Berichten

Een hardnekkige misverstand

Vaak zetten monarchisten mij voor het blok – althans dat hopen ze – met de opmerking: ‘hoe kun je nou zeggen dat het koningschap ondemocratisch is; opiniepeilingen wijzen toch uit dat er een ruime meerderheid voor de monarchie is?’

Dus zolang de koning populair is en een meerderheid van de bevolking het koningschap steunt, zou het ‘democratisch gelegitimeerd’ zijn. Het klinkt redelijk. Het klinkt modern. Het klinkt zelfs democratisch. Maar het is niets van dat alles. Het een denkfout. Populariteit is geen democratie. En opiniepeilingen zijn dat al evenmin.

Democratie is geen kwestie van sympathie, maar van principes. Democratie berust op volkssoevereiniteit, verkiesbaarheid, verantwoording en afzetbaarheid. De essentie van een democratisch systeem is dat macht voortkomt uit vrije verkiezingen en dat die macht ook weer kan worden afgenomen. Bijvoorbeeld bij disfunctioneren. Een erfelijk koningschap voldoet in geen velden of wegen aan deze criteria. De koning wordt immers niet gekozen, hij legt geen politieke verantwoording af (de minister is verantwoordelijk voor al zijn daden) en hij kan niet worden afgezet. Zelfs niet als hij het ene schandaal op het andere zou stapelen; een scenario dat – historisch gezien – niet eens geheel hypothetisch is.

Pas als hij geestelijk niet langer competent is kan hij ‘buiten staat’ worden verklaard. Hij wordt dan opgevolgd door de eerste in de lijn van troonopvolging. Of die nog meer of misschien wel veel minder schandalen veroorzaakt doet er niet toe. Wat telt is dat hij in de juiste wieg is geboren.
Dat een aanzienlijk deel van de bevolking dit accepteert of – erger nog – zelfs toejuicht, verandert niets aan dat fundamentele gegeven.

De historische oorsprong van het Nederlandse koningschap kwam al evenmin op democratische basis tot stand. Na de val van Napoleon werd Europa heringericht door de grote mogendheden; allemaal monarchieën. Tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) besloten zij tot de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden als bufferstaat tegen Frankrijk. De soevereiniteit lag niet bij het volk, maar bij de grootmachten van toen: het Verenigd Koninkrijk, Rusland, Oostenrijk en Pruisen. Dat Willem Frederik van Oranje-Nassau, als koning Willem I op de troon belandde, had geen democratische basis, maar was het gevolg van geopolitieke afwegingen in Londen, Sint Petersburg, Wenen en Berlijn.

Al even ondemocratisch was de rol van het zogeheten Driemanschap van Gijsbert Karel van Hogendorp, Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum. In november 1813 trokken zij de macht naar zich toe in het machtsvacuüm dat was ontstaan na het vertrek van de Fransen. Zij riepen eigenmachtig de soevereiniteit uit en boden Willem Frederik de troon aan. Geen verkiezingen, geen mandaat, geen volksraadpleging; slechts een kleine elite bepaalde de staatsvorm. Een coup van notabelen. Uitgevoerd in naam van het volk, maar zonder het volk te hebben geraadpleegd.

Dat deze ondemocratische oorsprong later is ingebed in een constitutioneel systeem met parlementaire controle, doet aan de kern niets af. Maar liefst 26 van de 142 artikelen van de Grondwet zijn aan de koning gewijd. Die 26 artikelen schuren nogal met artikel 1 van de Grondwet, dat stelt dat iedereen in Nederland gelijk wordt behandeld, al wordt die gelijkheid meteen rigoureus ingeperkt met: ‘in gelijke gevallen’. De familie Van Oranje-Nassau is nu eenmaal niet gelijk aan alle andere Nederlandse families. Neem artikel 24: ‘Het koningschap wordt uitgeoefend door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.’ Dat is in directe tegenspraak met artikel 1, om het voorzichtig te formuleren.

Artikel 1 stelt dat ‘discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook’, verboden is. ‘Geboorte’ wordt expliciet niet genoemd en valt kennelijk evenmin onder ‘op welke grond dan ook’. Het is bewust weggelaten. Het zou de monarchie als staatsvorm immers onmogelijk hebben gemaakt.

De monarchie is een ons opgedrongen instituut dat zich – omdat het niet anders kon – heeft aangepast aan democratische structuren. Maar het instituut zelf is nooit democratisch geworden, kan dat ook niet zijn en zal het ook nooit worden.

Populariteit is niet hetzelfde als democratie

Keren we terug naar het argument van populariteit. Stel dat een opiniepeiling uitwijst dat 70 procent van de bevolking het koningschap wil behouden. Wat betekent dat dan precies? Het betekent dat 70 procent van de respondenten een voorkeur uitspreekt voor een bestaand instituut. Maar een voorkeur is geen legitimatie in democratische zin. We laten opiniepeilers toch niet de plaats van verkiezingen innemen? Die gedachte zou vermoedelijk zelfs geharde  monarchisten te ver gaan. Democratie vereist niet alleen instemming, maar ook keuzevrijheid tussen alternatieven en de mogelijkheid tot verandering. We moeten keuzes hebben. Zolang de monarchie niet via een expliciete, vrije en herhaalbare keuze van het electoraat is ingesteld en ook op die manier weer kan worden afgeschaft, is er geen sprake van democratie.

Sterker nog: het beroep op populariteit ondermijnt het democratische argument. Wie zegt dat de monarchie ‘mag blijven omdat zij populair is’, erkent impliciet dat het instituut zelf geen democratische basis heeft. Voorstanders grijpen naar opiniecijfers om een gebrek aan formele legitimiteit te maskeren. Dat heeft niets met democratie te maken, maar alleen met sentiment en traditie. Wie democratie reduceert tot populariteit, reduceert haar tot marketing. Dan wint niet het beste staatsbestel, maar het meest geliefde imago.

Het koningschap kan geliefd zijn, gekoesterd zelfs. Voor Oranjeliefhebbers is dat ongetwijfeld een waarde op zichzelf. Fijn voor de Oranjeklanten maar dat verandert niets aan wat toch de conclusie moet zijn: een erfelijke monarchie, hoe populair ook, is geen democratie maar een institutioneel overblijfsel uit een tijd waarin het volk nog geen stem had. Dat we die stem tegenwoordig in peilingen meten, maakt haar niet beslissend. Democratie is geen thermometer die de temperatuur van de publieke opinie meet.

Democratie is een systeem dat macht legitimeert of juist ontneemt. Een erfelijke monarchie –  hoe breed ook gedragen – blijft in de kern ondemocratisch. De vorm van ongelijkheid die dat mogelijk maakt (‘geboorte’)  – geniet zelfs constitutionele bescherming.

Het vetorecht maakt van democratie een lachertje

De Europese Unie presenteert zich graag als een baken van democratie. Maar op cruciale momenten gaat het mis als een land (of zelfs maar één man) gaat dwarsliggen.  Zoals Viktor Orbán van Hongarije. Hij kon dat doen omdat in de EU het vetorecht geldt. Één land kan een besluit tegenhouden dat door alle andere lidstaten is aangenomen. Zo kan het gebeuren dat de Unie op essentiële punten meer lijkt op een stelsel van wederzijdse gijzeling dan een democratie.

Het vetorecht wordt steevast verdedigd met een beroep op nationale soevereiniteit. Kleine landen zouden bescherming nodig hebben tegen grote. Zoals het kleine Luxemburg tegen het grote Frankrijk. Dat klinkt sympathiek, maar in werkelijkheid beschermt het veto niet de zwakken, maar (zoals in het geval van Hongarije) de dwarsligger. Het vetorecht geeft regeringen de macht om Europese besluitvorming te gijzelen voor binnenlandse politieke winst, electorale profilering of simpelweg obstructie. Orban was daar een meester in. Laten we hopen dat Peter Magyar zich houdt aan zijn verkiezingsbeloften en niet in de voetsporen van zijn oude baas Viktor Orbán treedt.

De praktijk is bekend. Sancties worden afgezwakt, buitenlands beleid verlamd, belastinghervormingen eindeloos vertraagd. Niet omdat er geen meerderheid is – die is er vaak  ruimschoots – maar omdat één regering doodleuk besluit dat háár nationale belang zwaarder weegt dan dat van de overige 26. Dat is geen democratie maar chantage, verpakt in vetorecht.

De verdedigers van het vetorecht wijzen erop dat afschaffing mogelijk is met volledige unanimiteit. Dat is juist maar het is ook de kern van het probleem. Het systeem kan uitsluitend worden hervormd met instemming van alle landen. Als een land dwarsligt (oftewel ‘een Hongaartje doet’) verandert er niets. Kán er niets veranderen.

Verandering is niet absoluut onmogelijk. De EU heeft in de loop der jaren soms laten zien dat politieke wil juridische barrières kan verschuiven. Via zogenoemde “passerelle-clausules” kan men overstappen van unanimiteit naar meerderheid. Een passerelleclausule (overbruggingsclausule) is een bepaling in de EU-verdragen waarmee de besluitvormingsprocedure kan worden aangepast zonder formele verdragswijziging. Zo kan worden overgestapt van unanimiteit (vetorecht) naar een gekwalificeerde meerderheid, of van een bijzondere naar de gewone wetgevingsprocedure. Dat neemt evenwel niet weg dat het vetorecht de wereld uit moet.

Besluiteloosheid vormt in een wereld van geopolitieke spanningen, economische concurrentie en militaire dreiging een (té) groot risico. Een Unie die niet kan handelen verliest onvermijdelijk zijn invloed – en uiteindelijk ook zijn relevantie. Het vetorecht, ooit bedoeld als waarborg voor de kleine landen om niet gedomineerd te worden door de grote, dreigt zo een instrument van zelfondermijning te worden.

Er is nog een principiëler punt. Democratie betekent niet dat iedereen het altijd eens moet zijn. Democratie betekent dat besluiten tot stand komen op basis van meerderheid, met bescherming van minderheden. Zo gezien is absoluut blokkaderecht een gedrocht en eigenlijk  onaanvaardbaar.

De kern van het probleem is dat de EU blijft hangen tussen twee modellen: een statenbond waarin unanimiteit logisch is, en een politieke unie waarin meerderheid de norm zou moeten zijn maar dat dus niet is. Zolang die keuze niet wordt gemaakt, blijft het vetorecht een symptoom van institutionele halfslachtigheid.

De vraag is dus niet of het vetorecht juridisch kan worden afgeschaft. Dat kan. Maar dan moeten wel alle landen unaniem vóór zijn. En dat is precies het probleem. Één dwarsligger en het gaat niet door. Juridisch kan het dus in principe maar de vraag is of de politieke moed bestaat om het te doen. Zolang die ontbreekt, blijft de Europese Unie een systeem waarin één land (en in het geval van Hongarije maar één man)  het collectieve belang kan blokkeren.