Berichten

Het porseleinen huwelijk liet zien wat er op de achtergrond gebeurde om het trouwen van Willem-Alexander met Máxima mogelijk te maken. De documentaire van BNNVARA maakt duidelijk dat alles uit de kast wordt gehaald om de monarchie ter wille te zijn. Leugens en listen om het doel te bereiken zijn geen probleem.

Wat mij vooral opviel was het woordgebruik van politieke prominenten als Ad Melkert en Bram Peper, beiden PvdA.  Als ze over het koningshuis spraken was hun toon uiterst behoedzaam. Ze zochten naar woorden waaraan niemand aanstoot kon nemen en kennelijk waren ze steeds bang iets verkeerds te zeggen. In normale omstandigheden is hun woordenstroom niet te stuiten. Niet dat ze dan veel zinnigs zeggen, maar op een woord meer of minder kijken ze niet. Hoe anders was dat nu.

Opvallend laf op de vlakte hield zich ook toenmalig PvdA-kamerlid Peter Rehwinkel. In de talkshow Barend & Van Dorp weigerde hij antwoord te geven op de vraag of papa Zorreguieta wel of niet welkom was bij het huwelijk. Onlangs publiceerde Rehwinkel een tenenkrommend slijmboek: Amalia. De plicht roept.

De documentaire maakte duidelijk dat praktisch alles is geoorloofd om aan de wensen van het koningshuis tegemoet te komen. Er wordt met het recht gesjoemeld en er wordt keihard gelogen.

Als Desi Bouterse als lid van een misdadig regime in Nederlands voor het gerecht kon worden gedaagd, kon Zorreguieta dat ook, dus moest de zaak tegen Bouterse van tafel. Dat was de enige manier om een proces tegen Zorreguieta te voorkomen. Jonkheer Joan de Wijkerslooth, voorzitter van het College van procureurs-generaal, wist wel hoe je zoiets kon ritselen en aldus geschiedde. Hij weigerde zich voor zijn opmerkelijke besluit op camera te laten interviewen. Heel verstandig natuurlijk, want het zou ondoenlijk zijn geweest zich daar ook maar enigszins geloofwaardig uit te kletsen.

Gevreesd moet worden dat in het geval van piloot Julio Poch het Openbaar Ministerie zich ook gewillig voor de koninklijke kar heeft laten spannen.

Diplomaat ‘Maximo’ van der Stoel pendelde zich suf tussen de immer chagrijnige premier Wim Kok en Jorge Zorreguieta en bewoog hemel en aarde om hem van de bruiloft van zijn dochter te weren. Premier Kok vertelt later met een stalen gezicht op tv dat het papa’s eigen, oprechte besluit was geweest niet op de bruiloft te komen.

Dat alles gebeurde om een vermeende ‘constitutionele crisis’ te bezweren. De kroonprins dreigde namelijk zonder toestemming van het parlement te trouwen, als hij zijn zin niet kreeg. Als hij dat echt had gedaan had hij geen koning kunnen worden. Dan hadden we geen Willem-Alexander op de troon gehad maar iemand anders uit de familie die daar volgens de Grondwet aanspraak op maakt. Overigens viel op dat het historisch besef van de beide geliefden gevaarlijk dicht bij het nulpunt kwam wanneer het dictatoriale regime van Videla, waaraan papa Zorreguieta had deelgenomen, ter sprake kwam.

De Oranjes zijn dol op het dreigen met een constitutionele crisis. Ze beseffen dat de premier hen altijd tegemoet zal komen, want een crisis rondom het populaire koningshuis leidt alleen maar tot electorale rampen. Van die kennis maken ze handig gebruik.

Zodra ze hun zin niet krijgen wordt dat paardenmiddel van stal gehaald. Het werkt. Niet dat ze ooit vrijwillig zullen opstappen, want het voortbestaan van de Oranjedynastie heeft altijd topprioriteit. Logisch, want een baan met zo’n exceptionele beloning in geld en daarnaast gratis gebruik van paleizen, inboedels, stallen, paarden, vliegtuigen, auto’s, treinen, personeel, jachtvelden en ga zo maar door laat je niet schieten. Zelfs na je pensioen, dat deftig ‘abdicatie’ heet, blijft de staat je heerlijk verwennen met exceptioneel gulle uitkeringen en materiële voorzieningen. Ex-koningin Beatrix kan dat beamen, al zal ze dat niet doen, want ze vindt het doodnormaal.

Het koninklijke salaris heet ‘uitkering’ omdat de term ‘salaris’ onder geen beding mag vallen, want dan krijg je altijd weer dat gezeur over hun vrijstelling van inkomsten- en loonbelasting. Je hebt wel wat anders aan je koninklijke hoofd.

Een saillant detail kwam niet aan bod in de documentaire: de naturalisatie van Máxima die op bevel van schoonmoeder Beatrix met ongekende voortvarendheid plaats vond. Wie Nederlander wil worden moet normaal gesproken vijf jaar hier hebben gewoond of je moet drie jaar met een Nederlander zijn getrouwd. Dat alles gold niet voor Máxima. De procedure duurde welgeteld zeven werkdagen. Normaal is dat vijf jaar. Wetten, zo moet Beatrix hebben gedacht, zijn er om opzij te worden gezet.

Al dan niet met behulp van jonkheer De Wijkerslooth.

 

De reactie van het NIOD

Gisteren, zaterdag 14 april, verschenen enkele artikelen in een aantal dagbladen over mijn nieuwe boek Het Instituut.
Het AD en Het Parool hadden daarin een reactie van het NIOD opgenomen.
Oud-directeur Hans Blom liet weten niet te willen reageren. Gelukkig verborg hij zich niet achter de vreselijke smoes die voorlichters tegenwoordig bij voorkeur bezigen: ‘zich niet in de situatie herkennen’. Dat kon in zijn geval ook moeilijk want de delen in mijn boek waarin hij figureert zijn deels samengesteld uit onze wederzijdse briefwisseling, die niet altijd even verheffend van aard was.

Het NIOD beriep zich in zijn reactie op ‘onafhankelijke wetenschappelijke begeleidingscommissies’ als waarborg voor zijn geschiedschrijving. Daar valt het een en ander op af te dingen.

Toen ik het nazi-lidmaatschap van prins Bernhard in de affaire Sanders wilde publiceren, kreeg ik te maken met zo’n ‘onafhankelijke begeleidingscommissie’. Soms duikt ie nog wel eens op in een van mijn  nachtmerries. Mijn commissie bestond uit de chef van de afdeling Onderzoek, Peter Romijn, en NIOD-bestuurslid prof. Jan Bank. De twee andere bestuursleden, prof. Eltjo Schrage en prof. Piet Steenkamp (‘Rooie Piet’ of beter nog ‘Oranje Piet’) bemoeiden zich ook intensief met de tekst van het boek. Geen van de heren kan ook maar in de verste verte aanspraak maken op termen als  ‘onafhankelijkheid’ of  ‘waarborg’ voor eerlijke en onbevangen geschiedschrijving. Hun gedienstigheid aan het koningshuis en minister-president Wim Kok, de ministerieel verantwoordelijke in deze kwestie, kwam neer op zo goed als honderd procent. Het was de slaafste commissie waarmee ik in mijn werk ooit te maken heb gehad.

De naam ‘Bernhard’ viel in de eerste vier maanden van het conflict nooit. Het boek, de affaire Sanders, (mede-auteur Coen Hilbrink) ging over de eerste naoorlogse veiligheidsdienst, maar bevatte ook een aantal toedek-operaties van de Nederlandse regering in de direct naoorlogse tijd. Een van die cover ups was Bernhards lidmaatschap van de Duitse nazi-partij die in de dagen aan het licht kwam.

Dat lidmaatschap was natuurlijk het grote probleem, maar daarover had de begeleidingscommissie het nooit. Nee, de toon van het boek deugde niet. Wazige kritiek waar je niets mee kunt. Even later was het boek plotseling ’te Frans’. Wat de loodzware begeleidingscommissie daar mee heeft bedoeld, is me tot op de dag van vandaag een raadsel. Er waren trouwens veel meer afleidingsmanoeuvres, maar over Bernhard ging het nooit.

Ondertussen waren er drukke contacten met Soestdijk en Den Haag. Toen dan na vier maanden de prins eindelijk ter sprake kwam, eiste de commissie een forse uitbreiding van de paragraaf die oorspronkelijk niet meer dan een halve pagina besloeg. Er moest uitgebreid worden vermeld dat Bernhard niet het enige lid van de Duitse adel was, die lid was geworden van de Hitler-partij. Ik vond dat overbodig, maar het was niet in strijd met de waarheid, dus ging ik er in mee.

De bedoeling was uiteraard om verzachtende omstandigheden voor de prins aan te voeren. ‘Kijk, onze prins was zeker niet de enige’. Daar kon ik, zoals gezegd, mee leven. Zijn lidmaatschap bleef immers recht overeind. Wel heb ik geweigerd om opmerkingen over zijn fameuze heldenmoed en zijn riskante bombardementsvluchten boven Duitsland (die hebben nooit plaatsgevonden) aan mijn tekst toe te voegen.
Op de ‘onafhankelijkheid’ en ‘waarborgen voor gedegen onderzoek’ op het NIOD  valt dus wel het een en ander af te dingen.

Toen directeur Blom lid werd van een regeringscommissie die de roof op de joden in de oorlog moest onderzoeken, kwam de onafhankelijkheid van het NIOD wederom op de tocht te staan. De commissie was bevolkt met prominenten uit de wereld van banken, beurs en bedrijfsleven. Hun doel was zeker niet primair gericht op zuivere geschiedschrijving. Op de achtergrond speelden grote financiële en politieke belangen. Maar de commissie kon zich mooi achter De Directeur (zoals ik Blom in Het Instituut bij voorkeur noem), verschuilen. De Directeur van het NIOD stond immers garant voor betrouwbare geschiedschrijving. Als afleidingsmanoeuvre was het een zeer geslaagde zet.

Het probleem was dat het NIOD ook onderzoek deed naar de roof. Ik was er al jaren mee bezig, had de naam opgebouwd van ‘roofgoeroe’ en had drie boeken over de kwestie op stapel staan.  Ik waarschuwde De Directeur voor de implicaties van zijn dubbelfunctie, namelijk directeur van het NIOD  én commissielid. Het liep inderdaad fors uit de hand. Toen puntje bij paaltje kwam koos De Directeur voor de Grote Jongens waarmee de commissie was bevolkt. De commissie ging vóór het NIOD waarmee de onafhankelijkheid van Het Instituut wederom de mist in ging.

Hoe het  tegenwoordig op het NIOD is gesteld weet ik niet. Ik heb uitsluitend mijn eigen tijd als onderzoeker beschreven. Een tijd overigens, waar ik met veel plezier op terugkijk.

Ter afsluiting een laatste opmerking uit de NIOD-reactie. Als onderzoeker in dienst van het NIOD had ik alles kunnen publiceren wat ik wenste. Dat klopt. Maar dat was soms eerder ondanks dan dankzij de NIOD-directie. Het staat allemaal uitgebreid in Het Instituut beschreven.

Interviews:

Café Weltschmerz/Argus:

Radio 1 Kunststof:  https://www.nporadio1.nl/kunststof/onderwerpen/498882-gerard-aalders-historicus-schrijver