Berichten

Prinses Margarita weende op tv over haar opa, prins Bernhard. Het is natuurlijk hartverwarmend als de kleindochter in tranen uitbarst bij het zien van foto’s van haar in 2004 overleden grootvader, maar als dat gepaard gaat met opmerkingen die kant noch wal raken en bovendien de geschiedenis geweld aandoen, behoeft dat correctie. Anders dan Margarita beweerde was er immers wel degelijk iets meer aan de hand dan een foute keuze in Bernhards jonge jaren. Niet voor niets ontkende haar opa tot aan zijn laatste snik lid te zijn geweest van de Duitse nazipartij; de partij die tientallen miljoenen het leven heeft gekost.

Toen Hitler op 30 januari 1933 kanselier van Duitsland werd, ontstond er onder opportunisten een run op het partijlidmaatschap. Tussen januari en april 1933 groeide het aantal leden van ongeveer 850.000 tot meer dan 2,5 miljoen. De partij kon die toevloed niet aan; op 1 mei 1933 werd een opnamestop ingevoerd die pas in 1937 werd opgeheven.

Prins Bernhard nam geen halve maatregelen. Op 27 april 1933 had hij zich gemeld bij de Deutsche Studentenschaft, een door nazi’s gedomineerde studentenvereniging. Vier dagen later, op 1 mei 1933, verwierf hij het officiële lidmaatschap van de NSDAP (nummer 2583009). Hij had, gezien de opnamestop, dus geluk dat hij überhaupt lid mocht worden. Overigens kan Bernhards toetreding tot de nazipartij hem nauwelijks worden verweten. Hij was nog jong en de excessen en moordpartijen die in naam van de NSDAP zijn bedreven, lagen nog in het verschiet.

Dat hij lid bleef na de eerste moordpartijen in naam van zijn partij is echter moeilijk goed te praten. Hij stoorde zich kennelijk ook niet aan arrestaties van medeburgers die tegen Hitlers politiek gekant waren en in concentratiekampen werden opgesloten of erger. Overal gebeurt wel eens wat.

Bernhard melde zich ook als lid van de SS en de SA, alle twee organisaties van de NSDAP. Die lidmaatschappen heeft hij nooit ontkend. Vermoedelijk omdat veel mensen hem in uniform hadden zien paraderen. Tegen historicus Loe de Jong beweerde hij om zuiver opportunistische redenen lid te zijn geworden. Als rechtenstudent zou het lidmaatschap van een naziorganisatie de enige manier zijn geweest om examen te kunnen doen. Hij was daarom eerst een maand of zes lid geweest van de Motor-SA; daarna was hij bij de ‘Lucht-SA’ gegaan om te leren vliegen. Dat had bovendien als voordeel dat het ‘uniform aardiger’ was. En een mooi uniform is natuurlijk mooi meegenomen. Maar hij was er nog voor zijn examen ‘uitgesmeten‘ en toen had er niets anders op gezeten dan aspirant-lid van de SS te worden. Na het rechtenexamen had hij onmiddellijk bedankt. De SS- en SA-afdeling waarvan hij lid was geweest waren volgens Bernhard eigenlijk niet meer dan gezelligheidsverenigingen geweest met uitsluitend jonge, idealistische, Duitsers. Het is allemaal onzin. Niet SS- en SA-leden konden ook examen doen. Als een bewijs van trouw aan het Hitlerregime een vereiste zou zijn geweest voor het afleggen van examens was zijn NSDAP-lidmaatschap voldoende geweest. Maar dat lidmaatschap verzweeg hij tegenover De Jong. Tegenover iedereen trouwens en als het ter sprake kwam ontkende hij het (gespeeld) hevig verontwaardigd.

Door een floers van tranen beweerde Margarita dat haar opa niet voor de SS had gekozen, wat aantoonbare onzin is (hij heeft het nota bene zelf toegegeven). En opa Bernhard was ook geen lid geweest van de Hitlerjugend, de jeugdorganisatie van de NSDAP. Dat klopt, en dat heeft ook nooit iemand beweerd. Bernhard was domweg al te oud voor een jeugdvereniging.

Bernhard bleef de partij trouw na de ‘Nacht van de Lange Messen’ (de Röhm Putsch) op 30 juni 1934 waarbij tenminste vijfentachtig maar vermoedelijk tegen de duizend (al dan niet vermeende) tegenstanders van Hitler werden vermoord. Behalve van de top van de Sturmabteilung (SA) waartegen de actie in eerste instantie was gericht, ontdeed Hitler zich ook van politieke tegenstanders van zijn NSDAP. Bernhard zat er niet mee.

Op 15 september 1935 voerde Hitler de Rassenwetten van Neurenberg in waardoor joden en homoseksuelen ernstig in hun burgerrechten werden beknot. De prins stoorde er zich niet aan en bleef trouw lid.

Margarita zat er ook faliekant naast toen ze beweerde dat opa zijn lidmaatschap had beëindigd vóórdat hij naar Nederland kwam. Pas een dag na zijn officiële verloving op 9 september 1936 schreef Bernhard een briefje aan zijn vriend en partijgenoot Heinrich Langenheim met het verzoek hem als partijlid te laten schrappen. Bernhard zou door zijn huwelijk met Juliana Nederlander worden en moest volgens de statuten van zijn partij daarom bedanken. Buitenlanders konden geen lid zijn. Bernhard besloot zijn briefje met ‘Heil Hitler’.

Ruim een jaar later, op 18 september 1937, was zijn ontslag uit de partij definitief geregeld. Hij was toen al getrouwd met Juliana.

Als kleinkind zou ik ook huilen om zo’n opa. Niet omdat hem zo’n groot onrecht zou zijn aangedaan, maar omdat hij met de hand op de Bijbel heeft bezworen nooit lid te zijn geweest van de NSDAP.

PS.
En met Margarita’s gezwets (in hetzelfde programma van MAX) over opa’s fantastische rol in de Tweede Wereldoorlog moet het ook afgelopen zijn.

 

Met een brisant voorwoord van de auteurs.

Op 5 mei 1945 begint een roerige periode in de Nederlandse geschiedenis, die wat betreft politieke manipulatie ongeëvenaard is.

Premier Beel, collaborateur van der Waals, vastgoedondernemer Zwolsman, prins Bernhard, verzetsman King Kong, crimineel Riphagen en dubbelspion Leonie Brandt spelen een rol in een reeks geruchtmakende schandalen en politieke affaires. Hoewel de landelijke pers uitgebreid onderzoek doet en zaken breed worden uitgemeten, blijft de ware toedracht schimmig.

Door een toeval raakt Willem Sanders in de naoorlogse poel van intriges, gekuip en gekonkel verzeild. Als chef van de Dienst Opsporing van het Bureau Nationale Veiligheid – voorloper van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (nu AIVD) – heeft Sanders zich maar kort kunnen handhaven. De wijze waarop hij abrupt het veld moest ruimen blijkt intrigerend.

Historici Aalders en Hilbrink schreven een boek vol smeuïge verhalen over corruptie, spionage en misdaad in het naoorlogse Nederland. Hun onderzoek naar ‘De affaire Sanders’ leest als een thriller. De werkelijkheid blijkt opnieuw spannender dan de beste fictie.

Beide auteurs schreven ieder een brisant voorwoord waarin ze vertellen hoe ze bij de publicatie van dit spraakmakende boek op allerlei manieren zijn tegengewerkt door het bestuur van het RIOD (nu NIOD), minister-president Wim Kok en natuurlijk prins Bernhard die door het dolle heen was over de bekendmaking van zijn lidmaatschap van de Duitse Nazi partij.

Prins Bernhard bleef tot aan zijn dood ontkennen. In oktober 2023 bevestigde de oud-directeur van het Koninklijk Huisarchief het bestaan van de originele NSDAP-lidmaatschapskaart in het archief van de prins. Een onomstotelijke bevestiging van het feit dat Bernhard een perfide leugenaar was.

 

Prins Bernhard was geen ‘schavuit’ maar gewoon een schurk; leugenachtig tot op het bot. Voor ons, republikeinen, is dat oude koek, maar de media raakten totaal overstuur van het oude nieuws over zijn NSDAP-lidmaatschap. De consequenties van dat gelieg over zijn naziverleden zouden wel eens ernstiger kunnen zijn dan de levenslange ontkenning een nazi te zijn geweest. Want waarom zou je een man die met de hand op de Bijbel liegt nog geloven?

Al in 1996 kwamen Coen Hilbrink en ik in de affaire-Sanders met niet minder dan vijfendertig documenten die het NSDAP- lidmaatschap van Bernhard onomstotelijk bewezen. Bernhard bleef dat feit tot zijn laatste snik ontkennen. Voor Oranjeklanten was dat voldoende. Voor het bestuur van het NIOD – waar ik toen werkte – ook, al moest het later bakzeil halen, zij het met de grootst mogelijke tegenzin.

Nu is zijn lidmaatschapskaart toch gevonden. Het ding had al die tijd in Bernhards archief gelegen. Plotseling stond alles wat Bernhard had beweerd op losse schroeven en dat is winst. Het bestuur van het Prins Bernhard Cultuurfonds (alleen al het verbinden van zijn naam met cultuur is een gotspe) vroeg zich af of de naam van het fonds ongewijzigd kon blijven. Heeft het bestuur dan al die jaren onder een steen geleefd? Inderdaad. Heel lang, maar dat is nu voorbij. Het Prins Bernhard Cultuurfonds is omgedoopt in Het Cultuurfonds.

Het CIDI vroeg zich af of er geen nader onderzoek moest worden gedaan naar de bewering dat Bernhard een miljoen gulden uit de Duitse Wiedergutmachung had losgepeuterd. Dat fonds was bedoeld voor joden die slachtoffer waren geworden van Bernhards voormalige partijgenoten, maar die de verschrikkingen van de Holocaust hadden overleefd. Een onderzoek is nergens voor nodig. Dat heb ik al gedaan. Het resultaat staat in de Republikein, nr. 2, 2008. Helaas leest niet iedereen dat blad, maar het nieuws stond ook uitgebreid in de kranten en haalde het NOS-journaal en ‘NOVA’, de voorloper van ‘Nieuwsuur’.  Ik had een geannoteerde versie beschikbaar gesteld, maar die is nooit door iemand opgevraagd. CIDI kom alsjeblieft – net als nog niet zo lang geleden het Bernhard Cultuurfonds – onder jullie steen vandaan en lees de versie met voetnoten.

Willem-Alexander beweerde onlangs, mede dankzij de publicatie van de lidmaatschapskaart, het familiearchief open te willen stellen tot 6 september 1948. De koning, zelf historicus, beweert transparante geschiedschrijving toe te juichen. Dat is mooi, maar ik ben bang dat het een loze belofte is. Het Koninklijk Huisarchief, volledig door de belastingbetaler gefinancierd, heeft de rechtsvorm van een stichting. Die valt niet onder de archiefwet en is daarom ook niet voor iedereen toegankelijk. Toegang kan alleen de voorzitter van de stichting – Willem-Alexander – verlenen. Toegang is een gunst, geen recht. Als hij zijn belofte gestand wil doen, zal het Koninklijk Huisarchief de status van Rijksarchief moeten krijgen. Dan valt het onder de archiefwet en de daarin vastgestelde normen voor toegang.

Als ik wil onderzoeken of Bernhard zich inderdaad met illegale wapenhandel in Indonesië heeft beziggehouden zou ik graag zijn papieren nalatenschap willen doorvlooien. In de overheidsarchieven is niets te vinden, zoals er vrijwel nooit iets is te vinden dat het koningshuis reputatieschade kan bezorgen.

Ik ga de koning binnenkort maar eens om toestemming vragen.

Dit artikel verscheen eerder in De Republikein, nummer 4, december 2023