Kersttoespraak

Even dacht ik dat LuckyTV de NOS had gehackt om de kersttoespraak van de koning te parodiëren. Maar nee, het was de sportvorst zelf. Toen dat besef eenmaal was doorgedrongen – dat je dus niet naar satire zit te kijken – zou je als toehoorder uit plaatsvervangende schaamte het liefst willen wegglijden in een comateuze toestand: weg van al die gemeenplaatsen, afgewisseld met open deuren en clichés die stoelendansje spelen met obligate dooddoeners.
In een aantal krantencommentaren las ik dat Willem-Alexander zijn tekst staande had uitgesproken. Het werd ademloos geconstateerd: de koning stond en sprak. Staand! Veel verschil met vorig jaar, toen hij houterig in een fauteuil zat opgesteld, omringd door portretten van zijn dochters, zag ik eerlijk gezegd niet. Jan Hoedeman van de Volkskrant wél. Hij repte van een ‘paleisrevolutie’. Ík zag eerder een robot die een tekst stond op te dreunen, onderwijl zijn handen om de zoveel seconden ritmisch open- en dichtvouwend. Alsof hij werd bestuurd door een mechaniekje dat geheel los van hem stond.
De harde waarheid is dat de dienstdoende Oranje niet kan speechen en het ook nooit zal leren. Volgens Cees Fasseur (‘Karate Cees’) is het voordeel van een monarch dat hij zich een leven lang kan voorbereiden op zijn ambt. Na zijn inhuldiging kan hij tijdens diners moeiteloos met zijn bestek omgaan. En speechen als Brugman. De praktijk laat anders zien.

Het ergste is misschien nog wel dat hij een tekstschrijver heeft aangetrokken. Alles wat Jan Snoek hem in de mond legt dreunt hij zonder blikken of blozen op. Staand! Het pleit niet voor de koning dat hij zelfs de onbenullige tekst die hij op eerste Kerstdag uitsprak niet zelf kan produceren. Kennelijk kan hij zich wel vinden in het zielloze geschrijf van Snoek. Net als Hoedeman die versteld stond van de kerstboodschap. Zelden zag ik een slijmeriger stuk. Maar goed, hij weet zich weer verzekerd van de gunst van de Familie en niet te vergeten van de RVD. Nee, dan het verfrissende stuk van zijn collega Bert Wagendorp in dezelfde Volkskrant. Bert snakte naar een ‘snufje authentieke eigenzinnigheid’.

De Telegraaf vond dat we ‘gezegend’ zijn met een ‘moderne en toegankelijke vorst’, die  – jawel! – staande zijn tekst opzegt. Wim-Alex had het woord ‘selfie’ uitgesproken en dat maakt hem pardoes tot een ‘moderne vorst’. De woorden van onze koning zullen volgens Jan-Kees Emmer nog ‘lang nadreunen’ in onze samenleving. Zou Jan-Kees hier wel helemaal eerlijk zijn? Zou hij niet –  als iemand anders die Snoektekst had opgelepeld –  geeuwend en gruwend de knop hebben omgedraaid?

Ademloos volgden beide bewonderaars Willem-Alexanders uitspraken over de MH17. ‘Alinea`s grepen’ ,volgens Hoedeman, ‘als vanzelfsprekend in elkaar’. Laat dat maar aan Snoek over. Als ik dat vluchtnummer hoor uitspreken – dagelijkse kost in de media waar Snoek handig op inspeelt – moet ik steeds denken aan de vliegtuigramp op Teneriffe in 1977. Toen botste een KLM-vliegtuig op de grond met een machine van Pan Am. Er vielen 583 doden. Voor hen geen nationale rouw- en herdenkingsdagen zoals die nu in opdracht van Mark Rutte zijn gehouden. Teneriffe was de grootste vliegramp uit de geschiedenis. Andere tijden, andere spindoctors, denk ik dan maar. Maar als nabestaande zou ik me zo langzamerhand aardig tekort gedaan voelen. Maar dat terzijde.

De koning repte ook van ‘tirannie’. Een oud woord dat als tegenhanger van het moderne ‘selfie’ lekker lang nadreunt in je hoofd. Stiekem hoopte ik nog even dat hij er ‘die my mijn hert doorwondt’ (zesde couplet Wilhelmus) aan toe zou voegen, maar dat genoegen mocht ik niet smaken.

Hoe komt het toch dat normaal gesproken verstandige mensen volledig uit hun dak gaan van eerbied en bewondering als een lid van de Koninklijke familie zijn mond opendoet, zwijgt, wuift, voorleest, staat, iets zegt, niest, van een glaasje nipt, een hap neemt, een hand geeft, een boek leest of een lintje doorknipt? Alsof er zich voor hun ogen iets goddelijks voltrekt.
Henk Hofland heeft eens opgemerkt dat sommigen bij de aanblik van een Oranje in zo’n tomeloze staat van vervoering raken dat alle andere geestelijke vermogens defect raken. Hij vond het een pijnlijk gezicht: ‘die regelmatige uitbarstingen van mateloze bewondering, niet voor een bepaalde prestatie maar voor alles en alles wat zo’n medesterveling doet en laat.’

Op eerste Kerstdag hebben we weer krasse staaltjes van vervoering kunnen zien. Daarvoor hoeven we niet naar het Korea van Kim Jong-un.

 

Opdat we nooit vergeten

Het was in 2012 vijftig jaar geleden dat koningin Wilhelmina overleed. Intussen is ze volgens haar levenschroniqueur bijna uit de nationale herinnering verdwenen. Om daar verandering in te brengen schreef Cees Fasseur de herinneringsbiografie Een dame van ijzer . Opdat we de Nederlandse Iron Lady nooit vergeten.

Biograaf
Fasseur is befaamd als hofbiograaf. Hij heeft een indrukwekkend biografie van koningin Wilhelmina (2 delen) op zijn naam staan, naast een `huwelijksbiografie’ van Juliana en Bernhard, waarin vooral de Greet Hofmans-affaire onder de loep wordt genomen. Stuk voor stuk waren het bestsellers die een plaats verdienen in de boekenkast van iedere monarchist en republikein. Alle twee kunnen ze er argumenten uithalen om hun gelijk te staven. De monarchisten omdat ze veel, zo niet alles, kunnen vinden wat het Oranjehart begeerd. Republikeinen vinden er een keur aan argumenten die hen schragen in hun mening dat de monarchie niet meer van deze tijd is. Fasseur heeft een vlotte pen, schuwt op zijn tijd een kwinkslag niet en gaat een kritische opmerking, daar waar het gepast lijkt, evenmin uit de weg.

Voor zijn biografieën had Fasseur toegang tot het Koninklijk Huisarchief. Voor gewone stervelingen is dat niet weggelegd. Aan de andere kant maakt het de schrijver kwetsbaar voor kritiek. Hij mag met toestemming van koningin Beatrix gebruik maken van uniek materiaal, maar er is niemand die zijn werk kan controleren, wat wetenschappelijk gezien toch een vereiste is. Het was verstandiger geweest om het voor zijn boeken gebruikte materiaal op (bijvoorbeeld) het Nationaal Archief in Den Haag beschikbaar te stellen. Het zou de terechte kritiek op oncontroleerbaarheid van zijn werk doen verstommen.

Fasseur heeft zijn liefde voor de monarchie vele malen in geschrifte maar ook mondeling voor radio en tv beleden. Hij houdt zijn publiek graag voor dat hij géén monarchist is; wél een aanhanger van Oranje. Dat schijnt verschil te maken. Fasseur beschikt over een specifiek Oranjegevoel en wie zou hem dat willen ontzeggen? En voor wie het nog niet wist: Nederland is al lang een republiek, maar met een erfelijk staatshoofd. Luim is Fasseur niet vreemd.

Niet al zijn argumenten voor de Oranjemonarchie zijn even overtuigend. Zo hecht hij buitensporige waarde aan de opvoeding van de koninklijke kindertjes. Als geen ander kunnen zij – na decennia van oefening – met tafelbestek omgaan. Nooit zal een onderdaan daar in de verste verte aan kunnen tippen. Die tafelmanieren maken de Oranjes zo buitengewoon geschikt om bij staats- en andere diners aan te zitten. De implicatie van Fasseurs betoog lijkt te zijn dat presidenten tijdens diners steeds op hun hoede moeten zijn geen modderfiguur slaan, omdat ze niet precies begrijpen hoe met tafelzilver moet  worden omgegaan.

Zijn nieuwste boek over Wilhelmina voegt weinig aan toe aan wat we al uit zijn tweedelige biografie wisten. Aan de andere kant komen we wel meer te weten over de mens achter de biograaf zelf. Genadeloos rekent hij af met iedereen die zijn opvattingen over Wilhelmina niet deelt. Wilhelmina is zijn heldin en daar komt hij rond voor uit. Voor een biograaf is dat niet altijd een voordeel. Je wekt immers al snel de indruk van bevooroordeeldheid in de hand. Maar bij Fasseur weet je in ieder geval waar je aan toe bent.

Op de laatste pagina rechtvaardigt hij de uitgave van dit gelegenheidswerkje. Wilhelmina bewees Nederland tijdens de oorlog ‘onschatbare diensten’ en in het buitenland groeide ze uit tot de personificatie van het `geknechte en strijdende Nederland’. Toch is ze een halve eeuw na haar dood al bijna de vergetelheid ingegleden.
Fasseur haalt zijn lovende woorden uit de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid (PEC) die het reilen en zeilen van de Nederlandse regering in ballingschap te Londen (1940-1945) heeft onderzocht. Fasseur citeert de PEC met kennelijke instemming. Hij geeft de loftuitingen dus niet als zijn eigen mening. Zo houdt hij de schijn van objectiviteit overeind en haalt intussen toch zijn gelijk.

Overigens heeft de PEC in haar onderzoek Wilhelmina`s daden vrijwel volledig buiten beschouwing gelaten. Volgens de grondwet is de minister verantwoordelijk. De koning is onschendbaar. Vanwege Hare Majesteits onschendbaarheid weten we nauwelijks wat ze in ballingschap heeft gedaan. Vrijwel alles waarmee ze zich bemoeide – en dat was veel – blijft in het enquêteonderzoek buiten schot, is onvolledig of wordt onbetrouwbaar weergegeven. Het gebeurde zelfs dat getuigen van te voren hun verklaringen op elkaar afstemden wanneer Wilhelmina (of prins Bernhard) ter sprake kwamen. Potentieel brisante opmerkingen werden uit de publicatie geweerd en verdwenen in het beste geval in het PEC-archief. De rol van Wilhelmina in ballingschap is een witte vlek in de staatkundige geschiedenis van Nederland en dat zal wel altijd zo blijven.

Natuurlijk heeft Wilhelmina het imago van `moeder van het verzet’. Ze kreeg  trouwens een keur van lovende benamingen over zich uitgestort. Die hebben we te danken aan de hagiografische geschiedschrijving die nu eenmaal onlosmakelijk met het Nederlandse koningshuis is verbonden. Het enorme hiaat in onze kennis over de koninklijke wederwaardigheden te Londen heeft de PEC niet belet zich in buitengewoon lovende termen over Wilhelmina uit te laten. Als Fasseur goed had gezocht in het vele duizenden pagina`s tellende verslag had hij zelfs kunnen vinden dat Wilhelmina`s vlucht naar Londen een briljant idee was geweest. Het was: ‘een der belangrijkste beslissingen van de gehele oorlogsperiode. `Dit feit’, vervolgt de PEC jubelend, `heeft de gehele verdere oorlogvoering van Nederland beheerst; het heeft de invloed van Nederland in de bondgenootschappelijke beraadslagingen verzekerd’. Loe de Jong, zelf een bewonderaar van Wilhelmina maar op zijn tijd ook kritisch, vond dat te ver over de schreef en schreef in zijn standaardwerk:

`De koningin heeft zonder reëel overleg met haar ministers Den Haag verlaten, zich daarmee van die ministers en impliciet ook van haar grondwettelijke gebondenheid distanciërend. Van Hoek van Holland uit trachtte zij Zeeuws-Vlaanderen te bereiken, het kabinet Engeland. Zij wist op 13 mei niet waar zich het kabinet op de 14e zou bevinden, het kabinet niet, waar de koningin dan zou vertoeven.’

Het was met andere woorden een zootje in die meidagen van 1940. Op Wilhelmina`s vlucht naar Engeland komt Fasseur herhaaldelijk terug in zijn pogingen het gedrag van zijn heldin achteraf te rechtvaardigen. Dat Nederland niet zou hebben meegeteld bij de bondgenoten als Wilhelmina niet in Londen was geweest, is totale onzin. Nederland speelde geen rol van enige betekenis in het bondgenootschap. Het feit dat ze weleens bij Churchill en Roosevelt op de thee is geweest kan Fasseurs beeld hebben vertroebeld.
In werkelijkheid draaide het in de oorlog om drie grote partijen, de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Zij namen alle beslissingen. Amerika had binnen het trio de meeste macht omdat het over vrijwel onbegrensde materiële en financiële bronnen beschikte.

Je krijgt bij Fasseur soms de indruk dat Nederland dankzij de invloed van Wilhelmina is bevrijd. Zoals bekend zijn de Duitsers uit alle bezette Europese landen gegooid. Of er wel dan niet een staatshoofd in ballingschap in Londen zat, maakte geen verschil. West-Europa werd door de legers van Amerika en het Britse Gemenebest bevrijd. Stalin joeg de Duitsers uit Oost-Europa. Het Nederlandse aandeel in het geallieerde leger was ruim duizend man.

Er is de laatste jaren kritiek geweest op de radiotoespraken van Wilhelmina, waarin ze grotendeels voorbij is gegaan aan de jodenvervolging. Haar dappere toespraken voor radio Oranje hebben haar naam gevestigd als `moeder van het verzet’ en aan dat beeld mag niet worden getornd. Ontegenzeggelijk is de koningin uitgegroeid tot een symbool. Voor een belangrijk deel is dat te danken aan de boeken van Loe de Jong, die als eerste een buitengewoon positief beeld van haar heeft neergezet. Uiteraard heeft Fasseur ook het nodige bijgedragen.

Onno Sinke heeft in zijn boek Verzet vanuit de verte kritische opmerkingen geplaatst bij het bereik en de invloed van radio Oranje. Het heersende beeld behoeft bijstelling. Niet iedereen heeft daaraan behoefte en zeker Fasseur niet. Hij draaft vreselijk door als hij schrijft dat `een woedende Seyss-Inquart besloot haar vermogen (…) verbeurd te verklaren, nadat ze haar instemming had betuigd met de strijd van de Russen tegen de “moffen”.’ De Duitse Rijkscommissaris deed dat echter op grond van de `Verordening Verbeurd Verklaren’ (VO 33/40). Die Verordnungtrof overigens bepaald niet alleen Wilhelmina. Na de oorlog kreeg ze trouwens vrijwel alles terug.

Hitlers zetbaas zou zo razend op Wilhelmina zijn geweest dat hij zelfs de straatnaambordjes met verwijzingen naar leden van het koninklijk huis had laten verwijderen. Dat klopt. Maar het past helemaal in de politiek van de bezetter. Ook naar joden vernoemde straten en pleinen ondergingen een naamsverandering. Zowel de confiscatie van het Oranjebezit als de straatnaamveranderingen hebben alle twee niets met de door Wilhelmina opgewekte woede van Seyss-Inquart te maken.

Wat wist Wilhelmina van de jodenvervolging? Niet veel, concludeert haar biograaf op grond van een paar weinig steekhoudende argumenten. Dan houdt hij ons voor dat zelfs Churchill niet wist waar Auschwitz lag. Het zou een wonder zijn als de Britse oorlogsleider dat wél had geweten. De plaats die nu iedereen kent, was toen de Duitsers er een vernietigingskamp bouwden, een volstrekt onbekend gehucht in Polen.

Iedereen die durft te stellen dat Wilhelmina wel degelijk op de hoogte moet zijn geweest van de jodenvervolging, krijgt onder uit de zak. Tegenargumenten worden weggewuifd en zijn criticasters krijgen tegelijkertijd een denigrerend etiket opgeplakt. Zoals Geert Mak, die `nog steeds een belangrijk woordvoerder van progressief-correct Nederland en bien-aimé aan het hof’ is. Inderdaad heeft de koningin zoals Fasseur stelt nooit directe oproepen gedaan om joodse landgenoten te helpen. En ze heeft ook nooit tot actief verzet tegen `de Moffen’ (haar favoriete scheldwoord) opgeroepen, voegt de biograaf daar aan toe.

Ze keek wel link uit. Als dat Duitse represailles tot gevolg had gehad, zou zij de schuld hebben gekregen en dat zou haar imago en dat van de monarchie niet ten goede zijn gekomen. Want één ding hield de ijzeren dame in Londen voortdurend in het achterhoofd en daarop waren al haar inspanningen gericht: de ongeschonden terugkeer van de Oranjes op de troon met zoveel mogelijk rechten voor haar en zo minimaal mogelijk voor de volksvertegenwoordiging. In haar jargon heette dat `vernieuwing’.

Ies Vuijsje, met ongeveer dezelfde kritiek als Mak, moet het ook ontgelden al had hij als groentje in de geschiedschrijving misschien nog een excuus: `Als beginneling in het historisch metier bleek hij weinig oog te hebben voor nuances.’ Nanda van der Zee die in 1997 als eerste de toorn van Fasseur over zich afriep met haar betoog dat Wilhelmina`s vlucht de jodenvervolging in de kaart zou hebben gespeeld, laat hij deze keer met rust. Hij volstaat met de opmerking dat zij het `voorbereidende werk’ had gedaan.

Als het om snijdende opmerkingen gaat, beperkt Fasseur zich niet tot de jodenvervolging, maar richt hij zich ook tot collega`s die het hebben gedurfd zijn visie op de een of andere manier in twijfel te trekken of zelfs maar te nuanceren. Dat ondervond bijvoorbeeld Meindert van der Kaay. De `ijzeren dame’ had een gruwelijke hekel aan premier De Geer. Fasseur verwijt Van der Kaay dat hij in zijn proefschrift Een eenzaam staatsman het beeld van de door Wilhelmina verfoeide minister-president poogt bij te stellen en `de ergste smetten van zijn blazoen te verwijderen.’ Dan plakt hij het onvermijdelijke etiket: `Deze witwasserij was geen gemakkelijke taak voor de promovendus’. En vervolgens de onvermijdelijke genadeslag: `Zelfs ervarener historici zouden er een harde dobber aan hebben gehad.’

Wat Van der Kaay niet lukte in de ervaren historicus Fasseur in zijn laatste boekje wel gelukt: hij wast Wilhelmina smetteloos wit met slechts hier en daar een minuscuul vlekje.

Cees Fasseur: Een dame van ijzer. Koningin Wilhelmina en de nationale gedachte. Balans, 142 blz. EUR12,95.

Verklaring J&B
Geachte mr. Kaaks,

Onder verwijzing naar uw verzoek van maandag jl., verklaar ik hierbij het volgende naar aanleiding van het geschil tussen de familie Van Maasdijk en de heer Fasseur.

Juliana & Bernhard (J&B) van historicus Cees Fasseur is een buitengewoon leesbaar boek dat steunt op uitgebreid archiefonderzoek in Nederlandse archieven. Uniek is dat de heer Fasseur gebruik heeft mogen maken van het Koninklijk Huisarchief dat als formele privé-instelling slechts toegankelijk is voor onderzoekers  die daarvoor speciaal toestemming hebben verkregen van de eigenaresse, H.M. de Koningin, om haar moverende redenen.

Van zijn visie op de beide hoofdfiguren in het hierboven aangehaalde werk heeft de heer Fasseur nooit een geheim gemaakt: in het openbare debat en op opiniepagina’s heeft hij zijn sympathie voor prins Bernhard regelmatig en onomwonden uitgedragen.

Men kan het daarmee wel of niet eens zijn, het onderstreept nog eens dat in de geschiedschrijving objectiviteit en waardevrije oordelen een illusie zijn, al zal vrijwel iedere moderne historicus zich inspannen het objectiviteitsideaal zo goed als mogelijk is na te streven. In J&Bis dat slechts matig gelukt. Soms wordt zelfs de indruk gewekt dat objectiviteit synoniem is met sympathie die in dit geval primair uitgaat naar de prins en pas in de tweede naar H.M. de Koningin. De prins-gemaal heeft evident de onverdeelde genegenheid wat soms heeft geleid tot onevenwichtige, bevooroordeelde passages in een boek dat niettemin door velen hogelijk wordt gewaardeerd.

De paragraaf over de zaak Duyff waarin de vermeende wapenhandel van de prins en zijn bemoeienis met het voormalige Nederlands-Indië wordt behandeld geeft de meest treffende voorbeelden van die vooringenomenheid. Archiefmateriaal dat de prins in een ander dan een sympathiek daglicht stelt, wordt genegeerd of weggewoven zoals ik uit eigen onderzoek heb kunnen constateren. De Duyff-kwestie wordt beschreven aan de hand van een aantal rapporten van de Koninklijke Marechaussee met de strekking waarvan de heer Fasseur zich duidelijk niet kan of wil verenigen. De inhoud van de rapportages is niet altijd in heldere bewoordingen gesteld en niet zelden roepen ze meer vragen op dan ze beantwoorden. Die vaagheid vereist veel extra onderzoek en dus tijd, temeer daar de rapporten veel potentieel verontrustende informatie bevatten.  Die tijd heeft de auteur zichzelf niet gegund en dat heeft ernstige gevolgen gehad voor de uiteindelijke tekst van J&B.

In plaats van zijn research te verdiepen en te verbreden heeft de heer Fasseur ervoor gekozen om de rapporten te ridiculiseren en te bagatelliseren.  Aan de grote bezorgdheid over het gedrag van de prins die uit de rapporten naar voren komt (en waardoor niet alleen de naam van het Koninklijk Huis maar ook die van de Nederlandse staat dreigde te worden bezoedeld) gaat hij geheel voorbij, terwijl het toch niet de minsten waren die hun grote bezorgdheid over het gedrag van de prins ventileerden: minister-president Willem Drees en zijn secretaris-generaal Cees Fock, de directeur van het kabinet van de Koningin, mevrouw M. Tellegen, de minister van Oorlog en niet in de laatste plaats zijn eigen echtgenote H.M. de Koningin.

De heer Fock wordt, net als de heer Van Maasdijk denigrerend afgedaan als een `Wichtigtuer’, de chef van de Marechaussee die verantwoordelijk was voor de rapporten is plotseling een gefrustreerde figuur die een `inlichtingenbureautje’  leidt (let op het verkleinwoord) en van daaruit een `uitzichtloze strijd’ voert, echter zonder de lezer te informeren waarom dat gevecht zo uitzichtloos was. Prof. Willem Duyff, een goede vriend van de prins maar door de Koninklijke Marechaussee opgevoerd als de centrale figuur in de affaire waarbij de naam van de prins herhaaldelijk in negatieve termen viel, wordt weggezet als de kwade genius. En dat niet alleen. Hij laat niet na te benadrukken dat hij verloederd is, aan de drank is geraakt, op vrouwen jaagt en uniformgeil is.

Toch hadden de rapporten, hoe onvolledig en zelfs verwarrend soms ook, gezien de namen van de vele beruchte illegale wapenhandelaren die erin voorkwamen, de onderzoeker moeten alarmeren.  De hierboven aangehaalde bezorgde mensen (Drees c.s.) kenden die namen wél, wat extra voedsel gaf aan hun bezorgdheid. Het onderzoek ging immers primair over wapenhandel waarbij prins Bernhard via intermediairs zou zijn betrokken.

De heer Fasseur verzuimt curieus genoeg de identiteit van de genoemde personen na te trekken en voor de hand liggend nader onderzoek in buitenlandse archieven laat hij achterwege. Om een versleten maar in dit geval trefzekere uitdrukking te bezigen: `van de prins geen kwaad’. Ik vrees dat vanuit dat standpunt een beeld van de prins is geschetst die eerder op sympathie dan op gedegen, breed historisch onderzoek is gebaseerd. In laatste instantie heeft die visie geleid tot onnodige negatieve karakteriseringen van mensen die kritiek hadden op Zijne Koninklijke Hoogheid, de wenselijkheid van zijn activiteiten in twijfel trokken of een al dan niet vermeende kwalijke invloed op hem uitoefenden.  Dat laatste wordt buitengewoon helder door de heer Fasseur zelf verwoord wanneer hij schrijft : ‘Het was bij de prins weer het gebruikelijke patroon: loyaliteit aan oude vrienden die vaak verkeerde vrienden waren of werden’ (mijn cursivering).  Met andere woorden: de prins treft zelden blaam en als hij door eigen toedoen in een hachelijke situatie verzeild dreigt te raken wordt de verantwoordelijkheid, verwoord in negatieve kwalificaties die zonder meer als beledigend kunnen worden opgevat, afgewenteld op derden. Van objectiviteit is dan geen sprake meer.

Vastgesteld kan worden dat dit in het boek er onder meer toe heeft geleid dat Fasseur enkele derden niet alleen raillerend maar zelfs afbrekend heeft beschreven. Dit geldt in het bijzonder voor zijn beschrijving van de heer Van Maasdijk. Van Maasdijk is door Fasseur aangeduid als een intrigant met kwade en verraderlijke intenties, en wordt door hem aangeduid als onder meer: onrustzaaier, paard van Troje, man met “een boosaardig karakter”, “scheurmaker” in het huwelijk tussen H.M. de koningin en prins Bernhard etc.  Deze typeringen en aanduidingen van Van Maasdijk zijn wetenschappelijk niet te verantwoorden. A fortiori, op grond van de feiten die mij uit eigen onderzoek bekend zijn, en ook aan Fasseur bekend behoren te zijn, kunnen deze kwalificaties en verdachtmakingen naar mijn overtuiging beslist niet worden gerechtvaardigd.  Ik ben uiteraard bereid dit op verzoek voor de rechtbank als getuige deskundige onder ede te herhalen en nader toe te lichten.

Met vriendelijke groet,

Dr. Gerard Aalders.
Amsterdam, 27 januari 2010

Beatrix heeft het weer geregeld

De Oranjes leren het nooit af en de dienstdoende minister-president al evenmin: eisen en toegeven. Ten tijde van prins Bernhard leden alle premiers – zonder uitzondering – aan een slaafsheid ten opzichte van de koninklijke familie die je nauwelijks voor mogelijk houdt. Mark Rutte is er ook mee behept. Natuurlijk heeft hij zich aan de regels te houden die de grondwet stelt, maar die wet zegt niet dat je alles moet goedkeuren, inwilligen of verdedigen.

Een enkele keer heeft prinses Beatrix nog een verplichting in Den Haag. Hoe vaak per jaar dat gebeurt weet niemand, maar ze vindt dat ze gewoon recht heeft op een pied-à-terre. Dat heeft ze tenslotte ook in Amsterdam. Midden in de stad op de Dam. Dan hoeft ze na afloop niet terug naar kasteel Drakensteyn bij Lage Vuursche. Van de trams die achter het Paleis langsrijden heeft ze geen last. Die worden zolang zij er vertoeft – heb ik me laten vertellen – omgeleid. Het is er dan bijna net zo rustig als thuis in Drakensteyn en dat is wel zo prettig.

Zoiets wilde Hare Koninklijke Hoogheid ook wel in Den Haag. Aangrenzend aan haar voormalige ‘werkpaleis’ Noordeinde, staat een herenhuis dat zoonlief Willem-Alexander voor een habbekrats van zijn oma overnam. Ruim 300.000 euro is tenslotte niet veel voor een monumentaal pand. Tien jaar later verkocht W.A. het aan de Rijksgebouwendienst voor ruim 3 miljoen euro. Het leverde de toenmalige kroonprins in kleine kring de bijnaam op van koopman-koning.

Beatrix heeft geen zin om na een verplichting in Den Haag, privé of officieel maakt niet uit, terug te gaan naar Drakensteyn. Dat is tenslotte 80 kilometer rijden. Met privéchauffeur, lijfwachten en motorpolitie met blauwe zwaailichten ben je toch al gauw zo’n drie kwartier onder weg en dan is een optrekje in Den Haag wel zo handig. Paleis Noordeinde is geen optie voor een mevrouw die gewend is haar zin door te drijven. Overnachten in je eigen werkpaleis is natuurlijk ook te gek voor woorden. Eerlijk gezegd ken ik ook niemand die in zijn eigen kantoor of winkel slaapt. Dat doe je gewoon niet. Dus wordt het pand voor een kleine miljoen verbouwd omdat Beatrix dat zo graag wil. Rutte heeft er alle begrip voor.

Het is trouwens een oude Oranjetruc: Wilhelmina ‘schonk’ haar ‘kroondomeinen’ (ruim 6730 hectare met ongeveer 75 boerderijen, woningen en andere gebouwen) aan de staat.
Het Rijk kreeg de domeinen voor niets, maar moet ze natuurlijk wel onderhouden. Het geschenk werd in ‘eerbiedige dankbaarheid’ aanvaard. Maar de ‘Hoge Schenkster’ had wel haar voorwaarden gesteld. Zij en haar erfgenamen bleven over alle inkomsten van het domein beschikken, inclusief het genot van de jacht. Bovendien verplichtte de staat zich om – mocht de monarchie ooit ophouden te bestaan – de domeinen aan de Oranjes terug te geven, dan wel de waarde te vergoeden, uiteraard vermeerderd met de wettelijke rente.

Wat Wilhelmina in 1959 met een Wet op het Kroondomein liet regelen, ritselt haar kleindochter nu samen even met Rutte. Een Oranje iets weigeren? Dat doe je niet als minister-president.

Inquisitie en ironie

Terugblikkend op de publicatie van Niets was wat het leek valt op dat een paar recensenten mij beschuldigden van wat ik maar grofweg ‘inquisitiestijl’ zal noemen.
Uiteraard hebben ze het recht dat te vinden, net zoals ik het recht heb het daarmee oneens te zijn. Het is ten slotte de ene mening tegenover de ander. Het Noord-Hollands Dagblad gaf me zelfs het advies een volkstuintje te beginnen. Dan zou het blad en zijn abonnees verschoond blijven van mijn ‘pseudowetenschappelijke creaties’, die zouden zijn ‘gebaseerd op informatie uit de derde hand met een ranzig voyeuristisch tintje.’

De boze brief die een emeritus hoogleraar hierover naar de krant stuurde werd niet geplaatst. Vermoedelijk omdat hij het boek wél had gelezen en het dagblad attent maakte op de zee van archievale bronnen en literatuur waarop het boek is gebaseerd. Dat de boze prof in ruste het stukje in het NHD beoordeelde als journalistiek van een niveau ‘uw krant onwaardig’ zal ook niet hebben bijgedragen tot plaatsing.

Een paar kranten vonden dat ik me te buiten was gegaan aan ‘smalende commentaren’. Er is een groot verschil tussen smalend commentaar en ironie. Een voorbeeld: Bernhards Amerikaanse biograaf Alden Hatch beschrijft in vlammende bewoordingen hoe Bernhard op 10 mei 1940 heldhaftig en door het dolle heen van woede twee uur lang met een pistoolmitrailleur op Duitse vliegtuigen schoot: ‘terwijl de loop van zijn Lewis gloeiend heet werd nam zijn woede nog in hevigheid toe.’ Ik vond dat zo overdone dat ik niet kon nalaten op te merken: ‘Toch zagen de Duitse legers kans Nederland te bezetten.’ Sommige recensenten zien dat als smalend commentaar. Zelf beschouw ik het als ironie; als een reactie op het zalvende geschrijf van Hatch.

Mijn eerste prioriteit is dat de inhoud klopt en dat het notenapparaat degelijk in elkaar steekt. Als dat het geval is kan een vleugje ironie mijn inziens geen kwaad. Sommige recensenten gaat het kennelijk meer om de vorm dan de inhoud. Overigens `bezondig’ ik mij in al mijn boeken aan kleine ironische genoegens. Nooit heb ik daarop enig commentaar gehad. Maar als het om prins Bernhard schijnt het een doodzonde te zijn.

Wat mij ergert zijn opmerkingen die evident niet kloppen. NRC Handelsblad verwijt mij niet alleen vele ‘suggesties en gissingen’ maar beweert ook dat ik een zin `vaak’ begin met: `Het lijkt niet uitgesloten’. Een snelle controle via de zoekfunctie leert dat het aantal keren dat ik de gewraakte uitdrukking heb gebruikt exact nul komma nul is. En evenals die krant uit Noord-Holland weigerde NRC Handelsblad een ingezonden brief te plaatsen die de krant daarop attent maakte.

Het lijkt me niet uitgesloten dat zoiets vaker gebeurt bij de krant die zich zelf graag profileert als de ‘slijpsteen van de geest’.

Schelm, schavuit of schurk?

Op 2 april werd mijn strapatsografie over prins Bernhard gepresenteerd in het programma ‘Een op een‘, door Sven Kockelmann.

Het boek richt zich vrijwel uitsluitend op de grote maar ook kleinere streken van Bernhard. Voor Bernhards positieve karaktertrekken kunt u terecht bij de vele boeken en artikelen waarin hij in alle toonaarden wordt bezongen. Een valse noot zult u in die werken nauwelijks aantreffen, in mijn strapatsografie des te meer.

Dit was niet mijn eerste boek over de prins-gemaal. Eerder schreef ik: De prins kan mij nog meer vertellen en Bernhard Zakenprins. Het waren boeken die de negatieve kanten van Bernhard onder de loep namen. Het was de hoogste tijd – vond ik – eens af te rekenen met alle jubelverhalen die over de prins de ronde deden. Bernhard zei eens tijdens een interview dat hij niet graag als schurk maar wel als een ondeugd, schavuit of schelm herinnerd wilde worden.

Schelm, schavuit, ondeugd. Alle drie hebben ze iets schalks. Ik ben bang dat die omschrijvingen Bernhard in een té aardig daglicht stellen. Steekpenningen aannemen, ministers corrumperen en het verhandelen van goederen die niet aan hemzelf maar aan de staat toebehoren? Dat is de schalksheid voorbij.

Mijn eerste twee boeken over prins Bernhard kregen veel belangstelling in de media. Allebei waren ze adequaat onderbouwd en ruimhartig voorzien van bron- en literatuurverwijzingen, maar helaas was daarvoor nauwelijks oog in de berichtgeving. Bijna alle artikelen en verwijzingen op radio en tv begonnen met het voorbehoud: ‘als je Aalders mag geloven’, ‘volgens Aalders’, ‘Aalders beweert’ of soortgelijke uitdrukkingen. Men wilde er gewoon niet aan dat Bernhard zijn boekje te buiten was gegaan. Bij geen van mijn andere boeken heb ik ooit een dergelijke terughoudendheid opgemerkt, maar zo gauw de monarchie in het geding is treden evident andere regels in werking.

Met de publicatie van Niets was wat het leek ging het anders. Verreweg de meeste kranten schreven nu dat ik op basis van archiefonderzoek had geschreven dat Bernhard toch echt niet had willen deugen. Een trendbreuk. Zelfs een royaltygezind blad als Privé ging daarin mee. Slechts een paar landelijke dagbladen gingen voort op hun oude, vertrouwde, vooringenomen weg. Niet de inhoud, argumentatie en het rijke bronnenmateriaal waren belangrijk, maar uitsluitend – zo leek het – de toon. Over toon valt uiteraard te twisten maar dat lijkt me in een geval als dit niet het allerbelangrijkste.

Wat betalen de Oranjes aan belastingen? Dat ze een uitzondering vormen – vastgelegd in de grondwet – is bekend, maar waarom is dat? `Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld’, stelt artikel 1. De spreekwoordelijke adder zit hem in die `gelijke gevallen’. Alle families in Nederland zijn gelijk. Op één na.

Volgens de RVD betalen de leden van het Koninklijk Huis `de belastingen die ook voor andere burgers van toepassing zijn’. Afgezien dan van een aantal bij wet geregelde specifieke vrijstellingen, zo voegt de dienst daar aan toe. Wie de uitzonderingen leest, kan zich niet aan de indruk ontrekken, dat de RVD het eerlijkheidshalve beter andersom had kunnen formuleren, namelijk dat Koninklijk Huis, enkele uitzonderingen daargelaten, vrijgesteld zijn van fiscale lasten.
Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen Koninklijk Huis en Koninklijke Familie. Van de familie ben je lid door geboorte, terwijl lidmaatschap van het Koninklijk Huis in een speciale wet is geregeld. Alle voorrechten van de familie liggen vast in de Grondwet of een daaruit voortvloeiende speciale wet. Kom daar als Henk en Ingrid maar eens om.

In de praktijk is het sinterklaasje spelen voor de familie beperkt en geregeld bij (opnieuw) een speciale wet: de `wet financieel statuut van het Koninklijk Huis’. Daarin wordt de hoogte van hun `uitkering’ geregeld. Wie zijn die uitkeringstrekkers en wat krijgen ze? Koning Beatrix ontvangt € 4.757.359 en prins Claus kreeg tot aan zijn overlijden € 821.946 per jaar. Prins Willem-Alexander toucheert als de ‘vermoedelijke troonopvolger’ € 1.281.313 en zijn echtgenote prinses Maxima € 578.077.
Als koningin Juliana nog had geleefd zou ze € 1.288.730 per jaar hebben gekregen, terwijl prins Bernhard recht zou hebben gehad op € 4.929.18. In de praktijk zijn de uitkeringsgerechtigden dus beperkt tot de koning en zijn echtgenote (de wet spreekt altijd van koning), de vermoedelijke troonopvolger (en zijn eventuele echtgenote) en de afgetreden koning plus eventuele echtgenote. Dat betekent dus dat niet alleen het zittende staatshoofd een forse uitkering opstrijkt, maar ook een aantal naaste familieleden.
In principe kan het monarchale staatshoofdschap ons € 9.220.343 per jaar aan uitkeringen kosten, maar omdat Claus, Juliana en Bernhard inmiddels zijn overleden is dat ‘maar’ € 6.616.749. Let wel: alleen aan ‘uitkeringen’. De werkelijke kosten van de monarchie belopen volgens verantwoorde schattingen zo’n 125 miljoen Euro per jaar.

Componenten
De vorstelijke uitkeringen zijn verdeeld in twee onderdelen, de A- en B-component.  Van de € 4.757.359 die Beatrix ontving op grond van de wet financieel instituut (d.d. 21 juli 2011), kreeg ze € 764.304 als `uitkering’ direct in het handje (de A component). Van de overige € 3.993.055 moet ze personele en materiële kosten betalen (de B-component).
Artikel 40 van de Grondwet bepaalt dat de koningin, de kroonprins en de andere hier al genoemde uitkeringsgerechtigden hun geld krijgen volgens bij wet (financieel instituut) te stellen regels. De leden van beide kamers van de Staten Generaal moeten ieder jaar opnieuw met minstens driekwart van de stemmen met de voorgestelde bedragen akkoord gaan, maar sinds de invoering van de wet financieel instituut in 1972 is dat nooit een probleem geweest. Alsof het gênant zou zijn om over de hoogte van de uitkering te debatteren.
In artikel 40, lid 2, staat ook dat de koning en de overige leden van het koninklijk huis die een uitkering ontvangen daarover geen belasting betalen. Evenmin betalen ze belasting over hun vermogen als ze dat gebruiken voor de koninklijke klussen die ze moeten uitvoeren omdat die nu eenmaal tot hun taak worden gerekend. De koning en zijn opvolger, in dit geval dus Beatrix en Willem-Alexander betalen evenmin belasting als ze erven van een lid van het Koninklijk Huis.

Verder laat de Grondwet (artikel 40) de mogelijkheid open om via aparte wetten ook andere leden van het Koninklijk Huis (behalve hier de genoemde) fiscaal uit de wind te houden. Wetsvoorstelletje, stemminkje in beide Kamers (waar zelden een woord van protest klinkt) en het is gepiept. Maar afgezien van de kerngroep van maximaal zes personen (de afgetreden, zittende en toekomstige koning met echtgenotes) komen die vrijstellingen  – voor zover bekend – weinig voor. De enige die werkelijk inzicht heeft is de Inspecteur van Belasting, maar hij heeft zijn ambtsgeheim.

Heeft koningin Beatrix een paar jaar geleden uit diep mededogen met haar familieleden die wel aan het Nederlandse belastingregime zijn onderworpen die stakkerds gelegenheid geboden om via haar `werkpaleis’ Noordeinde de fiscus te omzeilen? Mogelijk.  Haar zus, prinses Christina, die niet is vrijgesteld van belasting, kreeg van Beatrix – een van de zes belastingvrijgestelden in Nederland dus – de kans om haar werkpaleis als administratief ontduikingsadres te gebruiken, zodat ze in staat was geld weg te sluizen naar het Britse belastingparadijs Guernsey.

Ook de familie De Bourbon Parme, met wie zowel Beatrix als haar zus prinses Irene nauwe banden onderhouden, kreeg de gelegenheid fiscaal op Noordeinde onder te duiken. Strikt genomen waren deze constructies niet in strijd met de wet (wel met de geest), maar het blijft bizar dat het staatshoofd via haar paleis – ze heeft er maar liefst drie gratis ter beschikking van de staat – gelegenheid biedt de haar persoonlijk zo welgezinde fiscus te ontwijken.

Erfbelasting
De vrijheid van erfbelasting (successierechten) is gebaseerd op een buitengewoon merkwaardige gedachtegang.  Om een onafhankelijke positie te kunnen waarborgen moet de Koning over een eigen vermogen beschikken. En wij maar denken dat de koning van nature en vanwege zijn afkomst automatisch boven de partijen stond. Nee dus. Het lijkt eerder op een door de staat afgekochte onafhankelijkheid.  ‘Anders dan bij de vermogensbelasting tast immers het successierecht – en hetzelfde geldt ook voor het schenkingsrecht en het recht van overgang – het vermogen aan’, zo luidt de redenering.
De angst lijkt te zijn dat een Beatrix zonder eigen vermogen wel eens onder druk zou kunnen komen te staan van rijke snoodaards die haar een gunst willen afpersen. Bemiddeling bijvoorbeeld voor vestigingsvergunningen van buitenlandse bedrijven.
Zou ze echt tijdens haar jaarlijkse bezoeken aan de Bilderbergconferentie om gunsten worden belaagd door de top van het transatlantische zakenleven? Toch vervelend dat ze potentieel als omkoopbaar wordt gezien. Maar ja, het zit natuurlijk wel in de familie.
Op 27 oktober 1970 verdedigde premier Piet de Jong het geen-successierechten-beleid in de Tweede Kamer. De koning had volgens de minister-president eigen vermogen nodig om incidenteel excessieve uitgaven te doen en privé-bestedingen op te vangen. Dat maakte hem onafhankelijk van `zogenaamde weldoeners, waartegenover de koning zich verplicht zou kunnen voelen, indien zij uitgaven voor hun rekening nemen’.
Staatssecretaris van Financiën F. Grapperhuis ging in november 1970 in de Eerste Kamer op dit onderwerp door. De koning was niet in staat zelf een vermogen te verdienen. Hij kon naast zijn ambt geen andere functies in het economische leven vervullen, want dat zou zijn onafhankelijkheid in gevaar kunnen brengen.

Opmerkelijk is dat de koningen in de negentiende eeuw geen vrijstelling van successierechten genoten. Dat gebeurde voor het eerst bij het overlijden van Wilhelmina. Krachtens een ministeriële beschikking is over haar vermogen geen erfbelasting geheven. In 1947 heeft Piet Lieftinck, toenmalig PvdA-minister van Financiën, het vermogen van de vorstin per brief van successierechten vrijgesteld. Overigens woedt het debat over het wel dan niet betalen van erfbelasting door tot op de dag van vandaag. PvdA-kamerlid Jeroen Recourt had daarover op 4 oktober 2011 vragen gesteld. Rutte baseerde zich in zijn antwoord van 6 oktober – net zoals De Jong en Grapperhuis dat deden – op het rapport van de `commissie belastingvrijdom koninklijk huis’ (de commissie Simons) van 22 april 1967. De onafhankelijkheid van het staatshoofd moest gewaarborgd zijn. PvdA-kamerlid Recourt vroeg dus naar de bekende weg, want sinds de commissie Simons is er niets veranderd.

Rutte
Het was dezelfde Rutte die medio oktober 2011 beweerde dat het koningshuis in het kader van de bezuinigingen al genoeg had geleden. Hij voelde er niets voor om de Koninklijke familie die haar bijdrage al ruimschoots zou hebben geleverd nog eens aan te pakken. Maar hoe was de familie dan gekort? Waren hun riante uitkeringen gedecimeerd? Dat had in principe best gekund want Beatrix woont gratis, haar personeel (en dat van haar zoon en schoondochter) wordt door het Rijk betaald en ze kunnen alle onkosten declareren.
Een blik op de Rijksbegroting 2011 biedt uitkomst. De vliegregeling is iets ingeperkt, al geldt dat niet voor Hare Majesteit zelf. Maar het betekent wel dat Máxima nu minder gemakkelijk (althans in theorie) even het regeringsvliegtuig kan nemen om in Milaan een terrasje te pakken of een paar schoentjes te kopen. Verder wordt iets bezuinigd op de toch al exorbitante onkostenregeling voor het Koninklijke plezierjacht de Groene Draeck alsook de Koninklijke trein. Voorts is er iets minder geld beschikbaar voor het onderhoud van de drie paleizen die het staatshoofd van staatswege ter beschikking staan. Gezien de recente grote opknapbeurten en renovaties (denk aan het Paleis op de Dam) lijkt daar best mee te leven.
Van bezuinigingen op het gebied van beveiliging is geen sprake, terwijl dat de grootste post is. De beveiliging van de pleziertochtjes van de kroonprins en zijn gezin naar exotische oorden en buitenlands vastgoedbezit kost kapitalen.

Vermogensbelasting
Ook bij de betalingsregeling van vermogensbelasting is wazigheid troef. Rutte antwoordt in zijn brief aan Recourt dat artikel 40 van de Grondwet bepaald `dat vermogensbestanddelen van leden van het koninklijk huis, die dienstbaar zijn aan de uitoefening van het koningschap, niet worden meegenomen bij de berekening van de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (dit is een onderdeel van de inkomstenbelasting).
De inspecteur van de Belastingdienst die de aanslag inkomstenbelasting oplegt, bepaalt welke vermogensbestanddelen dat zijn’. Helaas mag de belastinginspecteur daarover geen nadere mededelingen doen. De commissie Simons meende al in 1967 dat de inspecteur vast niet geneigd zou zijn tot een streng beleid jegens de koningin. Als er gerommeld wordt (en zo ja in welke mate) onttrekt zich dat geheel aan onze waarneming, maar dat de inspecteur het niet op een conflict met Hare Majesteit zal laten aankomen, laat zich raden.
We weten natuurlijk niet wat de belastingmoraal van onze koningin is, maar haar medewerking aan de bedenkelijke belastingconstructies van zus Christina en de familie De Bourbon de Parme doet het ergste vrezen. Ook blijft volstrekt onduidelijk op welk deel van het privévermogen de regeling slaat. Want wat is eigenlijk het deel dat nodig zou zijn om het koningschap op adequate wijze uit te oefenen? De regering vindt het vreselijk moeilijk dat vast te stellen. Stel je voor dat Beatrix je om de een of andere reden op de thee nodigt. Is dat dan een privé- uitgave van de koningin? Of juist niet? De regering komt daar dus niet uit en laat daarom belastingbetaling liever maar helemaal achterwege. Toch zou het `probleem’ door een eenvoudig declaratiesysteem kunnen worden opgelost, maar dat lijkt nu juist niet de bedoeling.

Obama, Merkel, Sarkozy en Cameron
Tot slot wil ik een banale vergelijking niet uit de weg gaan. Banaal, omdat het hier immers om democratische principes gaat en niet om geld. Wat doen een Beatrix of een Willem-Alexander voor hun uitkering? Het antwoord is simpel: gewoon koningin of kroonprins zijn. Hoe ze dat invullen is afgezien van een aantal verplichtingen grotendeels hun eigen zaak.
De verantwoordelijkheden van moeder en zoon steken (nog afgezien van het feit dat niet zijzelf maar de ministers daar vanwege de ministeriële verantwoordelijkheid voor opdraaien) wel heel schril af bij die welke staatshoofden als Obama, Merkel, Sarkozy, Cameron of zelfs Rutte dragen. Met de beloning is het al niet anders. Obama krijgt als president van zeg maar een beduidend groter land jaarlijks 400.000 dollar (ongeveer 265.000 Euro), Merkel 200.000, Sarkozy 230.000 en Cameron 208.000 Euro als vergoeding (koersen van begin november 2011).
Voor allen geldt dat daar nog (tamelijk bescheiden) onkostenvergoedingen bijkomen.  Maar hun vader, moeder, echtgenoot of eerstgeboren kind (met partner) moeten het allemaal zonder een staatsuitkering stellen. Mark Rutte krijgt zo’n 144.000 Euro per jaar. Inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Bruto.  Zijn `B-component’ is ongeveer 40.000 Euro.

Dat zo’n armoezaaier pal staat voor het exorbitante inkomen van het staatshoofd getuigt van een onbaatzuchtig karakter.