Berichten

Niet alleen gebrek aan empathisch vermogen

De discussie over racisme naar aanleiding van de dood van George Floyd is buitengewoon verwarrend. Alles wordt door elkaar gehusseld: racisme, diversiteit, kolonialisme, discriminatie, uitbuiting, xenofobie, slavernij en noem het verder maar op. Menig standbeeld is ontsokkeld en ‘helden’ uit de geschiedenis degraderen in ras tempo tot schurken. Vreemd genoeg schitteren de Oranjes in dit debat door afwezigheid, terwijl ze toch bergen boter op hun hoofd hebben.

Wat betreft uitbuiting en moordzuchtig wangedrag staat de Belgische koning Leopold II met stip op één. Zijn geweldorgies in Congo hebben miljoenen het leven gekost. Hij staat nu ter discussie. Nederland daarentegen lijkt de daden van (vooral) koning Willem I en de weerzinwekkende opstelling van koningin Wilhelmina ten opzichte van de koloniën totaal te hebben vergeten.

Cultuurstelsel

Het beheer van de koloniën viel volgens de Grondwet toe aan de koning. Willem I richtte de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM) op – waarvan hij zelf grootaandeelhouder was – om zoveel mogelijk winst uit Indië te persen. Het Cultuurstelsel – ingevoerd in 1830 – was voor Willem en zijn medeaandeelhouders zeer profijtelijk, maar voor de inheemse bevolking een ramp. Boeren werden gedwongen twintig procent van hun beste landbouwgrond te gebruiken voor de teelt van koffie, thee, suiker en andere producten. Alles bestemd voor de Europese markt. Vervoer en verkoop waren in handen van de NHM, dat tegenwoordig ABN AMRO heet. Wie geen producten kon leveren moest 66 dagen per jaar voor het gouvernement te werken. Het stelsel bracht uitbuiting, honger en armoe met zich mee.

Opiumgebruik hield de onderdrukte bevolking koest, wat de NHM evenmin windeieren heeft gelegd. Opiumhandel was een tijdlang zelfs de lucratiefste inkomstenbron van de NHM. Handel in opiaten was niet verboden, maar de directie (en dus grootaandeelhouder Willem) wisten drommels goed dat het spul ‘verwoestend [was] voor de zedelijkheid, werkzaamheid en vermenigvuldiging van de bevolking’. Maar ja, opium leverde vette winsten op en daar ging het tenslotte om.

Willem I was persoonlijk verantwoordelijk voor de koloniale Java-oorlog (1825-1830) die aan circa 200.000 Indonesiërs het leven heeft gekost. Als de ‘opstandige’ Javanen (ze weigerden het gezag van Willem te aanvaarden) niet wilden luisteren, speelden ze letterlijk met hun leven.

Willem II was de laatste die persoonlijk aansprakelijk was voor het koloniale beleid. Met de Grondwetswijziging van 1848 ging de verantwoordelijkheid over op de ministers, maar koning Willem II en III alsook koningin Wilhelmina konden zich prima vinden in de Haagse koloniale politiek. Sinds de stichting van het koninkrijk zijn onder de Indische bevolking minstens 600.000 doden gevallen. Vrouwen en kinderen waren evenmin veilig. Ze kwamen met duizenden om in de vlammen toen hun kampongs werden platgebrand. Het waren moordpartijen, maar de regering sprak sussend van ‘excursies’, ‘pacificatie’ of ‘politionele acties’.

‘Held van Atjeh’

Koningin Wilhelmina heeft de oorlog tegen de ‘opstandige’ bevolking van Atjeh enthousiast gesteund. Generaal Van Heutsz die de overwegend islamitische – zeker geen pluspunt in Wilhelmina’s ogen – bevolking meedogenloos in het gareel dwong en daarbij geen bloedbad schuwde, vereerde ze als de ‘held van Atjeh’. Ze ontving haar ‘held’ met alle egards om hem te onderscheiden met een medaille en te bedanken voor zijn inzet. In haar biografie schrijft ze tevreden dat van Van Heutsz met zijn slachtpartijen een ‘waarlijk groots werk’ had verricht.

Wilhelmina noch haar voorgangers hebben ooit enigerlei vorm van medelijden getoond met de doden die tijdens hun koningschap vielen. Indonesiërs die het Nederlandse bewind niet accepteerden, waren volgens Wilhelmina ‘extremisten’ en die moesten simpelweg worden ‘opgeruimd’. Het zou geen overbodige luxe zijn het gedrag van de Oranjes in de koloniën eens aan de kaak te stellen. Misschien een idee voor de volgende toespraak van Willem-Alexander bij de dodenherdenking op de Dam? En dan wel graag in heldere bewoordingen.

Dit stukje verscheen eerder in De Republikein, nummer 3, september 2020

Hormonarchie

Democratisch gekozen staatshoofden mogen doorgaans een of twee ambtstermijnen aanblijven. Het minimaliseert de kans op machtsmisbruik, vriendjespolitiek, nepotisme en niet te vergeten afpersing. Vorstenhuizen daarentegen blijven decennialang aan de macht en leveren generatie na generatie het staatshoofd. Zijn zij dan afpersingsbestendig? We nemen als willekeurig voorbeeld het Huis van Oranje.

Dat ondervond koning Willem II wiens biseksualiteit en buitenechtelijke affaires bij enkele journalisten bekend waren. Die wilden dat best geheim houden, mits de koning met geld over de brug kwam. Willem heeft kapitalen uitgegeven om te voorkomen dat zijn biseksuele voorkeur en buiten-de-deur-geneuk publiekelijk bekend werden.
In 1819 – Willem was nog kroonprins – kreeg hij een anonieme brief met de mededeling dat er een pamflet klaarlag waarin zijn ‘schandelijke en onnatuurlijke lusten’ uitgebreid uit de doeken zouden worden gedaan. Als Willem publicatie wilde voorkomen, moest hij  63.000 gulden (ruim een half miljoen euro) zwijggeld betalen.

De afperser, Adam Boers, werd weliswaar in de kraag gevat, maar hem voor de rechter slepen was uitgesloten: dan zou het schandaal immers alsnog openbaar worden. De boef werd stilletjes op een boot naar Suriname gezet. De schuit leed onderweg schipbreuk maar Boers overleefde, vestigde zich in Parijs en begon vanuit Frankrijk aan een nieuw rondje afpersen. Zijn Belgische kompaan, die naar Batavia was verbannen, vertrouwde zijn kennis over Willems geheime seksleven toe aan luitenant Regnerus van Andringa de Kempenaer. De luitenant was nog niet terug in Nederland of hij zette de koning onder druk. Om een schandaal te voorkomen zag Willem zich gedwongen opnieuw de geldkraan open te draaien.

Prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina, liet een schare buitenechtelijke kinderen na. Dankzij geknoei in bevolkingsregisters en vervalsing van geboortebewijzen bleef Hendrik buiten beeld, maar geheel onopgemerkt bleef het toch niet. Wilhelmina huurde François van ’t Sant in, hoofdcommissaris van de Haagse politie, om de seksuele uitspattingen van haar echtgenoot te verdoezelen en, indien noodzakelijk, financiële regelingen te treffen.  Van ’t Sant probeerde steevast – vaak tegen al eerder gemaakt afspraken in –  de kosten voor alimentatie en zwijgen te drukken. Zoals bekend hebben de Oranjes een bloedhekel aan betalen, maar de reputatie van de monarchie dreigde bezoedeld te raken en dat was voor Wilhelmina (haast) nog erger dan geld uitgeven.

Toen Pim werd geboren als liefdesbaby van prins Hendrik en Mien Abbo-Wenneker werd een andere oplossing bedacht. Mien, die gehuwd was en dus overspel had gepleegd, scheidde van haar man en hertrouwde met luitenant Jan Derk Lier. De luitenant erkende Hendriks bastaard als zijn zoon. De halfbroer van koningin Juliana ging voortaan door het leven als Pim Lier.
Mien kreeg een ton op haar spaarbankboekje gestort; daarnaast ontving het echtpaar duizend gulden per maand, wat Van ’t Sant tegen alle afspraken al snel weer terugschroefde tot de helft.
Hendriks hormoongestuurde gedrag was een doorn in het oog van minister-president Hendrik Colijn. Terecht was hij bang dat Hendriks gedrag zou uitlekken. Als ministerieel verantwoordelijke zou hij dan met de gebakken peren zitten, want een crisis rond het populaire koningshuis zou hem bij de volgende verkiezen electoraal kunnen schaden. Hendriks uitspattingen moesten daarom koste wat kost de doofpot in en daar voor altijd blijven.

Prins Bernhard heeft het aan Hendriks excessieve seksleven te danken dat hij wél een uitkering van staatswege kreeg. De gedachte was dat een eigen jaarinkomen Bernhard financieel onafhankelijk maken zou zodat hij – in tegenstelling tot Hendrik – met belastinggeld zijn maîtresses en hoeren kon betalen. Hendrik had nauwelijks een cent te makken gehad zodat Wilhelmina voor zijn buitenechtelijke pleziertjes opdraaide. Naar goed Oranjegebruik kwamen die financiële lasten voortaan op de schouders van de belastingbetaler te rusten. Maar de oversekste en corrupte Bernhard vierde het leven buiten het echtelijke bed zo uitbundig dat hij steekpenningen moest aannemen om zijn alimentatie- en zwijgkosten te kunnen betalen.
Bernhard kon moeilijk anders. Het onderhouden van zijn buitenechtelijke kinderen en maîtresses kostte veel meer geld dan zijn jaarwedde van een ton hem opleverde. Daarnaast was hij slachtoffer van afpersers die weet hadden van zijn seksleven en omkoopbaarheid.

Afpersing kan, behalve de koninklijke privésfeer en de reputatie van het koningshuis, óók het landsbestuur schaden. Buitenlandse inlichtingendiensten, waaronder de Britse, Amerikaanse, Franse (en vermoedelijk ook Russische), volgden Bernhards activiteiten op de voet. Kennis van Bernhards wangedrag hield het gevaar in dat de politiek van de Nederlandse regering door vreemde naties kon worden beïnvloed. Het kabinet-Drees, maar ook koningin Juliana, hebben zich om die reden grote zorgen gemaakt over het gedrag van prins Bernhard.
Kranten spelen in de wereld van afpersing en corruptie een belangrijke rol. Zij kunnen immers affaires, die geheim moeten blijven, aan de grote klok hangen. Chanteurs kunnen zo hun slachtoffers gemakkelijk onder druk zetten. Wie niet betaalt wordt aan de schandpaal genageld.

De regering besefte dat vreemde inlichtingendiensten dynamiet in handen hadden. Er waren signalen dat de prins betrokken was bij illegale wapenhandel. Ook zou hij contacten onderhouden met louche banken en schimmige bedrijven. Bovendien bemoeide hij zich achter de schermen met Indonesië dat druk bezig was zich van het ‘moederland’ af te scheiden. Ook onderhield hij nauwe contacten met het bedrijfsleven dat de kolonie voor Nederland wilde behouden. Die inmenging mocht nooit naar buiten komen. De situatie was nu dubbel penibel: behalve dat de naam van het koningshuis bezoedeld dreigde te raken, was de kans ook levensgroot dat Bernhard met zijn ondoordachte gedrag het beleid van de Nederlandse regering zou doorkruisen.

Erfopvolging is een goudmijn voor afpersers. Een gekozen staatshoofd heeft maar relatief kort tijd zich chantabel te maken. Als hij aftreedt, kunnen onthullingen over zijn leven weinig kwaad meer. In een systeem van erfopvolging ligt dat precies andersom. Er zijn veel redenen om de monarchie af te schaffen. De mogelijkheid van afpersing is er eentje van.

Dit artikel verscheen eerder in Propria Cures, 15 juni 2019

Welke halfgare in de krochten van het Openbaar Ministerie heeft besloten om een zwarte-pieten-activist die ‘fuck de koning, fuck de koningin’ riep te vervolgen voor majesteitsschennis? In België moet Koning Flip zelf aangifte doen als hij zich beledigd voelt, maar in Nederland gebeurt dat ‘ambtshalve’. Hoe dat in zijn werk gaat is volslagen onduidelijk. Het kan een overijverige, monarchistische ambtenaar op het OM zijn, of de minister van Justitie die een wit voetje wil halen bij het koningshuis, maar evengoed de koning zelf die (laat) weten dat wat hem betreft de maat vol is.

Niemand die het weet. Ik heb Beatrix er wel eens van verdacht dat als ze zich in haar koninklijke waardigheid gekwetst voelde dat via haar kabinet liet weten en het geval zo doorspeelde naar justitie. Te bewijzen valt het niet, maar kennelijk hadden sommige veroordelingen wel haar instemming. Zoals in het geval van de man die in 2010 een waxinelichthouder naar de Gouden Koets gooide.

Tijdens zijn roemruchte worp schold hij de inzittenden van de Koets luidkeels uit voor ‘landverraders’ en ‘nazi’s’. De man, bij wiens aanhouding volgens het OM vast stond dat hij geestelijk gestoord was, werd niet alleen veroordeeld voor het beledigen van de koningin, Willem-Alexander en Máxima, maar kreeg ook straf voor het beschadigen van de Gouden Koets en voor poging tot mishandeling van twee lakeien die ernaast liepen. In werkelijkheid liepen noch de lakeien noch de Koets een schrammetje op. In totaal zat de man ongeveer twee jaar vast. Een deel van de tijd in de extra beveiligde gevangenis in Vught. Daar sluit je normaal gesproken types op als Willem Holleeder.

De straf was buitenproportioneel – als hij inderdaad gestoord was hoorde hij in een inrichting thuis – maar Beatrix was het er blijkbaar mee eens. Een seintje van haar was voldoende geweest de man te laten gaan. Dat dit niet is gebeurd, zegt hoogstwaarschijnlijk iets over hoe Beatrix tegen dit geval van majesteitsschennis aankeek. Ik kan me overigens niet voorstellen dat Willem-Alexander er net zo over denkt als zijn moeder. Zijn adviseurs schijnen hem zelfs geadviseerd te hebben Luckytv geweldig te vinden, terwijl hij daar toch met enige regelmaat op een voor hem niet leuke wijze te kijk wordt gezet.

‘Majesteitsschennis’, de wet kent dat woord niet, maar spreekt van ‘hoon en laster’, is een archaïsche wet uit de voorvorige eeuw (1866). Koning Willem III, onder tijdgenoten beter bekend als ‘Koning Gorilla’, kon slecht tegen kritiek en dus kwam er een wet om criticasters op te sluiten of zwaar te beboeten. Er stond maximaal vijf jaar gevangenisstraf voor of een boete van driehonderd gulden. Dat is volgens het Wetboek van Strafrecht, artikel 111-113, waarin het beledigen van de majesteit en de toe te passen straf staat omschreven, nog steeds zo. De boete is met zijn tijd meegegaan: die is nu 20.250 euro maximaal.

Majesteitsschennis en het recht op vrije meningsuiting staan op gespannen voet met elkaar. In de tijd van Koning Gorilla bestond er recht op vrije meningsuiting maar dat werd in de ogen van de koning misbruikt en daarom kwam er in 1866 die speciale wet. Twee andere ‘perswetten’, uit 1829 en 1830 (de tijd van koning Willem I) hadden het bekritiseren van de koning ook al strafbaar gesteld, maar die boden de lange koninklijke tenen kennelijk toch te weinig bescherming. Willem II had betrekkelijk weinig last van majesteitsschennis. Dat kwam omdat hij biseksueel was. Een aantal journalisten die dat wisten chanteerden hem daarmee. De homoseksuele escapades van de getrouwde Willem mochten onder geen beding naar buiten komen, en daarom kocht hij zijn kwelgeesten af. Er waren tonnen aan zwijggeld mee gemoeid.

Willem III was een koning die eigenlijk nergens voor deugde, hoewel hij als hobby één aardig karaktertrekje had: hij bezocht graag slachtoffers van een watersnood. Voor een watersnoodje kon je Willem uit zijn bed halen.
Over zijn leven verscheen vlak voor zijn zeventigste verjaardag (1887) een boekje: Uit het leven van Koning Gorilla. Veel van wat erin stond was waar: de koning zoop, beledigde, schoffeerde, bezocht de laagste bordelen, martelde dieren en zo nu en dan schiep hij er behagen in zijn vorstelijk lid aan den volke te tonen, want hij was ook een potloodventer. De auteur(s) van het schotschrift konden om uiteenlopende redenen niet worden vervolgd, maar indirect koelde de koning zijn woede op de voorman van de socialisten Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Hij was hoofdredacteur van Recht voor allen waarin ‘Koning Gorilla’ regelmatig figureerde.
Toen Domela eens opmerkte dat de koning ‘weinig van zijn baantje had gemaakt’, kreeg hij een jaar gevangenisstraf. Toch had hij het met zijn opmerking volkomen bij het rechte eind. Maar Domela was socialist; een mensensoort die in de tijd niet erg werd gewaardeerd en al helemaal niet door de koning.

Veroordelingen wegens majesteitsschennis waren aan het einde van de negentiende eeuw vooral bedoeld om lastige socialisten een tijdje op te bergen. Vrouwe Justitia speelde destijds een bedenkelijke rol en dat heeft ze eigenlijk voortdurend gedaan, zodra majesteitsschennis op de rol stond. Er is sprake van zo’n willekeur in berechting, sinds de wet op de majesteitsschennis in 1866 in het Wetboek van Strafrecht werd opgenomen, dat men zich kan afvragen of – om nog meer idiote vervolgingen te voorkomen – de wet niet beter per direct naar de vuilnisbelt van de wetsgeschiedenis kan worden verwezen.

In de tijd van koningin Wilhelmina zijn er heel wat vonnissen geveld en mensen naar de gevangenis gestuurd of boetes opgelegd om de meest futiele redenen. L.M. Hermans, redacteur van De Roode Duivel, kreeg een half jaar cel omdat hij koningin Wilhelmina en haar moeder Emma als danseresjes in zijn blad had getekend. Totaal onschuldig, maar Hermans was socialist en tegen ‘troon, altaar en beurs’. Hij heeft overigens veel geschreven waarvoor een rechter hem wél met goed fatsoen had kunnen veroordelen. Maar net als vandaag de dag was willekeur troef.

Dat ondervond ook Alexander Cohen, een medewerker van Recht voor allen. Toen het rijtuig van de koning Willem III hem passeerde, op 16 september 1887, riep hij: ‘Leve Domela Nieuwenhuis! Leve ’t Socialisme! Weg met Gorilla!’ Hij werd subiet voor de rechter gesleept. Ondanks zijn werkelijk magistrale verdediging kreeg hij een half jaar gevangenisstraf. Hij week uit naar België en later Frankrijk. Nederland liet echter niet los en heeft beide landen bewogen Cohen uit te wijzen. Uiteindelijk is het slecht met Cohen afgelopen: hij eindigde zijn leven als monarchist.

De rechters deden dus maar wat als er majesteitsschennis in het geding was. Je zou bijvoorbeeld verwachten dat Pieter Jelles Troelstra, de voorman van de ‘rooien’ uit het begin van de vorige eeuw zou worden opgepakt, toen hij in 1921 over het erfelijk koningschap zei: ‘Erfelijkheid moge een geschikt leidend beginsel zijn voor paard- en rundvleesstamboeken, voor het bekleeden van publieke ambten kan het nu eenmaal geen leidraad geven’.  Koningin Wilhelmina had niet echt een hekel aan de rode onruststoker. Misschien dat Troelstra er daarom mee wegkwam.

De anti-zwarte-piet-activist, Al Jaberi, die nu een boete van 500 euro krijgt opgelegd wegens majesteitsschennis, zat er overigens helemaal naast met zijn opmerking over de Gouden Koets. Volgens hem wordt het slavernijverleden in Nederland niet erkend en doet het koningshuis daaraan mee. In de talkshow van Pauw zei hij: `De duidelijkste signalen zijn wellicht het feit dat het koningshuis, het staatshoofd, jaarlijks in een gouden koets rondrijdt, van goud gestolen uit de derde wereld, waar ook afbeeldingen op staan van slaven.’

Dat van die afbeeldingen klopt, maar de koets was een geschenk van het ‘dankbare Nederlandsche volk’ aan Wilhelmina bij haar inhuldiging in 1898. Ze weigerde de Koets vóór de inhuldiging te accepteren. Dat zou niet netjes zijn. Maar een dag ná de inhuldiging nam ze het karos, gebouwd in Amsterdam door de firma Spijker en betaald door Amsterdammers, toch in ontvangst. De Amsterdammers hadden het cadeau met kwartjes bijeen moeten scharrelen.
Met geld dat ze eigenlijk niet konden missen, want de sociale ellende was enorm.

Hermans ergerde zich wezenloos en uitte dat krachtig in zijn brochure De Gouden Kwartjeswagen. Hij vond bijdragen aan de gouden koets pure geldverspilling in een tijd dat de werkeloosheid sinds mensenheugenis niet zo groot was geweest. ‘Aan de ledige haard van den werkman grijnst het spook van den honger en de sporen van gebrek zijn op de smalle bleeke gezichtjes uwer kinderen duidelijk merkbaar.’

Het was een schande, vond Hermans, om arme mensen geld uit de zak te kloppen voor een koningin die aan ‘niets gebrek had’, door te speculeren op ‘gevoelens van eerbied of liefde, die men terecht of ten onrechte koestert’. Deze keer kwam hij ermee weg. Het OM greep niet in, hoewel het ‘kwetsender’ was dan de onschuldige sportprent, waarvoor hij een half jaar de bak in moest.

Het OM doet dus maar wat. Toen en nu. In mijn boek over majesteitsschennis dat dit najaar verschijnt, staan talrijke saillante voorbeelden. Zelden heb ik zoveel willekeur in één boek op een rij moeten zetten. Je vraagt je af of het OM – toen maar ook vandaag de dag – niet wat beters te doen heeft dan zijn tijd te verspillen aan zulke kolder.

Je mag niet ‘fuck de koning’ roepen, en vast ook niet ‘FUCK het OM’, maar ik kan niet anders. En fuck ook de majesteitsschennis!

Boeken