De geopolitiek van de VS staat op gespannen voet met democratie en internationaal recht
Wie luistert naar de openlijke taal waarmee president Trump spreekt over grondstoffen in Venezuela, Groenland en Oekraïne, zou kunnen denken dat hier sprake is van een breuk met het verleden. Trump zegt hardop wat eerdere presidenten verhulden: strategische controle, veiligheid en toegang tot bodemschatten zijn geen bijzaak, maar kernbelang. Landen die over olie, gas, zeldzame metalen of strategische ligging beschikken, worden niet primair als soevereine staten gezien, maar als schakels in een groter geopolitiek en economisch systeem. Eerlijk is het wel. Vorige presidenten spraken altijd – als ‘Leider van de Vrije Wereld’ – zalvende woorden over democratie, vrijheid en zelfbeschikking. Dat met ‘vrijheid’ primair zo ruim mogelijke investeringsmogelijkheden voor Amerikaanse bedrijven werd bedoeld hoorde je presidenten niet zeggen.
In mijn boek Nieuw-Guinea Verraden heb ik hard gemaakt dat dit denken een structureel kenmerk van Amerikaanse machtspolitiek is. De titel overschaduwt enigszins waar het in mijn boek werkelijk om gaat: de Amerikaanse geopolitiek sinds 1900 en de alsmaar toenemende greep van multinationals (met hulp van de CIA) op dat beleid. Wat Trump vandaag expliciet maakt, werd decennialang impliciet uitgevoerd. Het drama van West-Nieuw-Guinea vormt daarvan een exemplarisch, maar vaak vergeten voorbeeld. Niet omdat het uniek was, maar juist omdat het zo herkenbaar is binnen een patroon dat zich wereldwijd heeft herhaald.
Trump en de openlijke herwaardering van grondstoffenpolitiek
De aantrekkingskracht van Venezuela ligt voor de hand: ’s werelds grootste bewezen oliereserves, jarenlang onttrokken aan Amerikaanse invloed door nationalisatie en sancties. Groenland is strategisch interessant vanwege zijn ligging, maar vooral vanwege zeldzame aardmetalen, uranium en toekomstige exploitatiemogelijkheden onder het smeltende ijs. Oekraïne bezit grote voorraden lithium, titanium en andere kritieke grondstoffen die essentieel zijn voor moderne technologie en de defensie-industrie.
Wat deze dossiers verbindt, is niet Trump als persoon, maar zijn (onbesuisde) eerlijkheid over het motief. Waar eerdere presidenten spraken over democratie, stabiliteit of mensenrechten, spreekt Trump van ‘deals. En ‘soms ook wel over ruil: veiligheid en steun in ruil voor toegang. De façade is dunner geworden, maar de architectuur is al meer dan bijna anderhalve eeuw oud.
In Nieuw-Guinea Verraden (met als subtitel Amerikaanse multinationals, geopolitiek en de CIA, leg ik dit mechanisme bloot. Ook in onze voormalige kolonie ging het niet primair om zelfbeschikking, mensenrechten of internationale rechtsprincipes, maar om de vraag wie toegang kreeg tot de rijkdom onder de grond – en wie daarvoor moest wijken. De rijkdom van Nieuw-Guinea bestond uit immense voorraden kopen en goud.
De Amerikaanse geopolitiek sinds 1900: economische toegang als kernbelang
Al voor de twintigste eeuw is Amerikaanse buitenlandse politiek nauw verweven met economische expansie. De Verenigde Staten ontwikkelden zich niet als klassieke koloniale mogendheid met vlag en bestuur, maar als een macht die toegang wilde tot markten, grondstoffen en investeringsmogelijkheden. Dat beleid is tijdens de Tweede Wereldoorlog wel doordacht in de steigers gezet en na 1945 consequent uitgevoerd.
Het sleutelbegrip was steeds: openheid. Open havens, open markten, open investeringsklimaat. Maar die ‘openheid’ was hoogst eenzijdig. Het betekende primair dat landen open moesten staan voor Amerikaanse bedrijven, kapitaal en invloed. Vooral de Latijns-Amerikaanse landen kregen voor de Tweede Wereldoorlog te maken met die Amerikaanse ‘openheid’.
Na de Tweede Wereldoorlog werd deze logica geïnstitutionaliseerd. De VS kwamen als dominante macht uit de oorlog en bouwden zeer welbewust een nieuwe wereldorde waarin politieke loyaliteit, economische integratie en militaire samenwerking samenvielen. Voor het eerst in de wereldgeschiedenis vestigde Amerika een imperium met een minimum aan militair geweld. Landen mochten formeel onafhankelijk zijn, zolang zij binnen dit kader bleven opereren. Wie daarbuiten dreigde te treden – door nationalisatie, neutraliteit of links-nationalistisch beleid – werd al snel als probleem gezien.
De Tweede Wereldoorlog betekende het einde van Groot-Brittannië als wereldmacht. President Roosevelt van de Verenigde Staten heeft van de geallieerde landen geëist dat ze hun koloniën zelfbeschikkingsrecht moesten verlenen. Die eis kon niet worden genegeerd want de oorlog werd grotendeels door de Verenigde Staten gefinancierd en ook het meeste oorlogsmateriaal kwam uit Amerika. Premier Churchill maar ook de Nederlandse regering in ballingschap, de Belgen en de Fransen hebben tijdens de oorlog twee keer een document ondertekent waarin ze instemden met zelfbeschikkingsrecht van hun koloniën. Ze konden niet anders onder de zware Amerikaanse druk. Na de oorlog in de herfst van 1945 ondertekenden alle geallieerde landen het Handvest van de Verenigde Naties waarin het zelfbeschikkingsrecht opnieuw bevestigd werd. De insteek van Roosevelt was zeker niet van Amerikaans eigenbelang ontbloot. De toegang tot de markten en grondstoffen van de koloniën was vrijwel altijd exclusief voorbehouden aan de ‘moederlanden’. Dat moest veranderen. Namelijk door het zelfbeschikkingsrecht dat de koloniën het recht gaf hun eigen regering te kiezen. Uiteraard het liefst met een welwillend oog voor Amerikaanse belangen. Er zat echter toch ook een humane kant aan het beleid van Roosevelt. Hij vond het koloniale systeem volstrekt achterlijk en achterhaalt en hij schiep er genoegen in om Churchill dat flink in te peperen.
De CIA als instrument van economische geopolitiek
Na 1946 kreeg de Amerikaanse geopolitiek een nieuw en krachtig instrument: de CIA. Officieel opgericht voor inlichtingenwerk, maar al snel ingezet voor actieve beïnvloeding en regimeverandering.
De methoden waren divers en flexibel:
– financiering van politieke partijen en media
– omkoping van militaire elites en politici
– verspreiding van desinformatie
– aanwakkeren van interne conflicten
– bewapening van bevriende facties
– en in uiterste gevallen: eliminatie van politieke tegenstanders
Deze instrumenten werden niet willekeurig ingezet, maar vrijwel altijd gebruikt in landen waar regeringen de controle over eigen grondstoffen en economie wilden behouden of herwinnen. Landen met olie, mineralen, strategische ligging of grote afzetmarkten.
Het patroon is telkens hetzelfde: een nationalistische of links georiënteerde leider wordt neergezet als instabiel, gevaarlijk of ‘onbetrouwbaar’ en uiteraard ook als een vijand van democratie. Interne spanningen worden vergroot en aangewakkerd. Economische druk volgt. Vervolgens verschijnt een ‘betere’ leider: altijd pro-Westers, anticommunistisch en bereid tot concessies. Een corrupte president is geen bezwaar, eerder een voordeel: een chantabel regime is immers een handelbaar regime.
Indonesië als scharnierstaat in de Koude Oorlog
In Zuidoost-Azië kreeg dit patroon een bijzondere intensiteit. Indonesië was groot, strategisch gelegen en politiek instabiel. President Soekarno koos een koers van niet-gebondenheid, verzette zich tegen buitenlandse economische dominantie, weigerde na verloop van tijd Amerikaanse investeringen en wantrouwde westerse multinationals. Daarmee werd Soekarno een probleem.
In deze context kreeg Nieuw-Guinea een betekenis die niets te maken had met de bevolking van Nieuw-Guinea. Het gebied was geen Papoea-kwestie, maar een schaakstuk in een groter spel. Voor de gelegenheid werden de Papoea’s afgeschilderd als mensen uit het stenen tijdperk die nog lang niet op eigen benen konden staan. Toezicht was nodig zolang ze nog niet met mes en vork aten. Nederland wilde blijven om die schone taak belangeloos te verwezenlijken, net als Indonesië. De Amerikanen steunden na verloop van tijd Indonesië want Nederland zou zich toch niet kunnen handhaven; investeerders zijn nu eenmaal dol op politieke stabiliteit want die is nodig voor veilige investeringen. De vraag was niet wat rechtvaardig was, maar wat strategisch wenselijk werd geacht.
Voor Washington was het ook cruciaal dat Indonesië niet richting China of de Sovjet-Unie zou kantelen. Dat belang woog zwaarder dan internationale afspraken over zelfbeschikking. Nieuw-Guinea werd daarmee een ruilobject: Nederland moest wijken en Indonesië tevreden gesteld om de Amerikaanse belangen veilig te stellen
De rol van Nederland en prins Bernhard
Nederland presenteerde zich graag als hoeder van Papoea-zelfbeschikking, maar handelde ambivalent. Officieel werd gesproken over voorbereiding op onafhankelijkheid; maar het belangrijkste voor minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns was toch om Nieuw-Guinea niet in handen van de door hem gehate Soekarno te laten vallen. Een tijdlang verdedigde hij ook het standpunt dat Nederland een steunpunt in Zuidoost Azië nodig had. Een bizar argument dat hij na verloop van tijd inwisselde voor zijn bezorgdheid over het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s.
Prins Bernhard speelde een opmerkelijke rol. Hij opereerde niet als formeel diplomaat, maar als netwerker, vertrouweling en belangenbemiddelaar voor onder meer de Groep-Rijkens, een ondernemerslobby die de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië bepleitte, in de hoop dat een overdracht de hun nog resterende economische belangen in Indonesië ten goede zou komen. De Groep was vernoemd naar Paul Rijkens, directeur van Unilever, die doorging voor een vriend van de prins. Het is zeker niet uitgesloten dat Bernhard ook nog andere (niet-Nederlandse) bedrijven vertegenwoordigde, maar daarvoor is geen bewijs.
Bernhards bezoek aan president Kennedy, waarbij hij pleitte voor overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië – dwars tegen de lijn van minister Luns in – illustreert hoe informele macht functioneert.
Bernhard maalde niet om Papoea-rechten; het ging hem vooral om economische belangen en Atlantische solidariteit. Dat hij daarbij toegang had tot de hoogste Amerikaanse besluitvormingskringen, onderstreept nog weer eens hoezeer het formele beleid werd aangevuld – en soms ondergraven – door informele kanalen.
Freeport en het vooraf vastgelegde lot van Nieuw-Guinea
Het meest onthullende element in Nieuw-Guinea Verraden is het tijdstip waarop economische belangen werden vastgelegd. Al vóórdat de Papoea-bevolking zich zogenaamd mocht uitspreken in de ‘Act of Free Choice’ over haar eigen toekomst (zelfstandig of als deel van Indonesië), had de Amerikaanse multinational Freeport dat de rijke koper en goudvoorraden wilde ontginnen zijn contract al binnen. Op uiterst gunstige voorwaarden, wat logisch is als je bedenkt dat het bedrijf het contract zelf mocht opstellen. Soekarno was toen met behulp van de CIA al vervangen door Soeharto die precies deed wat de Amerikanen van hem verlangden. Dat was onder meer het opheffen van de communistische partij. Het leidde tot een gigantische slachtpartij die een half tot één miljoen al dan niet vermeende ‘communisten’ het leven heeft gekost. Iedereen die niet voor Amerika was, heulde volgens Washington met het communisme. Een derde weg bestond niet. Het zal niet verbazen dat Soeharto Amerikaanse investeerders een meer dan warm hart toedroeg.
Het contract van Freeport met Soeharto ontneemt elke geloofwaardigheid aan het idee dat de uitkomst nog open lag. Wie miljarden dollars in exploitatie investeert, doet dat niet in een politiek vacuüm. De overdracht aan Indonesië was geen risico, maar een voorwaarde.
De ‘Act of Free Choice’ was geen beslissend moment, maar een rituele bevestiging van een reeds genomen besluit. Het zelfbeschikkingsrecht functioneerde als legitimatie achteraf, niet als uitgangspunt vooraf. Het was een ‘Act of No Choice’.
Soeharto: de ideale partner
De machtswisseling van Soekarno naar Soeharto paste naadloos in dit scenario. Waar Soekarno lastig, ideologisch en onvoorspelbaar was, bleek Soeharto pragmatisch, hiërarchisch en gevoelig voor economische prikkels.
Zijn corruptie was geen obstakel, maar een instrument. Een leider die persoonlijk profiteert van buitenlandse investeringen, zal die investeringen beschermen. Onder Soeharto werd Indonesië opengesteld voor westerse bedrijven, werden contracten gerespecteerd en werden lokale protesten met harde hand onderdrukt. Volgens Transparency International heeft de familie Soeharto en haar kliek (corrupte politici, generaals en politieofficieren die opdracht hadden de Papoea’s in toom te houden) ongeveer 32 miljard dollar aan steekpenningen opgestreken.
Voor Washington was dit geen moreel dilemma, maar een rationele keuze. Stabiliteit woog zwaarder dan democratie. Toegang tot grondstoffen woog zwaarder dan mensenrechten.
De Papoea’s: structureel kansloos
In deze constellatie hadden de Papoea’s geen enkele reële kans op zelfstandigheid. Niet omdat zij geen recht hadden, maar omdat hun recht botste met machtige belangen. Zelfbeschikking bleek een leeg begrip zodra het economisch inconvenient werd.
De Papoea-bevolking werd nooit als een volwaardige gesprekspartner gezien, maar als variabele. Hun land werd een mijnbouwgebied, hun leefomgeving een kostenpost, hun cultuur een obstakel.
Wat volgde was geen tijdelijke achterstelling, maar een structurele tragedie: militarisering, landonteigening, ecologische verwoesting en sociale ontwrichting. De rijkdom van de bodem werd de armoede van de bevolking. De firma Freeport heeft zijn positie grenzeloos uitgebuit. Nieuw-Guinea beschikte op de een na grootse kopervoorraad én de grootste voorraad goud ter wereld. Vrijwel niets daarvan is bij de Papoea’s terechtgekomen. Integendeel.
Continuïteit tot vandaag
De parallel met het heden is onmiskenbaar. Of het nu gaat om Venezuela, Groenland, Oekraïne of Nieuw-Guinea: telkens opnieuw blijkt dat wie over strategische grondstoffen beschikt, zijn soevereiniteit slechts mag uitoefenen zolang die niet botst met grootmachten en multinationals.
Trump heeft dit mechanisme niet uitgevonden. Hij heeft het wel benoemd. Hij wil altijd en overal deals sluiten maar verhult dat niet zoals zijn voorgangers. Diplomatie interesseert hem niet. Hij heeft zichtbaar gemaakt wat decennialang werd verhuld: dat geopolitiek en economie geen gescheiden domeinen zijn, maar elkaars verlengstuk. Wellicht ten overvloede: dit is een constatering; niet een huldebetoning aan Trump
Nieuw-Guinea Verraden biedt behalve een historische reconstructie ook een sleutel tot begrip van de hedendaagse wereldpolitiek. Het laat zien hoe idealen worden ingezet als instrumenten, hoe rechten worden opgeschort in naam van stabiliteit, en hoe volkeren kunnen worden geweerd uit het besluitvormingsproces zodra hun land waardevol wordt.
Het lot van de Papoea’s was geen ongeluk van de geschiedenis, maar het gevolg van een systeem. En zolang dat systeem intact blijft, is Nieuw-Guinea geen uitzondering, maar een waarschuwing.




Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!