Berichten

Geld, Koningshuis en Onkosten

Als het om geld, onkostenvergoedingen en het Huis van Oranje gaat, verandert er nooit iets. Ministers verzinnen uitvluchten en draaien  steevast om de hete brij heen. Voor problemen met het koningshuis zijn ze allergisch.
Hieronder een fragment uit mijn boek Bernhard. Niets was wat het leek  uit 2014. De prins had een excessieve vloot aan rijdend en vliegend materiaal waarvoor de belastingbetaler moest opdraaien. Ministers verduisterden daarom de kosten van Bernhard om gezeur, kritiek en erger te voorkomen. De overeenkomsten met de meubelinterieurkwestie die NRC vandaag naar buiten bracht zijn buitengewoon opvallend.

Neveninkomsten

Wat bracht Bernhard tot zijn nering? Als echtgenoot van Juliana toucheerde hij twee ton per jaar van de Nederlandse Staat. Als Inspecteur-generaal van de Koninklijke Landmacht kreeg hij een vergoeding in de vorm van representatiekosten van 10000 gulden per jaar. Voor zijn nieuwe taak had de prins een auto nodig. Het onderhoud en de benzinekosten kon hij declareren. Over onkostenvergoedingen koesterde de prins ruime opvattingen. Alle facturen stuurde hij door naar het ministerie van Oorlog. Een auto hoefde hij uiteraard niet uit zijn representatiekosten te betalen. Bernhard had auto’s bij de vleet. Vliegtuigen trouwens ook.

Hij was al spoedig de grootse particuliere auto- en vliegtuigbezitter van Nederland. Sommige auto’s waren eigen bezit, maar de meeste waren achtergelaten door de bezetter en vielen de Nederlandse staat toe als oorlogsbuit. Bernhard had daar geen boodschap aan. Hij nam wat hij wilde en liet ook de mannen van zijn BS delen in de confiscatievreugde. Het maakte hem buitengewoon populair. De redenering binnen de BS was dat na vijf jaar van roven door de Duitsers het nu hoog tijd was voor revanche onder het motto ‘pak wat je pakken kunt’.
(…)
Bernhard en zijn staf op Het Loo hadden een eigen luchtmacht en wagenpark met daarin onder andere de geconfisqueerde Mercedes van de Duitse Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Het was de gewoonte om achtergelaten Duitse auto’s bij de prins in te leveren. Zo bezat hij een Lancia en een Alfa Romeo, zes Mercedessen, een Buick, een Horch en een Mercury Sedan. Zijn staf reed rond in acht jeeps. Bernhard schuwde ook de betere motorfiets niet en had twee Harleys, een B.S.A., een Calthorpe, een Matchless en een Ariel in zijn stal. Verder stonden er vrachtauto’s jeeps en amfibievoertuigen op zijn naam.

Een aantal auto’s werd door Bernhards persoonlijke staf gebruikt; de rekeningen gingen naar het ministerie van Oorlog. Dat hij tegelijkertijd over een aantal vliegtuigen beschikte, kon de minister evenmin zijn ontgaan, want de onkosten- en brandstofrekeningen belandden allemaal op zijn bureau. Wat een Inspecteur-generaal van de landmacht met al dat vliegend en rijdend materieel moest wist niemand, maar zoals gewoonlijk vonden de meeste betrokken bewindslieden het moeilijk hem terecht te wijzen, laat staan vragen te stellen.

De prins zelf vond zijn vliegende speeltjes wat aan de kleine kant. Hij bezat vijf, mogelijk zes toestellen. Twee ervan had hij in de oorlog cadeau gekregen, vier waren in beslag genomen Duitse vliegtuigen. Bernhard eiste voor zichzelf een toestel met meer allure, een Inspecteur-generaal van de krijgsmacht waardig. Na de oorlog was er keuze genoeg, en zijn vriend Bedell Smith had een prachtige Dakota in de aanbieding. De minister van Oorlog moest het toestel vanzelfsprekend betalen, hoewel hij niet overtuigd was van het nut.

Om hem over de streep te halen onderstreepte Bernhard dat het vliegtuig door zowel koningin Wilhelmina, als prinses Juliana en hemzelf kon worden gebruikt voor officiële reizen. Ook leden van het kabinet zouden er gebruik van kunnen maken. Via wat rekensommetjes liet hij zien hoe stom het zou zijn de Dakota niet te kopen. En voor de prijs hoefde de regering het niet te laten. Een vriendenprijsje. Om de zaak te bespoedigen schreef hij de minister-president dat de minister van Oorlog de indruk had gewekt dat de zaak in orde was. Bernhard had het ontvangstbewijs voor de machine persoonlijk getekend, ‘te goeder trouw’ uiteraard, zodat hij nu verantwoordelijk was voor de betaling. Dat besefte hij heel goed, maar hij verwachtte wel een bevredigende oplossing voor de kwestie. Die kwam er. Het ministerie draaide op voor de benodigde 25000 dollars en Bernhard kon ermee vliegen wanneer het hem uitkwam. Op kosten van de staat en vanaf Soesterberg. Wel zo handig als je in het Gooi woont.

De representatiekosten voor Inspecteur-generaal, op papier vastgesteld op 10000 gulden per jaar, kreeg hij direct op zijn rekening gestort. Alle kosten die hij maakte declareerde hij naar eigen goeddunken. De Dakota had hij op handige wijze de regering in de maag gesplitst, zodat hij daar vanuit declaratieoogpunt geen omkijken meer naar had. Hij kon het toestel steeds met voorrang gebruiken (heden ten dage geniet het staatshoofd nog steeds voorrang, ook boven de minister-president). De luchtvloot van Bernhard stond bekend als de ‘Vliegdienst van Z.K.H. Prins Bernhard’.

De kosten voor het uitgebreide wagenpark en de kleine vloot vliegtuigen liepen behoorlijk op – zeker in een land waar geld schaars was – maar geprotesteerd werd er nauwelijks. Het ministerie van Oorlog draaide grotendeels op voor het onderhoud en brandstofkosten.
Voor de tweede helft van 1945 alleen al diende de prins een declaratie in voor vliegtuigonderhoud van 8000 gulden. Hij was toen nog maar vier maanden in dienst als Inspecteur-generaal. Vanzelfsprekend betaalde hij de onkosten van zijn omvangrijke staf, ondergebracht in twee villa’s, evenmin uit eigen zak. Het ministerie van Oorlog besloot om het onderhoud voor vliegtuigen die als privé-eigendom werden beschouwd per 1 augustus 1946 stop te zetten. Er werden geen woorden aan vuil gemaakt dat het eigenlijk staatseigendom was. De minister van Oorlog liet niet na erop te wijzen dat de 10000 gulden representatiekosten van de prins een ‘billijke vergoeding’ was voor de onkosten die uit de vervulling van zijn functie als Inspecteur-generaal voortvloeiden.

De Algemene Rekenkamer constateerde in een brief aan de minister-president dat de kosten de pan uit rezen. Ze somde op: het stafkwartier de Zwaluwenberg in Hilversum met een huurprijs van 5040 gulden per jaar terwijl de inrichting van het gebouw 47000 gulden had gekost. Voor het onderhoud van de tuinen en het complex stond 5000 in de boeken. De huisvesting van zijn adjudant vergde 3000 per jaar, voor de huisvesting van een Canadese luitenant-kolonel militair was nog geen bedrag bekend (net zo min als wat hij daar te zoeken had). De Vliegdienst van de Inspecteur-generaal van de Landmacht had 1 augustus 1946 30000 gulden gekost, en verder waren er nog een aantal punten van discussie.

De Rekenkamer wilde graag weten wat ‘de doelmatigheid’ van al die uitgaven was. De Rekenkamer maakte er ook bezwaar tegen dat al die uitgaven waren verspreid over een ‘groot aantal begrootingsposten’. Vanuit het oogpunt van overzichtelijkheid prefereerde de Rekenkamer een begrotingspost waarop alle uitgaven waren verantwoord die verband hielden met ‘de positie van Zijne Koninklijke Hoogheid.’

De minister van Oorlog, door de minister-president om commentaar gevraagd, vond dat de kosten ‘redelijk en verantwoord’ waren. Tegelijkertijd maakte hij bezwaar om de uitgaven van prins Bernhard op één begrotingspost samen te vatten. Vermoedelijk omdat hij de kosten – in weerwil van zijn eigen woorden – eigenlijk te hoog vond. Als die onder één noemer werden gebracht zou dat kunnen leiden ‘tot een openbare en zeer zekere ongewenste kritiek op de uitgaven van Zijne Koninklijke Hoogheid’.

Uit: Bernhard. Niets was wat het leek, pp. 210-213
De eindnoten (bronnen) zijn in dit fragment weggelaten, maar staan uiteraard wel in het boek.

Voor het NRC-artikel: https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/08/de-geheime-deal-rond-de-paleismeubels-van-de-koninklijke-familie-a3972645

Wat kost het Nederlandse koningshuis de belastingbetaler per jaar? In ieder geval veel meer dan de Rijksbegroting ons wil doen geloven. De totale uitgaven voor Willem-Alexander, Máxima en Beatrix (de ‘uitkeringtrekkers’ in het jargon) komen dit jaar uit op 59,4 miljoen euro.  Volgens een nieuw onderzoek van het tijdschrift De Republikein in samenwerking met het Republikeins Genoot-schap zou dat minstens 349 miljoen euro moeten zijn. Via WillyLeaks@deRepublikein.nl  kregen de onderzoekers veel informatie binnen van onder meer ambtenaren die hun grieven kwijt wilden.

De beveiligingskosten zijn geheim, maar we moeten rekenen op minimaal 40 miljoen euro per jaar. Koningsdag is ook niet gratis. De gemeente die de koning en zijn familie ontvangt, is ongeveer een miljoen kwijt. Koninklijke ‘flitsbezoeken’ aan dorpen en steden (en dat zijn er ongeveer  350 per jaar door Willem-Alexander en Máxima) kosten aan beveiliging en omzetverlies van de middenstand circa 75.000 euro.
Nederland heeft wereldwijd zo’n 140 ambassades en consulaten. De ambassades hebben vaak ruimtes die uitsluitend ten dienste staat voor koninklijk bezoek. Ze staan bijna altijd leeg, maar brengen wel onderhoudskosten met zich mee. Dankzij WillyLeaks weten we dat onze royals in de praktijk vaak liever kiezen voor een suite in een peperduur hotel. Dat kost extra geld, ook voor beveiliging.

Toen Willem-Alexander nog kroonprins was en als hobby aan waterbeheer deed, ontstond er op het ministerie van Waterstaat een complete ambtelijke unit ter ondersteuning van zijn liefhebberij.

De ambassade in Parijs mag zich regelmatig verheugen in een bezoekje van Máxima die bij het kopen van haar schoenen en haute couture het liefst onopvallend in Parijs verblijft en bekende hotels mijdt. Het koningshuis neemt het regeringsvliegtuig volgens de RVD altijd in het nationale belang. Schoentjes en kleding van de koningin vallen daar kennelijk ook onder. En natuurlijk moet er bewaking mee.

Alle contacten in het buitenland, ook als ze privé zijn, worden door Buitenlandse Zaken begeleid en ondersteund. Alle gesprekken, hoe futiel ook, worden voorbereid.
Consulaten en ambassades zijn wekenlang in de weer om niets aan het toeval over te laten. Ambtenaren die vonden dat privé-activiteiten buiten hun functieomschrijving vielen, klaagden liever niet, omdat het hun carrièrekansen schaadde.

Het rapport besteedt veel aandacht aan het vermogen van de koning. Het is niet uitgesloten dat de fiscus miljoenen misloopt. Het rapport beweert niet dat de koning fraude pleegt, maar de omvang van hun vermogen, door Quote geschat op circa 900 miljoen, is gezien de historisch traceerbare opbouw van het Oranjekapitaal onwaarschijnlijk laag.
De RVD beweerde aan de vooravond van Willem-Alexanders koningsdagbezoek aan Groningen dat hij geen aandelen heeft in Shell of andere ‘koninklijke’ bedrijven, zoals Philips.

Met het oog op de Groningse gasbevingen was dat een handige zet. Maar volgens de voormalig  directeur van het Koninklijk Huisarchief, Bernhard Woelderink, heeft de familie wel degelijk aandelen Shell en Philips. Misschien staan ze niet op naam van de koning, maar op die van Beatrix of mogelijk zijn ze ondergebracht in stichtingen of trusts. Mogelijkheden zat en dat de Oranjes de offshore wegen kennen én bewandelen is al vaker in het nieuws geweest.

Dit artikel verscheen eerder in Argus