Berichten

De reactie van het NIOD

Gisteren, zaterdag 14 april, verschenen enkele artikelen in een aantal dagbladen over mijn nieuwe boek Het Instituut.
Het AD en Het Parool hadden daarin een reactie van het NIOD opgenomen.
Oud-directeur Hans Blom liet weten niet te willen reageren. Gelukkig verborg hij zich niet achter de vreselijke smoes die voorlichters tegenwoordig bij voorkeur bezigen: ‘zich niet in de situatie herkennen’. Dat kon in zijn geval ook moeilijk want de delen in mijn boek waarin hij figureert zijn deels samengesteld uit onze wederzijdse briefwisseling, die niet altijd even verheffend van aard was.

Het NIOD beriep zich in zijn reactie op ‘onafhankelijke wetenschappelijke begeleidingscommissies’ als waarborg voor zijn geschiedschrijving. Daar valt het een en ander op af te dingen.

Toen ik het nazi-lidmaatschap van prins Bernhard in de affaire Sanders wilde publiceren, kreeg ik te maken met zo’n ‘onafhankelijke begeleidingscommissie’. Soms duikt ie nog wel eens op in een van mijn  nachtmerries. Mijn commissie bestond uit de chef van de afdeling Onderzoek, Peter Romijn, en NIOD-bestuurslid prof. Jan Bank. De twee andere bestuursleden, prof. Eltjo Schrage en prof. Piet Steenkamp (‘Rooie Piet’ of beter nog ‘Oranje Piet’) bemoeiden zich ook intensief met de tekst van het boek. Geen van de heren kan ook maar in de verste verte aanspraak maken op termen als  ‘onafhankelijkheid’ of  ‘waarborg’ voor eerlijke en onbevangen geschiedschrijving. Hun gedienstigheid aan het koningshuis en minister-president Wim Kok, de ministerieel verantwoordelijke in deze kwestie, kwam neer op zo goed als honderd procent. Het was de slaafste commissie waarmee ik in mijn werk ooit te maken heb gehad.

De naam ‘Bernhard’ viel in de eerste vier maanden van het conflict nooit. Het boek, de affaire Sanders, (mede-auteur Coen Hilbrink) ging over de eerste naoorlogse veiligheidsdienst, maar bevatte ook een aantal toedek-operaties van de Nederlandse regering in de direct naoorlogse tijd. Een van die cover ups was Bernhards lidmaatschap van de Duitse nazi-partij die in de dagen aan het licht kwam.

Dat lidmaatschap was natuurlijk het grote probleem, maar daarover had de begeleidingscommissie het nooit. Nee, de toon van het boek deugde niet. Wazige kritiek waar je niets mee kunt. Even later was het boek plotseling ‘te Frans’. Wat de loodzware begeleidingscommissie daar mee heeft bedoeld, is me tot op de dag van vandaag een raadsel. Er waren trouwens veel meer afleidingsmanoeuvres, maar over Bernhard ging het nooit.

Ondertussen waren er drukke contacten met Soestdijk en Den Haag. Toen dan na vier maanden de prins eindelijk ter sprake kwam, eiste de commissie een forse uitbreiding van de paragraaf die oorspronkelijk niet meer dan een halve pagina besloeg. Er moest uitgebreid worden vermeld dat Bernhard niet het enige lid van de Duitse adel was, die lid was geworden van de Hitler-partij. Ik vond dat overbodig, maar het was niet in strijd met de waarheid, dus ging ik er in mee.

De bedoeling was uiteraard om verzachtende omstandigheden voor de prins aan te voeren. ‘Kijk, onze prins was zeker niet de enige’. Daar kon ik, zoals gezegd, mee leven. Zijn lidmaatschap bleef immers recht overeind. Wel heb ik geweigerd om opmerkingen over zijn fameuze heldenmoed en zijn riskante bombardementsvluchten boven Duitsland (die hebben nooit plaatsgevonden) aan mijn tekst toe te voegen.
Op de ‘onafhankelijkheid’ en ‘waarborgen voor gedegen onderzoek’ op het NIOD  valt dus wel het een en ander af te dingen.

Toen directeur Blom lid werd van een regeringscommissie die de roof op de joden in de oorlog moest onderzoeken, kwam de onafhankelijkheid van het NIOD wederom op de tocht te staan. De commissie was bevolkt met prominenten uit de wereld van banken, beurs en bedrijfsleven. Hun doel was zeker niet primair gericht op zuivere geschiedschrijving. Op de achtergrond speelden grote financiële en politieke belangen. Maar de commissie kon zich mooi achter De Directeur (zoals ik Blom in Het Instituut bij voorkeur noem), verschuilen. De Directeur van het NIOD stond immers garant voor betrouwbare geschiedschrijving. Als afleidingsmanoeuvre was het een zeer geslaagde zet.

Het probleem was dat het NIOD ook onderzoek deed naar de roof. Ik was er al jaren mee bezig, had de naam opgebouwd van ‘roofgoeroe’ en had drie boeken over de kwestie op stapel staan.  Ik waarschuwde De Directeur voor de implicaties van zijn dubbelfunctie, namelijk directeur van het NIOD  én commissielid. Het liep inderdaad fors uit de hand. Toen puntje bij paaltje kwam koos De Directeur voor de Grote Jongens waarmee de commissie was bevolkt. De commissie ging vóór het NIOD waarmee de onafhankelijkheid van Het Instituut wederom de mist in ging.

Hoe het  tegenwoordig op het NIOD is gesteld weet ik niet. Ik heb uitsluitend mijn eigen tijd als onderzoeker beschreven. Een tijd overigens, waar ik met veel plezier op terugkijk.

Ter afsluiting een laatste opmerking uit de NIOD-reactie. Als onderzoeker in dienst van het NIOD had ik alles kunnen publiceren wat ik wenste. Dat klopt. Maar dat was soms eerder ondanks dan dankzij de NIOD-directie. Het staat allemaal uitgebreid in Het Instituut beschreven.

Interviews:

Café Weltschmerz/Argus:

Radio 1 Kunststof:  https://www.nporadio1.nl/kunststof/onderwerpen/498882-gerard-aalders-historicus-schrijver

De verzetsdoden van Wilhelmina

‘Nieuwsuur’ kwam me interviewen over Wilhelmina. Ik schrijf in mijn boek dat de centralisatie van het verzet naar schatting een paar honderd verzetslieden het leven heeft gekost.  Daarover wilde ‘Nieuwsuur’ het graag hebben.
Ik had het zelf liever over de essentie van mijn boek gehad: over Wilhelmina als een van de meest overschatte figuren uit onze geschiedenis. Maar daar had het programma geen oren naar.

De redacteur had ook nog een vraag: kende ik wellicht een historicus die kritiek op mijn boek kon leveren? Ik beval prof. dr. Jan Bank aan. Hij verdedigt het koningshuis tegen de klippen op, dus ik vond dat ze aan Bank een goede hadden.
Ad van Liempt als criticus hadden ze zelf bedacht en hij bleek alleszins bereid een duit in het zakje te doen. Het vervelende was dat beide heren geen letter van mijn boek hadden gelezen. Dat kon ook nauwelijks, want het was net een dag uit.

Commentaar leveren zonder enige kennis van de bewuste passage uit het boek bleek voor geen van beide heren een probleem om zich in stevige bewoordingen over mijn werk uit te laten. Professor Bank hield het erop dat mijn conclusie over de gevolgen van de centralisatie ‘vele bruggen te ver was’. Hij wilde eerste ‘twee’ zeggen, maar herstelde dat snel in ‘vele’. Dat is toch erger dan twee.

Van Liempt toonde zich inventief in zijn commentaar. Volgens hem kon je niet volhouden dat Wilhelmina het verzet had gecentraliseerd. Met die opvatting staat hij zo ongeveer alleen in Nederland. Uit alles bleek dat hij even bliksemsnel Loe de Jong erop na had geslagen, maar geen tijd had gehad de stof even te laten bezinken. Van de literatuur die na De Jong over het verzet was verschenen, had hij helaas geen grammetje kaas gegeten. Zijn oordeel: wat ik had geschreven grensde ‘aan de rand van onzin’.

En wat zou er zijn gebeurd als het verzet niet was geconcentreerd, vroeg hij zich nog af. Daarmee sprak hij niet alleen zichzelf tegen (over de centralisatie) maar stelde hij ook de beruchte ‘als’ vraag, die er zoals bekend in de geschiedenis volstrekt niet toe doet. Het is immers gegaan zoals het gegaan is. Aan ‘als’ hebben historici geen boodschap.

Historicus dr. Coen Hilbrink reageerde in NRC (01-05-2018) per ingezonden brief op de concentratie-kwestie, die de krant overigens ook zelf in haar recensie had aangeroerd. Hilbrink zet uiteen dat Wilhelmina het verzet wel degelijk heeft gecentraliseerd en dat daardoor naar schatting honderden verzetsstrijders het leven hebben verloren, waaronder zijn eigen vader en grootvader. Hilbrink schreef een proefschrift en enkele boeken over de illegaliteit. Ook heeft hij tal van verzetsstrijders geïnter-viewd.

Een gedenkboek van het verzet Het Grote Gebod hekelde de beslissing van Wilhelmina als ‘een betreurenswaardige domheid’. Een snoeihard oordeel die stamt uit een tijd dat eerbied voor het koningshuis nog vanzelfsprekend was. Tegenwoordig zouden we vermoedelijk spreken van een ‘idiote beslissing die alleen een wereldvreemde gek kan maken’ (ik improviseer maar even wat).

De Jong vond die centralisatie ook geen briljant idee, maar hij wilde het uit eerbied voor de koningin geen ‘betreurenswaardige domheid’ noemen. Toch kon hij er wel een eind in meegaan. Van Liempt zag dat even over het hoofd.

Waarom was het eigenlijk zo’n slecht besluit? Ten eerste wist Wilhelmina zo goed als niets over het verzet en de onderlinge strijd die zich daarbinnen afspeelde tussen (zoals dat toen nog ging) katholieken, gereformeerden, communisten en noem alle richtingen verder maar op.

Haar schoonzoon, prins Bernhard, zou de chef van de verenigde verzetsgroepen worden. Het klonk zeker imposant: Bevelhebber der Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Wilhelmina deed dat met een vastomlijnd doel voor ogen. In Nederland zou de indruk worden gewekt dat het Oranjehuis, onder de moedige leiding van Bernhard een fors aandeel in de bevrijding van het vaderland had gehad. Het zou de monarchie weer steviger dan ooit in het zadel helpen. Wilhelmina had zich laten inspireren door de Maquis, de Franse ondergrondse.

In haar autobiografie noteert ze hoe dat was gegaan. In een krantenartikel had ze gelezen ‘dat de Maquis was opgenomen in de bondgenootschappelijke strijdkrachten. […] Zij kregen bij hun inlijving bij de geallieerde legers de status van combattanten en een eigen bevelhebber, generaal Koenig. Op hetzelfde ogenblik begreep ik, dat iets dergelijks voor onze Binnenlandse Strijdkrachten tot stand moest komen.’

De ondergrondse zag niets in haar plan, maar werkte toch tegen heug en meug mee om het verzet te concentreren en te organiseren in gewesten. Ook leden van de Ordedienst (OD) bemoeiden zich ermee. De OD zou volgens plan pas in actie komen als het land was bevrijd om de terugkeer van de koningin in goede banen te leiden. De zeer orangistisch gezinde OD kwam dus voortijdig in actie, maar de organisatie had vanwege de zichzelf toebedacht taak voor na de bevrijding niet het flauwste benul van verzetswerk. De noodzaak van de grootst mogelijke geheimhouding snapte ze al evenmin. Koeriers gingen op pad met schriftelijke uitnodigingen voor vergaderingen waarin adressen, namen van deelnemers alsook de tijd en plaats van samenkomst stonden. In het echte verzet ging dat soort dingen mondeling, zonder dat er een snipper papier aan te pas kwam.

Het ging dan ook helemaal fout. Een enkel voorbeeld volstaat: ir. Krikke, OD-er en benoemd tot commandant van het gewest Midden-Nederland belegde een vergadering in het gebouw van de Kamer van Koophandel in Utrecht. Koerierster Leny Mostert werd aangehouden door de Sicherheitsdienst met de uitnodigingen op zak. Het gevolg was dat Krikke zelf en nog zes anderen werden gearresteerd. Zelden had de Duitse illegaliteitsbestrijding het zo gemakkelijk gehad.
Met dank aan Wilhelmina.

Een mislukte bevrijdingspoging leidde tot de dood van de verzetsleiders Sam Esmeijer, Frank van Bijnen en Huibert Verschoor. De verzetslieden die ze hadden willen bevrijden – de mensen die de Sicherheitsdienst had gearresteerd vanwege de op Mostert gevonden uitnodigingen – werden geëxecuteerd.

Door de volstrekt amateuristische aanpak van de centralisatie – die om veiligheidsredenen nooit had mogen plaatsvinden – was het voor de Duitsers bovendien een koud kunstje in het verzet te infiltreren. Met alle dodelijke gevolgen van dien.

De centralisatie ging van Wilhelmina uit. Ze beschrijft het nota bene zelf in haar biografie Eenzaam maar niet alleen. Veel verzetsmensen hebben haar ‘betreurenswaardige domheid’ met de dood moeten bekopen.

Toch raar dat Ad van Liempt mijn conclusie afdoet als ‘aan de rand van de onzin’ en dat ze volgens Jan Bank ‘vele bruggen te ver’ is. Commentaar leveren staat iedereen vrij, maar doe het alsjeblieft wel op grond van feiten en kennis.