De geopolitiek van de VS staat op gespannen voet met democratie en internationaal recht

Wie luistert naar de openlijke taal waarmee president Trump spreekt over grondstoffen in Venezuela, Groenland en Oekraïne, zou kunnen denken dat hier sprake is van een breuk met het verleden. Trump zegt hardop wat eerdere presidenten verhulden: strategische controle, veiligheid en toegang tot bodemschatten zijn geen bijzaak, maar kernbelang. Landen die over olie, gas, zeldzame metalen of strategische ligging beschikken, worden niet primair als soevereine staten gezien, maar als schakels in een groter geopolitiek en economisch systeem. Eerlijk is het wel. Vorige presidenten spraken altijd –  als ‘Leider van de Vrije Wereld’ – zalvende woorden over democratie, vrijheid en zelfbeschikking. Dat met ‘vrijheid’ primair zo ruim mogelijke investeringsmogelijkheden voor Amerikaanse bedrijven werd bedoeld hoorde je presidenten niet zeggen.

In mijn boek Nieuw-Guinea Verraden heb ik hard gemaakt dat dit denken een structureel kenmerk van Amerikaanse machtspolitiek is. De titel overschaduwt enigszins waar het in mijn boek werkelijk om gaat: de Amerikaanse geopolitiek sinds 1900 en de alsmaar toenemende greep van multinationals (met hulp van de CIA) op dat beleid.  Wat Trump vandaag expliciet maakt, werd decennialang impliciet uitgevoerd. Het drama van West-Nieuw-Guinea vormt daarvan een exemplarisch, maar vaak vergeten voorbeeld. Niet omdat het uniek was, maar juist omdat het zo herkenbaar is binnen een patroon dat zich wereldwijd heeft herhaald.

Trump en de openlijke herwaardering van grondstoffenpolitiek

De aantrekkingskracht van Venezuela ligt voor de hand: ’s werelds grootste bewezen oliereserves, jarenlang onttrokken aan Amerikaanse invloed door nationalisatie en sancties. Groenland is strategisch interessant vanwege zijn ligging, maar vooral vanwege zeldzame aardmetalen, uranium en toekomstige exploitatiemogelijkheden onder het smeltende ijs. Oekraïne bezit grote voorraden lithium, titanium en andere kritieke grondstoffen die essentieel zijn voor moderne technologie en de defensie-industrie.

Wat deze dossiers verbindt, is niet Trump als persoon, maar  zijn (onbesuisde) eerlijkheid over het motief. Waar eerdere presidenten spraken over democratie, stabiliteit of mensenrechten, spreekt Trump van ‘deals. En ‘soms ook wel over ruil: veiligheid en steun in ruil voor toegang. De façade is dunner geworden, maar de architectuur is al meer dan bijna anderhalve eeuw oud.

In Nieuw-Guinea Verraden (met als subtitel Amerikaanse multinationals, geopolitiek en de CIA, leg ik dit mechanisme bloot. Ook in onze voormalige kolonie ging het niet primair om zelfbeschikking, mensenrechten of internationale rechtsprincipes, maar om de vraag wie toegang kreeg tot de rijkdom onder de grond – en wie daarvoor moest wijken. De rijkdom van Nieuw-Guinea bestond uit immense voorraden kopen en goud.

De Amerikaanse geopolitiek sinds 1900: economische toegang als kernbelang

Al voor de twintigste eeuw is Amerikaanse buitenlandse politiek nauw verweven met economische expansie. De Verenigde Staten ontwikkelden zich niet als klassieke koloniale mogendheid met vlag en bestuur, maar als een macht die toegang wilde tot markten, grondstoffen en investeringsmogelijkheden. Dat beleid is tijdens de Tweede Wereldoorlog wel doordacht in de steigers gezet en na 1945 consequent uitgevoerd.

Het sleutelbegrip was steeds: openheid. Open havens, open markten, open investeringsklimaat. Maar die ‘openheid’ was hoogst eenzijdig. Het betekende primair dat landen open moesten staan voor Amerikaanse bedrijven, kapitaal en invloed. Vooral de Latijns-Amerikaanse landen kregen voor de Tweede Wereldoorlog te maken met die Amerikaanse ‘openheid’.

Na de Tweede Wereldoorlog werd deze logica geïnstitutionaliseerd. De VS kwamen als dominante macht uit de oorlog en bouwden zeer welbewust een nieuwe wereldorde waarin politieke loyaliteit, economische integratie en militaire samenwerking samenvielen. Voor het eerst in de wereldgeschiedenis vestigde Amerika een imperium met een minimum aan militair geweld. Landen mochten formeel onafhankelijk zijn, zolang zij binnen dit kader bleven opereren. Wie daarbuiten dreigde te treden – door nationalisatie, neutraliteit of links-nationalistisch beleid – werd al snel als probleem gezien.

De Tweede Wereldoorlog betekende het einde van Groot-Brittannië als wereldmacht. President Roosevelt van de Verenigde Staten heeft van de geallieerde landen geëist dat ze hun koloniën zelfbeschikkingsrecht moesten verlenen. Die eis kon niet worden genegeerd want de oorlog werd grotendeels door de Verenigde Staten gefinancierd en ook het meeste oorlogsmateriaal kwam uit Amerika. Premier Churchill maar ook de Nederlandse regering in ballingschap, de Belgen en de Fransen hebben tijdens de oorlog twee keer een document ondertekent waarin ze instemden met zelfbeschikkingsrecht van hun koloniën. Ze konden niet anders onder de zware Amerikaanse druk. Na de oorlog in de herfst van 1945 ondertekenden alle geallieerde landen het Handvest van de Verenigde Naties waarin het zelfbeschikkingsrecht opnieuw bevestigd werd. De insteek van Roosevelt was zeker niet van Amerikaans eigenbelang ontbloot. De  toegang tot de markten en grondstoffen van de koloniën was vrijwel altijd exclusief voorbehouden aan de ‘moederlanden’. Dat moest veranderen. Namelijk door het zelfbeschikkingsrecht dat de koloniën het recht gaf hun eigen regering te kiezen. Uiteraard het liefst met een welwillend oog voor Amerikaanse belangen. Er zat echter toch ook een humane kant aan het beleid van Roosevelt. Hij vond het koloniale systeem volstrekt achterlijk en achterhaalt  en hij schiep er genoegen in om Churchill dat flink in te peperen.

De CIA als instrument van economische geopolitiek

Na 1946 kreeg de Amerikaanse geopolitiek een nieuw en krachtig instrument: de CIA. Officieel opgericht voor inlichtingenwerk, maar al snel ingezet voor actieve beïnvloeding en regimeverandering.

De methoden waren divers en flexibel:
– financiering van politieke partijen en media
– omkoping van militaire elites en politici
– verspreiding van desinformatie
– aanwakkeren van interne conflicten
– bewapening van bevriende facties
– en in uiterste gevallen: eliminatie van politieke tegenstanders

Deze instrumenten werden niet willekeurig ingezet, maar vrijwel altijd gebruikt in landen waar regeringen de controle over eigen grondstoffen en economie wilden behouden of herwinnen. Landen met olie, mineralen, strategische ligging of grote afzetmarkten.

Het patroon is telkens hetzelfde: een nationalistische of links georiënteerde leider wordt neergezet als instabiel, gevaarlijk of ‘onbetrouwbaar’ en uiteraard ook als een vijand van democratie. Interne spanningen worden vergroot en aangewakkerd. Economische druk volgt. Vervolgens verschijnt een ‘betere’ leider: altijd pro-Westers, anticommunistisch en bereid tot concessies. Een corrupte president is geen bezwaar, eerder een voordeel: een chantabel regime is immers een handelbaar regime.

Indonesië als scharnierstaat in de Koude Oorlog

In Zuidoost-Azië kreeg dit patroon een bijzondere intensiteit. Indonesië was groot, strategisch gelegen en politiek instabiel. President Soekarno koos een koers van niet-gebondenheid, verzette zich tegen buitenlandse economische dominantie, weigerde na verloop van tijd Amerikaanse investeringen en wantrouwde westerse multinationals. Daarmee werd Soekarno een probleem.

In deze context kreeg Nieuw-Guinea een betekenis die niets te maken had met de bevolking van Nieuw-Guinea. Het gebied was geen Papoea-kwestie, maar een schaakstuk in een groter spel. Voor de gelegenheid werden de Papoea’s afgeschilderd als mensen uit het stenen tijdperk die nog lang niet op eigen benen konden staan. Toezicht was nodig zolang ze nog niet met mes en vork aten. Nederland wilde blijven om die schone taak belangeloos te verwezenlijken, net als Indonesië. De Amerikanen steunden na verloop van tijd Indonesië want Nederland zou zich toch niet kunnen handhaven; investeerders zijn nu eenmaal dol op politieke stabiliteit want die is nodig voor veilige investeringen. De vraag was niet wat rechtvaardig was, maar wat strategisch wenselijk werd geacht.

Voor Washington was het ook cruciaal dat Indonesië niet richting China of de Sovjet-Unie zou kantelen. Dat belang woog zwaarder dan internationale afspraken over zelfbeschikking. Nieuw-Guinea werd daarmee een ruilobject: Nederland moest wijken en Indonesië tevreden gesteld om de Amerikaanse belangen veilig te stellen

De rol van Nederland en prins Bernhard

Nederland presenteerde zich graag als hoeder van Papoea-zelfbeschikking, maar handelde ambivalent. Officieel werd gesproken over voorbereiding op onafhankelijkheid; maar het belangrijkste voor minister  van Buitenlandse Zaken Joseph Luns was toch om Nieuw-Guinea niet in handen van de door hem gehate Soekarno te laten vallen. Een tijdlang verdedigde hij ook het standpunt dat Nederland een steunpunt in Zuidoost Azië nodig had. Een bizar argument dat hij na verloop van tijd inwisselde voor zijn bezorgdheid over het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s.

Prins Bernhard speelde een opmerkelijke rol. Hij opereerde niet als formeel diplomaat, maar als netwerker, vertrouweling en belangenbemiddelaar voor onder meer de Groep-Rijkens, een ondernemerslobby die de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië bepleitte, in de hoop dat een overdracht de hun nog resterende economische belangen in Indonesië ten goede zou komen. De Groep was vernoemd naar Paul Rijkens, directeur van Unilever, die doorging voor een vriend van de prins. Het is zeker niet uitgesloten dat Bernhard ook nog andere (niet-Nederlandse) bedrijven vertegenwoordigde, maar daarvoor is geen bewijs.

Bernhards bezoek aan president Kennedy, waarbij hij pleitte voor overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië  – dwars tegen de lijn van minister Luns in – illustreert hoe informele macht functioneert.

Bernhard maalde niet om Papoea-rechten; het ging hem vooral om economische belangen en Atlantische solidariteit. Dat hij daarbij toegang had tot de hoogste Amerikaanse besluitvormingskringen, onderstreept nog weer eens hoezeer het formele beleid werd aangevuld – en soms ondergraven – door informele kanalen.

Freeport en het vooraf vastgelegde lot van Nieuw-Guinea

Het meest onthullende element in Nieuw-Guinea Verraden is het tijdstip waarop economische belangen werden vastgelegd. Al vóórdat de Papoea-bevolking zich zogenaamd mocht uitspreken in de ‘Act of Free Choice’ over haar eigen toekomst (zelfstandig of als deel van Indonesië), had de Amerikaanse multinational Freeport dat de rijke koper en goudvoorraden wilde ontginnen zijn contract al binnen. Op uiterst gunstige voorwaarden, wat logisch is als je bedenkt dat het bedrijf het contract zelf mocht opstellen. Soekarno was toen met behulp van de CIA al vervangen door Soeharto die precies deed wat de Amerikanen van hem verlangden. Dat was onder meer het opheffen van de communistische partij. Het leidde tot een gigantische slachtpartij die een half tot één miljoen al dan niet vermeende ‘communisten’ het leven heeft gekost. Iedereen die niet voor Amerika was, heulde volgens Washington met het communisme. Een derde weg bestond niet. Het zal niet verbazen dat Soeharto Amerikaanse investeerders een meer dan warm hart toedroeg.

Het contract van Freeport met Soeharto ontneemt elke geloofwaardigheid aan het idee dat de uitkomst nog open lag. Wie miljarden dollars in exploitatie investeert, doet dat niet in een politiek vacuüm. De overdracht aan Indonesië was geen risico, maar een voorwaarde.

De ‘Act of Free Choice’ was geen beslissend moment, maar een rituele bevestiging van een reeds genomen besluit. Het zelfbeschikkingsrecht functioneerde als legitimatie achteraf, niet als uitgangspunt vooraf. Het was een ‘Act of No Choice’.

Soeharto: de ideale partner

De machtswisseling van Soekarno naar Soeharto paste naadloos in dit scenario. Waar Soekarno lastig, ideologisch en onvoorspelbaar was, bleek Soeharto pragmatisch, hiërarchisch en gevoelig voor economische prikkels.

Zijn corruptie was geen obstakel, maar een instrument. Een leider die persoonlijk profiteert van buitenlandse investeringen, zal die investeringen beschermen. Onder Soeharto werd Indonesië opengesteld voor westerse bedrijven, werden contracten gerespecteerd en werden lokale protesten met harde hand onderdrukt. Volgens Transparency International heeft de familie Soeharto en haar kliek (corrupte politici, generaals en politieofficieren die opdracht hadden de Papoea’s in toom te houden) ongeveer 32 miljard dollar aan steekpenningen opgestreken.

Voor Washington was dit geen moreel dilemma, maar een rationele keuze. Stabiliteit woog zwaarder dan democratie. Toegang tot grondstoffen woog zwaarder dan mensenrechten.

 De Papoea’s: structureel kansloos

In deze constellatie hadden de Papoea’s geen enkele reële kans op zelfstandigheid. Niet omdat zij geen recht hadden, maar omdat hun recht botste met machtige belangen. Zelfbeschikking bleek een leeg begrip zodra het economisch inconvenient werd.

De Papoea-bevolking werd nooit als een volwaardige gesprekspartner gezien, maar als variabele. Hun land werd een mijnbouwgebied, hun leefomgeving een kostenpost, hun cultuur een obstakel.

Wat volgde was geen tijdelijke achterstelling, maar een structurele tragedie: militarisering, landonteigening, ecologische verwoesting en sociale ontwrichting. De rijkdom van de bodem werd de armoede van de bevolking. De firma Freeport heeft zijn positie grenzeloos uitgebuit. Nieuw-Guinea beschikte op de een na grootse kopervoorraad én de grootste voorraad goud ter wereld. Vrijwel niets daarvan is bij de Papoea’s terechtgekomen. Integendeel.

Continuïteit tot vandaag

De parallel met het heden is onmiskenbaar. Of het nu gaat om Venezuela, Groenland, Oekraïne of Nieuw-Guinea: telkens opnieuw blijkt dat wie over strategische grondstoffen beschikt, zijn soevereiniteit slechts mag uitoefenen zolang die niet botst met grootmachten en multinationals.

Trump heeft dit mechanisme niet uitgevonden. Hij heeft het wel benoemd. Hij wil altijd en overal deals sluiten maar verhult dat niet zoals zijn voorgangers. Diplomatie interesseert hem niet. Hij heeft zichtbaar gemaakt wat decennialang werd verhuld: dat geopolitiek en economie geen gescheiden domeinen zijn, maar elkaars verlengstuk. Wellicht ten overvloede: dit is een constatering; niet een huldebetoning aan Trump

Nieuw-Guinea Verraden biedt behalve een historische reconstructie ook een sleutel tot begrip van de hedendaagse wereldpolitiek. Het laat zien hoe idealen worden ingezet als instrumenten, hoe rechten worden opgeschort in naam van stabiliteit, en hoe volkeren kunnen worden geweerd uit het besluitvormingsproces zodra hun land waardevol wordt.

Het lot van de Papoea’s was geen ongeluk van de geschiedenis, maar het gevolg van een systeem. En zolang dat systeem intact blijft, is Nieuw-Guinea geen uitzondering, maar een waarschuwing.

Een slaapfeestje bij de koning 

‘Daddy’ Trump werd door zijn collega Willem-Alexander – zo mag je de koning inmiddels wel noemen – hartelijk onthaald in paleis Huis ten Bosch voor een diner, een slaapfeestje en een ontbijt. Het gepamper van Trump werd door velen misselijkmakend gevonden. Anderen vonden dat we de semi-dictator en veroordeelde crimineel ten koste van alles te vriend moesten houden. De kwijlorganen van Navo-chef Rutte draaiden overuren en in de speech van de koning viel evenmin een onvertogen woord over de Amerikaanse olifant in de porseleinkast te beluisteren. Hij sprak ook lovende woorden over zijn overgrootmoeder Wilhelmina en haar rol bij de Haagse vredesconferenties.

Voor Trump, de zelfbenoemde dealmaker, was de Navo-top een feestje. Dat hij überhaupt was gekomen werd als een prestatie van de organisatie beschouwd. Er was ook diep nagedacht hoe ze hem het beste konden lijmen, want stel je voor dat hij de Navo de rug toekeerde. Dan hadden we in een mum van tijd de Russen over de vloer.

De grote dealmaker kreeg in veel opzichten zijn zin. Hij vond dat de Europese Navo-landen hun defensie-uitgaven (twee procent van het BBP) werkelijk moesten halen, maar vier of vijf procent zou daddy pas echt tevreden stellen. Zijn gedram draaide uit op toezeggingen om de militaire budgetten fors te verhogen. Die zullen tot ovaties in de directiekamers van Amerikaanse wapenfabrikanten hebben geleid; zij leveren naar schatting zo’n 60 à 65 procent van het NAVO-wapentuig. De producenten van F-35’s, Patriots, HIMARS, munitie, radarsystemen, drones, software en geavanceerde afweersystemen konden hun geluk niet op. Begrijpelijk: als de uitgaven van Europese Navo-landen stijgen tot Trumps droomhoogte (en het Amerikaanse marktaandeel gelijk blijft), zal de omzet jaarlijks met honderden miljarden toenemen.

Voor Trump is de Navo geen alliantie maar een businessmodel. Door te buigen voor de eisen van de president heeft het bondgenootschap zich nóg afhankelijker van de VS gemaakt dan ze al was. De koning/historicus herinnerde de aanwezigen tijdens zijn speech aan zijn overgrootmoeder Wilhelmina die paleis Huis ten Bosch beschikbaar had gesteld voor de eerste Haagse Vredesconferentie in 1899. Vertegenwoordigers van 26 landen kwamen daar bijeen ‘vervuld van het gevoel dat het voor altijd vrede zou zijn.’

Wilhelmina gruwde van de Haagse vredeconferenties (in 1907 was er nog een). Ze geloofde niet in vrede. Het zou betekenen dat op uitgaven voor defensie werd beknot en dat vond ze onacceptabel. Hoe meer wapens hoe mooier. Wilhelmina had het vast uitstekend met Trump kunnen vinden.

Toch hadden die conferenties wel degelijk nut. Het ‘Reglement betreffende de wetten en gebruiken van den oorlog te land’ (ofwel de LOR) dat voortvloeit uit de vredesconferenties is nog steeds volop in gebruik. Mede op grond daarvan zijn Duitse oorlogsmisdadigers veroordeeld. Wilhelmina kon er geen interesse voor opbrengen. Ze beschouwde de keuze van de internationale mogendheden voor Den Haag als conferentieplaats zelfs als een regelrechte schoffering. Nederland maakte zich met zijn gastheerschap belachelijk en zelf voelde ze zich als staatshoofd publiekelijk voor joker gezet.

Voor de openingszitting had ze (onder druk van het kabinet) Huis ten Bosch ter beschikking gesteld. Zelf wilde Majesteit niets met de conferentie te maken hebben wat ze onderstreepte door demonstratief met vakantie te gaan in het Zwarte Woud. Vakanties waren, net als tegenwoordig, hoogst populair bij de koninklijke familie.

Bij de Tweede Conferentie in 1907 was Wilhelmina nog steeds niet van mening veranderd. De uitnodiging om de eerste steen voor het Vredespaleis te leggen, wees ze af. Bij de opening was ze wel aanwezig, zij het tegen heug en meug. Ze beschrijft haar afkeer in Eenzaam maar niet alleen  uit 1959. Van enig voortschrijdend inzicht of relativering was een halve eeuw later geen sprake. Dat haar achterkleinzoon Trump ongegeneerd in de watten legde, had ze ongetwijfeld gewaardeerd. Méér wapentuig. Fantástisch!

De lessen van Lockheed

Het Lockheed-schandaal dat Nederland midden jaren zeventig in heftige beroering bracht, was een affaire waarin corruptie, smeergeld en mondiale wapenhandel de hoofdrol speelden. Het schandaal, dat nauw samenhing met ‘Watergate’ bracht de regering van de Verenigde Staten, een aantal West -Europese Landen, Azië en het Midden-Oosten in de grootste mogelijke verlegenheid. Ook de Nederlandse regering zag zich in een precaire positie gemanoeuvreerd.

Al spoedig deed in Den Haag het verhaal de ronde dat prins Bernhard bij de affaire betrokken was en zich had laten omkopen door de Amerikaanse vliegtuigfirma. Het kabinet onder leiding van Joop den Uyl weigerde de berichten uit Washington aanvankelijk te geloven.

Dat de echtgenoot van Koning Juliana corrupt zou zijn werd onmogelijk geacht. Tegen beter weten in. Als het tóch waar zou zijn stond het voortbestaan van de monarchie op het spel. Het razend-populaire koningshuis aanpakken was (en is) de nachtmerrie van iedere politicus, want electoraal gezien staat het gelijk met zelfmoord.

De ‘Commissie van Drie’, inderhaast aangesteld om de affaire te onderzoeken, kwam met overtuigende bewijzen dat de prins inderdaad corrupt was. Maar aangezien Bernhard hardnekkig bleef ontkennen, durfde het kabinet de stap niet aan de prins daadwerkelijk
te beschuldigen. Van een rechtszaak kon geen sprake zijn.

Premier Den Uyl draaide meesterlijk om de hete brei heen met de opmerking tegen de Tweede Kamer dat Bernhard ‘zich toegankelijk [had] getoond voor onoorbare verlangens en aanbiedingen’, terwijl hij wist dat Bernhard tot op het bot corrupt was. Hij had niet alleen smeergeld aangenomen van Lockheed maar ook van diens concurrent Northrop.

In het boek heb ik veel aandacht besteed aan de vele landen waar politici en ministers smeergelden van Lockheed hadden aangenomen. Ze werden allemaal, zonder aanzien des persoons, berecht en tot gevangenisstraffen veroordeeld. Bernhard’s straf (eigenlijk niet meer dan een ‘dringend verzoek’) was dat hij voortaan geen uniform meer mocht dragen, maar zelfs die ‘straf’ heeft maar een paar jaar geduurd.

Het was een treffend staaltje van rechtsongelijk, waar het buitenland met verbazing naar heeft gekeken.

De Lockheed Affaire. Nederlands eigen Watergate, smeergeld en corruptie is nu te koop bij de boekhandel.

Terug naar de Middeleeuwen

In mijn boek Gevecht met de Tijd (2013) beschrijf ik hoe ‘de aarde in vier eeuwen vier miljard jaar ouder werd’. Dat vergt een kleine toelichting: midden zeventiende eeuw berekende de Ierse bisschop James Ussher aan de hand van de Bijbel (en andere heilige christelijke geschriften) dat onze planeet 4004 voor Christus was geschapen. Op 22 oktober om precies te zijn.
Usshers werk was een verbazingwekkend staaltje van rekenkunst, maar volgens de normen van zijn tijd helemaal state of the art. Vierhonderd jaar later weten we dat de aarde 4.6 miljard geleden ontstond (met een onzekerheidsmarge van circa twintig miljoen jaar).

Gevecht met de Tijd biedt een blik op vier eeuwen wetenschapsgeschiedenis en laat zien hoe de wetenschap in die periode is geëvolueerd ten koste van het streng religieuze denken over de wereld.
In het laatste hoofdstuk besteed ik aandacht aan onze eigen Bible belt. Hoe kijkt men daar in onze tijd tegen de stand van wetenschap aan? Geloven ze op de Veluwe en in Zeeland dat de aarde een geschiedenis van miljarden jaren achter de rug heeft?

Nee, onze vaderlandse fundamentalisten geloven er nog steeds geen moer van en volharden, met fervente steun van de Evangelische Omroep, in de waanidee dat God de wereld zesduizend jaar geleden heeft geschapen.

Ze weten zich met die opvatting in gezelschap van het overgrote deel van de moslimwereld. En niet te vergeten in dat van de Amerikaanse christelijke fundamentalisten die als ‘creationisten’ stug blijven vasthouden aan een ‘jonge schepping’. Ongeveer de helft van de Amerikaanse bevolking gelooft nog steeds heilig in Gods razendsnelle creatieklus van zes dagen zoals die in Genesis, het eerste Bijbelboek, is beschreven. Dat is op zich al verbijsterend, maar nog bizarder is dat een aantal kandidaten voor de presidentsnominatie van de Republikeinse partij nog steeds zo denkt. Buitengewoon opmerkelijk is voorts dat onder de Republikeinen het aantal creationisten zelfs stijgt. Met andere woorden: zij vinden dat evolutie gewoon flauwekul is en dat God zesduizend jaar geleden zijn Schepping afrondde (met een welverdiende rustdag voor zichzelf). Elke zondag gaat de helft van Amerika naar de kerk om dat als vaststaand feit te vieren.

De fondsenwerving van de kandidaten voor de presidentsnominatie van 2016 is begin 2015 in volle gang. Van Democratische zijde wordt nog relatief weinig vernomen – het wachten is op Hillary Clinton – maar aan het conservatieve Republikeinse front is het een drukte van belang. Mitt Romney, de Republikeinse verliezer van Obama in 2012, is al weer als kandidaat afgevoerd. De baas van Fox News, Rupert Murdoch, pruimde hem niet. Tenslotte had hij het bij de vorige verkiezingen niet slim aangepakt en dat brak hem op. Overigens zijn de denkbeelden van Romney, een mormoon, ook nauwelijks van deze tijd.

Jebb Bush, broer van George W en zoon van George H.W. Bush, naar zijn rangnummer als president ook wel  ‘nr. 41’ genoemd, begint zich in het vroege voorjaar van 2015 sterk te profileren. Hij lijkt een redelijke kans te maken op de nominatie. Samen met zijn vrouw, de Mexicaanse Columba Garnica Gallo, bidt hij weliswaar iedere dag tegen de klippen op, maar met echt rare dingen op religieus gebied valt het best mee. Een kopzorg voor de Democraten is natuurlijk wel dat hij vanwege zijn vrouw – die nog steeds met een zwaar Spaans accent Engels spreekt – een grote aantrekkingskracht op de vele Hispano-kiezers kan uitoefenen. Jebb laat zich liever niet vergelijken met zijn vader of broer: ‘I am my own man’. Met deze doorwrochte oneliner probeert hij zich te onderscheiden van zijn concurrenten.

Nee, dan Mike Huckabee. Hij draagt God op handen en God hem, als ik hem goed heb begrepen. Tijdens de vorige verkiezingen verwierf hij onder uit Nederland afkomstige sympathisanten een zekere faam omdat hij- meen ik me te herinneren – het woord ‘rookworst’ feilloos kon uitspreken. Je vraagt je af waarom de Hema hem niet stante pede heeft gecontracteerd.
Huckabee is een graag geziene gast in christelijke tv-programma’s.

Onlangs verklaarde hij voor de camera dat hij erover dacht zich kandidaat te stellen voor 2016. Amerika had volgens Huckabee zichzelf uit het oog verloren als een natie die zich altijd veilig rondom Gods troon had geschaard. Maar de VS zijn een land geworden dat niet begrijpt dat zijn wetten niet door mensen maar door God hoogst persoonlijk zijn gemaakt. Een soort van christelijke sharia. Amerika kreeg zijn wetten, stelt Huckabee, zoals God op de berg Sinaï aan Mozes de kleitabletten met de Tien Geboden gaf.

Eigenlijk ziet Huckabee het liefst God zelf als president, maar aangezien dat op wat praktische bezwaren stuit, lijkt het hem een goed plan zelf in het Oval Office plaats te nemen onder direct toezicht van de Allerhoogste. Van een scheiding tussen kerk en staat blijft zo nog maar weinig over. Gun God ook eens Zijn rust, denk je dan. Zelfs in Genesis mocht Hij, na zes dagen noeste scheppingsarbeid, een dagje luieren. Huckebee ziet Hem echter het liefst full time aan het werk ter meerdere glorie van de Verenigde Staten.

Rick Perry deed in 2012 een vergeefse gooi naar het presidentskandidaatschap van de Republikeinse partij, de Grand Old Party (GOP). Nu staat hij weer te trappelen. Behalve Gouverneur van Texas is Perry ook een uitgesproken man Gods. Toen Texas in april 2011 werd geteisterd door enorme bosbranden, vaardigde hij een proclamatie uit waarin hij de bevolking opriep tot drie Dagen Bidden voor Regen in de Staat Texas.

Een maand later vond hij dat het tijd werd om alle problemen waarmee de U.S. kampte in Gods hand te leggen met de bede: ‘God: You are going to have to fix this.’ Perry bidt graag, het liefst in grote evangelische gezelschappen, de sterren van de hemel. Net als Huckebee zie hij het liefst dat God zelf Amerika gaat leiden. God for president. Beiden zien zich in het Witte Huis als intermediair van God.

Gouverneur Scott Walker van Wisconsin – hij hoopt ook een gooi te doen naar het presidentskandidaatschap voor zijn partij in 2016 – gelooft heilig in creationisme, al doet hij om politieke reden liever geen harde uitspraken. Vroeger wel, maar het meer progressieve deel van de GOP nam hem zijn woorden niet in dank af. Nu beweert hij dat religie en wetenschap ‘compatible’ zijn. Hij gelooft in beide, beweert hij. In februari 2015 twitterde Walker: ‘Both science & my faith dictate my belief that we are created by God.’ Voor wie staat en godsdienst gescheiden wil houden, lijkt ook Walker geen goede keus.

In een aantal conservatieve Amerikaanse staten is onderwijs in de evolutieleer verboden. In andere moet het creationisme als ‘alternatieve theorie’ worden aangeboden. Wie voor het Darwinisme gaat, kiest immers voor een enkele reis hel en verdoemenis. De evolutieleer is een sluipend gif dat vooral tere kinderzieltjes in het onderwijs besmet en garant staat voor een plek in de hel.

Het felle verzet van Republikeinen tegen theorieën over opwarming van de aarde door menselijke activiteit vindt – naast tomeloze zucht naar winst – ook zijn oorsprong in de Bijbel. De opwarming van de aarde is in hun ogen een uitvinding van linkse wetenschappers die erop uit zijn de invloed van de staat te vergroten en de positie van energiemaatschappijen en andere bedrijven te ondermijnen. Zeg maar groen fascisme. Wetenschappers zouden onzin uitkramen, omdat ze bang zijn hun baan te verliezen.

Republikeins Senator James M. Inhofe ziet dat allemaal haarscherp en hij heeft sterke papieren, vindt hij zelf althans. Maar dat heb je met God aan je zijde. Als bewijst slaat Inhofe ons om de oren met Genesis 8, vers 22: ‘Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan.’
Volgens Inhofe is ‘God nog steeds daarboven’ en de ‘arrogantie‘ van mensen, namelijk de gedachte dat ze het klimaat überhaupt zouden kunnen veranderen, maakt de godvrezende Senator ‘razend’. God staat heel simpelweg niet toe dat er met zijn Schepping wordt gerommeld.
Inhofe heeft zich niet kandidaat gesteld, maar gevreesd mag worden dat zijn ‘visie’ op klimaatverandering breed wordt gedragen in zijn partij.

Voor het gros van de GOP is er sinds de tijd van James Ussher niets veranderd.

Julian Assange

Klokkenluiders hebben het moeilijk. Edward Snowden zit tegen zijn zin in Rusland en Julian Assange, een van de oprichters van WikiLeaks, zit al twee jaar ‘gevangen’ op de ambassade van Ecuador, waar hij politiek asiel heeft aangevraagd.

Assange is terecht bang dat hij uitgeleverd zal worden aan de Verenigde Staten waar draconische straffen worden geëist tegen mensen die de wanpraktijken van de Amerikaanse inlichtingendiensten aan de kaak stellen. Zulke mensen zouden echter niet bestraft, maar gehuldigd moeten worden. De politie bewaking van de ambassade in Londen waar Assange zich schuilhoudt, heeft ondertussen al bijna acht miljoen euro gekost, een bedrag dat de Britten willen terugvorderen in Stockholm.

De Verenigde Staten hebben Zweden gevraagd om Assanges uitlevering. Zweden doet daarover niet moeilijk en het is voorstelbaar dat Assange weinig zin heeft om de rest van zijn leven in een Amerikaanse cel door te brengen. Die kans is levensgroot. In Zweden, waar servers van WiliLeaks staan, en waar Assange graag verbleef, is hij aangeklaagd voor `seksueel wangedrag’ bij twee dames, die geheel vrijwillig met hem naar bed zijn geweest, maar die achteraf klaagden dat hij geen condoom had gebruikt. De beide vrouwen leerden elkaar toevallig kennen, wisselden hun ervaringen uit, en besloten dat hun minnaar moest hangen. Op grond van hun beschuldiging wil Zweden Assanges uitlevering.

Assange heeft zich destijds in Zweden beschikbaar gesteld voor verhoor maar de Zweedse justitie had geen enkele haast dat te doen, wat ook te maken zou hebben gehad met de niet al te harde beschuldigingen van beide minnaressen. Dat veranderde toen Amerika lucht van zijn verblijf in Zweden kreeg. Assange nam toen het zekere voor het onzekere en vluchtte naar Groot-Brittannië.
De Zweedse aanklager Marianne My weigert Assange in Londen te horen. Als Zweden van plan is hem uit te leveren aan Amerika is dat begrijpelijk, want dan zou het zinloos zijn. In het tegenovergestelde geval is het onbegrijpelijk, want Zweden toog vorig jaar wel voor een geval van pedofilie naar Belgrado waar de verdachte vastzit.

Waarom heeft Washington geen uitleveringsverzoek aan Londen gericht, een van zijn trouwste bondgenoten? Vermoedelijk omdat in Groot-Brittannië een uitleveringsverzoek op een openbare zitting wordt behandeld. De verdachte hoeft gedurende de tijd dat het verzoek loopt niet in de cel af te wachten. Voor Amerika is het vervelend dat het zijn uitleveringverzoek met argumenten in het openbaar moet staven. Het is logisch dat de Amerikanen het spel liever via Zweden spelen, waar dergelijke verzoeken achter gesloten deuren worden behandeld. Als hij wordt vrijgesproken van beweerd seksueel wangedrag, kan hij toch op een vliegtuig naar Amerika worden gezet.

Op 16 juli 2014 beslist een rechter in Stockholm of het (internationale) arrestatiebevel zal worden gehandhaafd of opgeheven. In dat laatste geval kan Assange de ambassade verlaten. Zo niet dan zal hij nog zes jaar moeten wachten. Dan verjaart het bevel.