 2 april 2005.
[50] Broertjes & Tromp, De prins spreekt, p. 24. Voor de `childcare’: Philip Dröge, Het Oranjekapitaal. Een onderzoek naar het vermogen van de invloedrijkste familie van Nederland, Amsterdam, 2004, p. 197.
[51] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Bestand B 86, Abteilung Friedensregelung. Nr. 1250, Brief van de Assistant Attorney General aan Javitz, 22 april 1964. Zie voor de Bilderbergconferenties: Gerard Aalders, De Bilderberg-conferenties. Organisatie en Werkwijze van een Geheim Trans-Atlantisch Netwerk, Amsterdam, 2007.
[52] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Bestand B 86, Abteilung Friedensregelung. Nr. 1250, brief Schröder aan Bernhard, 4 juni 1964; idem, Bundesminister der Finanzen aan Auswärtiges Amt, 22 juni 1964; idem (concept)brief Schröder aan Bernhard, 4 september 1964 en idem, brief Bernhard aan Schröder, 14 september 1964.
[53] Hatch, Prins Bernhard, pp. 50-51 en Van Wijnen, De Prins-Gemaal, p. 27.

0 reacties:

Een reactie posten