Sinds 1951 hangt er in het Van Abbemuseum een Kandinsky. Hester Bergen (en haar familie) hebben het museum in Eindhoven ervan overtuigd dat ‘Blick auf Murnau mit Kirche’ afkomstig is uit de collectie van haar overgrootmoeder Johanna Margareta Stern-Lippmann, die in Auschwitz werd vermoord. Het schilderij is een glashelder geval van roofkunst.  Mevrouw Bergen en het Van Abbemuseum besloten in goed overleg de ‘koninklijke weg’ te bewandelen en de zaak voor te leggen aan de Restitutiecommissie van het Ministerie van OC&W in Den Haag. Tot verbijstering van beide partijen wees de commissie de claim af.
Er is overigens nog een Kansdinsky, waarover al jaren gesteggeld wordt: ‘Bild mit Häusern’ in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

De ‘Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog’ (‘Restitutiecommissie’) fungeert sinds 2002. Ze is in het leven geroepen om claims op roofkunst te beoordelen. De claimanten zijn meestal erfgenamen van joden die tijdens de oorlog, vóór hun deportatie naar de gaskamers, van al hun bezittingen werden beroofd.
Kunst viel daar ook onder.
De geallieerden hebben op 5 januari 1943 kopers en helers van roofkunst (ook in de neutrale landen) gewaarschuwd dat na de oorlog alles zou worden teruggevorderd. De Inter-Allied Declaration Against Acts of Dispossession Committed in Territories Under Enemy Occupation or Control stond niet op zich zelf. Er zouden nog meer Geallieerde verdragen volgen, die allemaal beoogden beroofde eigenaren in hun rechten te herstellen.

In Nederland is dat behoorlijk fout gegaan. De Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), de verantwoordelijke instantie, leek vaak verdacht veel op een acquisitiebureau dat zijn kans schoon zag het nationaal Nederlands kunstbezit geheel gratis te verrijken.
De Goudstikker zaak is het beruchtste voorbeeld van de SNK-inhaligheid.
Op de golven van aandacht voor de nazi-roof, die sinds midden jaren negentig eerst de Verenigde Staten en daarna ook Europa overspoelde, kwam de zaak Goudstikker in 1999 voor het Haagse Gerechtshof. De landsadvocaten vroegen de rechter zich niet bevoegd te verklaren om over de zaak te oordelen. Ze kregen hun zin, al was er veel kritiek op het vonnis.

Het grootste probleem bij geroofde kunst is de bewijsvoering. Behalve kunst roofden de nazi’s de gehele inboedel weg, zodat ook fotoalbums en verzekeringspapieren spoorloos verdwenen. Voor de weinig joden die terugkeerden uit de vernietigingskampen was het leveren van juridisch hard bewijs dat een schilderij of ander kunstvoorwerp aan hem of haar had toebehoord zo goed als onmogelijk. Geen foto’s, geen papieren en vaak evenmin getuigen.
Hoewel de teruggaaf (‘rechtsherstel’) van de gestolen eigendommen in het algemeen redelijk is verlopen, bleef de teruggave van kunst een schandvlek op het restitutiebeleid.

Uit onvrede met de belabberde aanpak in veel Europese landen werden in 1998 op aandringen van Amerika de ‘Washington Principles’ opgesteld. Nederland was een van de landen die zich op de conferentie van Washington achter de Principles heeft geschaard. De deelnemende landen hebben beloofd alles te zullen doen wat in hun vermogen ligt om de rechtmatige eigenaren hun geroofde kunst terug te geven. Men was er van overtuigd geraakt dat juridische bewijslevering vrijwel niet rond te krijgen was. In plaats daarvan kwam er een meer realistische benadering. Wie aannemelijk kon maken dat hij aanspraak maakte op een kunstobject kreeg dat terug.

Toen Nederland in Washington de overeenkomst tekende, was het tegelijkertijd bezig via het peperdure communicatiebureau Hill & Knowlton alle publiciteit over Goudstikker tijdens de conferentie uit te bannen. Het was te pijnlijk.
Het State Department had mij uitgenodigd om als onafhankelijk expert op de conferentie te spreken. Door ingrijpen van de Nederlandse ambassade in Washington werd ik ter elfder ure als spreker van de lijst geschrapt. Dankzij een WOB-procedure weet ik dat de ambassade, om zijn doel te bereiken, achterklap en het geven van valse informatie niet heeft geschuwd. Stel je voor dat ik als onafhankelijk spreker Goudstikker had aangeroerd. Het geeft aan hoe de Nederlandse Staat destijds tegenover restitutie stond.

Gelukkig kwam er dankzij de Washington Principles een kentering in het beleid. De Restitutiecommissie werd ingesteld en de kans roofkunst terug te krijgen, verbeterde enorm. Men begreep dat onomstotelijk juridisch bewijs niet te leveren viel. De Goudstikker erven dienden een claim in en deze keer wonnen ze. De Restitutiecommissie adviseerde tot teruggave. In 2006 kregen de erfgenamen Goudstikker 202 schilderijen terug.

Jarenlang heeft de Restitutiecommissie bewonderenswaardig werk gedaan, dankzij een praktische aanpak van zaken. Maar in die werkwijze is verandering gekomen. Als lid van de International Advisory Board of Scholars and Experts van het Central Registry of Information on Looted Cultural Property in Londen hoor ik sinds enkele jaren weer alarmerende berichten over het Nederlandse teruggaafbeleid.
De Restitutiecommissie laat haar oude beleid varen en eist steeds vaker harde bewijzen waarvan ze weet dat die niet kunnen worden geleverd. Het concept van ‘aannemelijk maken’ dat iets aan jou of je familie toebehoort, wordt losgelaten en de juridische benadering – die in deze zaken nooit de oplossing kan zijn – wint terrein.

Stuart Eizenstat, een Amerikaanse diplomaat en destijds dé drijvende kracht achter de Washington Principles, verweet Nederland onlangs zich niet langer aan de Principles te houden. Tijdens de conferentie over de naleving van de Washington Principles in Berlijn, eind november, maande hij Nederland terug te keren op het goede pad en de claimanten weer voorop te stellen. Het gaat immers om hun belangen, niet om de eigendomsbelangen van de Staat of de Nederlandse musea.

De beslissing over de Kandinsky in het Van Abbemuseum (maar ook die in het Stedelijk) past in de nieuwe trend van de Restitutiecommissie, die het ‘aannemelijk maken’ heeft ingeruild voor harde bewijsvoering die claimanten bij voorbaat zo goed als kansloos maakt. Een commissie volgepropt met juristen denkt nu eenmaal te veel langs juridisch patronen. En dat is tegen alle afspraken in.

Dit artikel verscheen eerder (18-12 -2018) in de Volkskrant  als ‘Roofkunst terugkrijgen wordt steeds lastiger zonder “hard bewijs”’.

Hans Blom laat de Tweede Wereldoorlog achter zich. De voormalige directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) is nu ook uit het bestuur van het Verzetsmuseum in Amsterdam gestapt. De oorlog is voorbij. Reden voor Argus om prof. Piet de Rooy een uitwuifartikel te laten schrijven. Onno Blom eert zijn vader in hetzelfde nummer  met een gedicht.
Toen ik op het NIOD werkte was Blom gedurende een aantal jaren mijn directeur. Of ik voor Argus, terwille van de nuance, een stukje over mijn voormalige directeur  wilde schrijven? Ik koos een paar gevallen uit de praktijk.

Hans Blom had een heilig ontzag voor Haagse hoogwaardig-heidsbekleders. Dat had tot gevolg dat de NIOD-directeur veel te gemakkelijk meeging met de wensen van regeringsautoriteiten.  Dat merkte je bij conflictsituaties. Normaal gesproken stond hij pal achter zijn medewerkers, maar zodra ‘Den Haag’ in het spel kwam, haakte hij af. Als NIOD-onderzoeker, gespecialiseerd in de roof van Joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, heb ik dat een aantal keren ondervonden.

Het State Department had in december 1998 een grote ‘roofconferentie’ in Washington georganiseerd. Blom vond dat ik als deskundige mee moest met de officiële Nederlandse delegatie. Hij lobbyde daarvoor, helaas tevergeefs, bij de verantwoordelijke ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken.

Het was evident dat ik niet welkom was in de equipe. Vermoedelijk omdat ik in de media regelmatig duidelijke uitspraken had gedaan over het Nederlandse ‘roofbeleid’.
Op een goede dag kreeg ik een telefoontje van het State Department: of ik een lezing wilde geven over de Nederlandse aanpak van roof en rechtsherstel. Zo kwam ik door een achterdeur toch binnen.

Op de vooravond van de conferentie, ik was al in Washington, liet State weten dat de Nederlandse ambassade had ingegrepen en dat ik van de sprekerslijst was geschrapt. Ik mocht wel komen, mits ik mijn mond hield. Blom was net zo woedend als ikzelf over deze interventie en steunde mijn plan om via een WOB-procedure te achterhalen wie achter deze grove inbreuk op de spreekvrijheid zat.

Toen allengs duidelijk werd dat het ministerie van Financiën en ex-minister Jos van Kemenade (die in opdracht van de regering een onderzoekscommissie naar de roof leidde) erachter zaten, vond Blom dat ik de procedure moest afkappen. Ik wist toch genoeg? Ik weigerde en kreeg zwart op wit wie mij met infame beschuldigingen zo zwart had gemaakt dat ik van het spreekgestoelte werd geweerd.

Blom was zelf ook lid van de ‘Commissie van Kemenade’, die hoofdzakelijk was bevolkt met politici en toplieden uit de bank- en verzekeringswereld. Hun beroepsgenoten hadden tijdens de bezetting een aardige cent aan het geroofde joods bezit verdiend en het was evident dat de heren de imagoschade voor hun branche zoveel mogelijk wilden beperken.

Ik waarschuwde Blom dat hij als wetenschapper en NIOD-directeur in dat gezelschap van belanghebbenden niet thuishoorde, maar hij vond dat onzin.
Toen ik op de vooravond van de openbaarmaking van Van Kemande`s eindrapport een artikel in NRC Handelsblad publiceerde, ontstak Blom in razernij (waarvoor hij later zijn excuses aanbood).
Mijn stuk ging over successierechten die joden moesten betalen voor hun vergaste familieleden; een onderwerp dat de Van Kemenade-commissie totaal over het hoofd had gezien. Ik wist dat niet – kon dat ook niet weten – maar ik bleek een uiterst gevoelige snaar te hebben geraakt.

Van Kemenade, die mijn bloed altijd al kon drinken, ging verhaal halen bij Blom. Mijn artikel zou afbreuk doen aan zijn rapport, dat overigens door een heel bataljon accountants was opgesteld.
In plaats van trots te zijn op zijn instituutsmedewerker – het artikel baarde veel opzien – keerde Blom zich tegen mij en schaarde zich vierkant achter het Haagse establishment.
Het duurde even voordat we weer on speaking terms waren.

Dit stukje verscheen eerder als ‘Haags ontzag’ in Argus, 23-01-2018

Sytze van der Zee zorgde met zijn biografie over François van `t Sant voor enige reuring. ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema was van plan geweest een staatsgreep te plegen. Bij de presentatie van het boek sprak hofleverancier Cees Fasseur (‘Karate Cees‘) de aanwezigen toe. Met humor uiteraard. Maar zijn speech was gelardeerd met dubbele bodems, steken onder water en verwijten aan zijn critici. Waarin een kleine man groot kan zijn.

De couppoging die Van der Zee in Harer Majesteits loyaalste onderdaan onthult, had plaats moeten vinden op 24 april 1947. Aanleiding was het Akkoord van Linggadjati waarin de onafhankelijkheid  van Indonesië werd geregeld. Het Akkoord viel slecht in rechtse kringen die van onafhankelijkheid niets wilden weten. Een aantal politici en oud-verzetsleden vatte daarom het plan op de regering omver te werpen. Pieter Sjoerds Gerbrandy, voormalig premier van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen, zat ook in het complot.

Fasseur publiceerde vorige jaar een biografie over Gerbrandy. De staatsgreep kwam bij Fasseur niet aan de orde, dus dat was pijnlijk. Maar Fasseur redde er zich moeiteloos uit. Als ik hem goed heb begrepen, is alles wat er sindsdien over Gerbrandy (en uiteraard het koningshuis) is geschreven niet meer dan een voetnoot bij wat hij zelf heeft gepubliceerd. En dat zal altijd zo blijven. Het zijn niet meer dan aanvullinkjes waarvan je je ook nog kunt afvragen of ze wel iets toevoegen. Eigenlijk niet, begreep ik, maar aan de andere kant konden ze ook geen kwaad.

Een kleinzoon van Van ’t Sant, die het ooit had gewaagd Fasseur inzage te weigeren in de weinig overgebleven papieren van zijn grootvader  – hij was op de presentatie aanwezig – kreeg voor zijn streek de rekening gepresenteerd, al zullen de meeste aanwezigen Fasseurs steek onder water niet hebben begrepen.
Wat stak was dat Van der Zee die papieren wel had mogen inzien.

Hazelhoff Roelfzema is een van de meest overschatte mensen uit het verzet. Een rechtse houwdegen die het immens met zichzelf had getroffen. De ‘Soldaat van Oranje’ probeerde in 1942 met steun van koningin Wilhelmina contacten te leggen met het rechtse verzet in Nederland. Aan het linkse verzet, dat over het algemeen aanmerkelijk actiever was dan zijn rechtse tegenhanger, had Wilhelmina geen boodschap en Hazelhoff al evenmin.

Wilhelmina wilde het verzet centraliseren. Van ‘Sant, Hazelhoff en prins Bernhard vonden dat een geweldig plan. De Duitsers zullen het daar hartgrondig mee eens zijn geweest want een gecentraliseerde ondergrondse is immers een stuk gemakkelijker te arresteren en te executeren dan allerlei versnipperde kleine groeperingen.
Het gedoe van Hazelhoff (Contact Holland) stond dus primair in het teken van de terugkeer van Wilhelmina. Ze had plannen om Nederland na de oorlog als een verlicht despoot te gaan regeren. De macht van de volksvertegenwoordiging wilde ze tot een minimum beperken. De contactpogingen uit 1942 van Hazelhoff zijn door geklungel op niets uitgedraaid.

Na de oorlog vertoefde Hazelhoff regelmatig in het toenmalige Nederlands Indië. Hij geloofde heilig in het toenmalige gezegde: ‘Indië verloren, rampspoed geboren’. Prins Bernhard trouwens ook. Samen met prominenten uit het Nederlandse bedrijfsleven heeft hij zich krachtig tegen de onafhankelijkheid verzet. De prins had zelfs al een hoofdkwartier in Batavia voor zich laten inrichten maar Wilhelmina – met wie hij het na de oorlog slecht kon vinden – verbood hem te gaan.

De biografie over prins Bernhard van Alden Hatch (die alles braaf noteerde wat Bernhard hem dicteerde) vermeldt ook een staatsgreeppoging. Niet duidelijk is of het dezelfde is als die Van der Zee noemt.Een datum ontbreekt en namen worden niet genoemd, maar helder is wel dat het gaat over leden van het voormalige rechtse verzet, de zogenaamde Ordedienst (OD).
De OD wilde pas in actie komen na de bevrijding van Nederland. Doel was om de terugkeer van koningin Wilhelmina zo soepel mogelijk te laten verlopen.
Van actief verzet tijdens de oorlog kan de OD niet worden verdacht. Hatch beschrijft de coupplegers als lieden waarmee prins Bernhard niets te maken wilde hebben. Naar eigen zeggen had de prins het verzoek van rechtse groeperingen om de macht in Nederland over te nemen consequent afgehouden.

Hatch schrijft dat de heren die Bernhard een bezoek brachten het spuugzat waren. De manier waarop de politiek zich ontwikkelde beviel hun allerminst. Ze wilden een nieuw, sterk bewind dat het land weer op de been kon brengen. Een wens die overeen kwam met Wilhelmina’s licht despotische manier van denken over het landsbestuur. ‘Vernieuwing’ noemde ze dat.

Bernhards bezoekers vond de zittende regering dus maar een stel slapjanussen. Dat was niet waarvoor ze beweerden te hebben gevochten. Alleen Bernhard kon in die situatie verandering brengen. Hij was immers de populairste man van Nederland. Er stond 200.000 man tot zijn beschikking die bereid waren te doen wat hij beval. Ze waren afkomstig uit de voormalige Binnenlandse Strijdkrachten (BS) waarover Bernhard het bevel had gevoerd. Het grootste deel van de BS bestond uit avonturiers en gelukzoekers. Echte verzetsmensen zaten er nauwelijks tussen.
De delegatie wilde de koningin voorstellen om haar, samen met Bernhard, de macht te geven om ‘ons land langs nieuwe wegen op te bouwen tot een land waarin onze idealen worden verwezenlijkt.’ Ze wilden de koningin echter niet benaderen zonder Bernhards toestemming.

Bernhard had toen – weer naar eigen zeggen – met ‘enkele snelle en scherpe woorden’ dat idee voorgoed de kop ingedrukt. Nederland was geen Balkanland, evenmin als de Oranjes despoten waren. Van een dictatuur wilde hij niets weten. Basta.

De prins besloot zijn korte donderspeech met de woorden ‘En nu: Leve de Koningin! Leve ons vaderland!’ Hoewel teleurgesteld toonden de mannen zich voor rede vatbaar: ‘Ze juichten hem toe en vertrokken volkomen ontnuchterd.’
Of Hazelhoff een van hen was, is niet bekend.

Koppige Fries

Cees Fasseur schreef een boek over Pieter Sjoerds Gerbrandy. Tijdens de oorlog was hij minister-president van de Nederlandse regering in ballingschap. Een aimabel, rechtzinnig en koppige man die meer befaamd was om zijn walrussnor dan om zijn tactisch leiderschap.

Fasseur ontleent de titel voor zijn biografie, Eigen meester, niemands knecht aan: ‘Alleman van Neêrlandsch stam, voelen zich der vaad’ren zoonen’ van J.G. Nijk. Het is een van de vaderlandse smartlappen die Nederland op een onwrikbaar voetstuk plaatst. Gerbrandy past in dat beeld. Hij liet zich inderdaad weinig zeggen, hoewel hij een uitzondering maakte voor God en de koningin. Altijd die volgorde; nooit andersom.
Geboren in Friesland, in een welgestelde boerenfamilie, leek hij niet direct voorbestemd tot het minister-presidentschap. Maar Pieter had geen trek in het boerenbedrijf, wat duidelijk blijkt uit zijn gymnasiumopleiding, gevolgd door een rechtenstudie aan de Vrije Universiteit. Hij werkte een tijdlang als advocaat en procureur en trad toe tot de Anti-Revolutionaire Partij. In 1930 volgde zijn benoeming als hoogleraar aan de VU; in 1939 nam Louis de Geer hem op als minister van Justitie in zijn tweede kabinet.

De Geer was een godvrezend man; tot in zijn vezels gereformeerd. Tijdens zijn toespraken beriep hij zich zo vaak op God en de Bijbel, en doorspekte hij zijn teksten met zoveel Bijbelspreuken, dat menigeen zich afvroeg (ook gelovigen) of het niet een onsje minder kon. Opmerkingen over zijn onwrikbare godsvertrouwen lieten hem echter koud. De wegen van de rechtlijnige Gerbrandy waren – in tegenstelling tot die van God – allesbehalve ondoorgrondelijk zoals Fasseur in zijn biografie glashelder uiteen zet.

Het leeuwendeel van het boek is terecht gewijd aan het leven van Gerbrandy als minister-president in Londen. Gerbrandy’s directe tegenspeler was koningin Wilhelmina. In 1943 veranderde hun onderlinge verhouding – die tot dan goed was geweest – en keerde de koppige Gerbrandy zich steeds meer tegen de wensen van de al even eigenwijze Wilhelmina. Als biograaf van Wilhelmina was de Londense tijd geen onbekend terrein voor Fasseur.

Wat betreft de historische achtergrond borduurt hij voort op wat Loe de Jong in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog heeft geschreven. Het is jammer dat Fasseur – een uitzondering daargelaten – geen kennis heeft genomen van nieuwere literatuur die andere inzichten bieden.

De Nederlandse ministers vertrokken op 13 mei 1940 naar Londen. Wilhelmina was hen die dag al voorgegaan op het hazenpad. Zonder overleg. Dat was ook niet nodig, schrijft Fasseur, want ‘haar besluit stond toch vast.’ De vlucht naar Engeland is nog steeds een kwestie die regelmatig in studies opduikt, en wordt al naar gelang van de politieke overtuiging van de auteur veroordeeld of verdedigd. Er bestond op grond van artikel 21 van de Grondwet een ‘formeel beletsel’ voor de vlucht, schrijft Fasseur. Dat verbood de regeringszetel naar het buitenland te verplaatsen. Waarom ‘formeel’? Fasseur gaat er niet op in.

De vlucht was volgens de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 (PEC)
een meesterzet: een daad van ‘eminent belang’ die de gehele verdere oorlog-voering van Nederland had beheerst. Het had ‘de mogelijkheid geschapen tot een effectieve voorbereiding van de bevrijding en het herstel van Nederland.’ Fasseur spreekt die pertinente onzin van de PEC niet tegen.
Gerbrandy, die in Londen twee praktisch vleugellamme regeringen leidde, kon het PEC-compliment in zijn zak steken.

De vlucht met achterlating van de families was een rare beslissing: het gaf de Duitsers immers de kans om de ministers onder zware druk te zetten. Dat de bezetter die mogelijkheid nooit heeft uitgebuit, geeft vermoedelijk aan dat hij zich van die kabinetten niets aantrok.
Wat de regering-Gerbrandy in Londen eigenlijk heeft gedaan, en wat ze voor Nederland heeft betekend, hult Fasseur grotendeels in het duister. Hij constateert dat er hard werd gewerkt, dat de meeste ministers (inclusief Gerbrandy) belabberd Engels spraken en dat ze de terugkeer naar Nederland – het stokpaardje van Wilhelmina – hebben voorbereid.

Wilhelmina wilde de macht van de volksvertegenwoordiging stevig inperken en haar eigen macht vergroten. ‘Vernieuwing’ noemde ze die terugkeer naar een verlichte autocratie. Bij haar streven vond Wilhelmina steeds vaker Gerbrandy op zijn pad. De `vernieuwing’  die zij nastreefde stond op gespannen voet stond met de democratie en kon daarom in de ogen van Gerbrandy geen genade vinden.

Een van de weinige concrete zaken die de regering-Gerbandy op zijn conto kon schrijven was de regeling van het naoorlogse rechtsherstel. Dat is goed voorbereid. De Duitse bezettingsmaatregelen moesten op een juridisch aanvaardbare wijze worden teruggedraaid. De rechtsherstelwetgeving was noodzakelijk om bijvoorbeeld Duitse oorlogsmisdadigers te kunnen berechten. De voorbereiding van het rechtsherstel dwingt bewondering af. Jurist Fasseur gaat er – vreemd genoeg – bijna geheel aan voorbij.

De biograaf gaat mee in de conclusie van de Enquêtecommissie dat de vlucht de mogelijkheid had geschapen `tot een effectieve voorbereiding van de bevrijding’. Dat is kolder. Nederland had geen leger en van de ferme taal van Gerbrandy en Wilhelmina over Radio Oranje lagen de Duitsers niet wakker. Nederland werd bevrijd door Britten, Canadezen en Amerikanen. De regering in ballingschap heeft aan de bevrijding part noch deel gehad, noch heeft ze daar invloed op kunnen uitoefenen.
Denemarken bijvoorbeeld, dat niet als Nederland een regering in ballingschap had, werd net zo goed bevrijd. Het land is de oorlog zelfs beter doorgekomen dan Nederland. Dat lag voor een gering deel aan de koninklijke familie die in Kopenhagen was blijven wonen.

De regering Gerbrandy heeft ingestemd, zonder zich dat overigens te realiseren, met de naoorlogse dekolonisatie. Nederland behoorde in augustus 1941 namelijk tot de ondertekenaars van het Atlantisch Handvest van president Roosevelt. Koloniën waren de president een doorn in het oog waren. Handelspolitiek speelde daarbij een grote rol, maar zeker ook politieke factoren. Washington wilde na de oorlog behalve een economische ook een dominante politieke rol in de naoorlogse wereld gaan spelen.
Roosevelt voerde tijdens de oorlog een keiharde strijd om de wereldhegemonie en Churchill had geen andere keus dan de president zijn zin te geven. Voor zijn oorlogvoering was Churchill immers volkomen afhankelijk van de Amerikanen.

Het Atlantische Handvest was geen verdrag in formele zin, maar een intentieverklaring. De ‘Declaration by the United Nations’ uit januari 1942 waarin de intenties van het Handvest werden herbevestigd was dat echter wél. Landen met grote koloniën, zoals Nederland, Groot-Brittannië en Frankrijk, gingen daarin akkoord met het afschaffen van hun ‘overzeese gebiedsdelen’.
Zowel het handvest als de Declaration zijn van grote betekenis geweest voor naoorlogs Nederland en ons afscheid van de koloniën. Maar de impact lijkt niet tot de regering-Gerbrandy te zijn doorgedrongen. Ook niet tot Fasseur trouwens. Zijn gebrek aan kennis van internationale betrekkingen breekt hem hier op.

Wat de beide kabinetten Gerbrandy de facto hebben betekend, laat de biograaf helaas in het midden. Fasseur analyseert niet, maar beschrijft slechts gebeurtenissen die in veel gevallen – zeker achteraf gezien, dus dat wist hij – zonder veel betekenis zijn geweest.
Niettemin is het een prettig leesbaar boek geworden met veel anekdotes over het leven van Pieter Sjoerds Gerbrandy. De Man Met De Walrussnor.

Cees Fasseur, Eigen meester, niemands knecht. Het leven van Pieter Sjoerds Gerbrandy. Minister-president van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam 2014, 606 pagina’s, € 24,95.