Berichten

NU IN DE BOEKWINKEL

 

“Schraapzucht Oranjes lijkt genetisch” (AD 13-1-2020)

Geld, Koningshuis en Onkosten

Als het om geld, onkostenvergoedingen en het Huis van Oranje gaat, verandert er nooit iets. Ministers verzinnen uitvluchten en draaien  steevast om de hete brij heen. Voor problemen met het koningshuis zijn ze allergisch.
Hieronder een fragment uit mijn boek Bernhard. Niets was wat het leek  uit 2014. De prins had een excessieve vloot aan rijdend en vliegend materiaal waarvoor de belastingbetaler moest opdraaien. Ministers verduisterden daarom de kosten van Bernhard om gezeur, kritiek en erger te voorkomen. De overeenkomsten met de meubelinterieurkwestie die NRC vandaag naar buiten bracht zijn buitengewoon opvallend.

Neveninkomsten

Wat bracht Bernhard tot zijn nering? Als echtgenoot van Juliana toucheerde hij twee ton per jaar van de Nederlandse Staat. Als Inspecteur-generaal van de Koninklijke Landmacht kreeg hij een vergoeding in de vorm van representatiekosten van 10000 gulden per jaar. Voor zijn nieuwe taak had de prins een auto nodig. Het onderhoud en de benzinekosten kon hij declareren. Over onkostenvergoedingen koesterde de prins ruime opvattingen. Alle facturen stuurde hij door naar het ministerie van Oorlog. Een auto hoefde hij uiteraard niet uit zijn representatiekosten te betalen. Bernhard had auto’s bij de vleet. Vliegtuigen trouwens ook.

Hij was al spoedig de grootse particuliere auto- en vliegtuigbezitter van Nederland. Sommige auto’s waren eigen bezit, maar de meeste waren achtergelaten door de bezetter en vielen de Nederlandse staat toe als oorlogsbuit. Bernhard had daar geen boodschap aan. Hij nam wat hij wilde en liet ook de mannen van zijn BS delen in de confiscatievreugde. Het maakte hem buitengewoon populair. De redenering binnen de BS was dat na vijf jaar van roven door de Duitsers het nu hoog tijd was voor revanche onder het motto ‘pak wat je pakken kunt’.
(…)
Bernhard en zijn staf op Het Loo hadden een eigen luchtmacht en wagenpark met daarin onder andere de geconfisqueerde Mercedes van de Duitse Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Het was de gewoonte om achtergelaten Duitse auto’s bij de prins in te leveren. Zo bezat hij een Lancia en een Alfa Romeo, zes Mercedessen, een Buick, een Horch en een Mercury Sedan. Zijn staf reed rond in acht jeeps. Bernhard schuwde ook de betere motorfiets niet en had twee Harleys, een B.S.A., een Calthorpe, een Matchless en een Ariel in zijn stal. Verder stonden er vrachtauto’s jeeps en amfibievoertuigen op zijn naam.

Een aantal auto’s werd door Bernhards persoonlijke staf gebruikt; de rekeningen gingen naar het ministerie van Oorlog. Dat hij tegelijkertijd over een aantal vliegtuigen beschikte, kon de minister evenmin zijn ontgaan, want de onkosten- en brandstofrekeningen belandden allemaal op zijn bureau. Wat een Inspecteur-generaal van de landmacht met al dat vliegend en rijdend materieel moest wist niemand, maar zoals gewoonlijk vonden de meeste betrokken bewindslieden het moeilijk hem terecht te wijzen, laat staan vragen te stellen.

De prins zelf vond zijn vliegende speeltjes wat aan de kleine kant. Hij bezat vijf, mogelijk zes toestellen. Twee ervan had hij in de oorlog cadeau gekregen, vier waren in beslag genomen Duitse vliegtuigen. Bernhard eiste voor zichzelf een toestel met meer allure, een Inspecteur-generaal van de krijgsmacht waardig. Na de oorlog was er keuze genoeg, en zijn vriend Bedell Smith had een prachtige Dakota in de aanbieding. De minister van Oorlog moest het toestel vanzelfsprekend betalen, hoewel hij niet overtuigd was van het nut.

Om hem over de streep te halen onderstreepte Bernhard dat het vliegtuig door zowel koningin Wilhelmina, als prinses Juliana en hemzelf kon worden gebruikt voor officiële reizen. Ook leden van het kabinet zouden er gebruik van kunnen maken. Via wat rekensommetjes liet hij zien hoe stom het zou zijn de Dakota niet te kopen. En voor de prijs hoefde de regering het niet te laten. Een vriendenprijsje. Om de zaak te bespoedigen schreef hij de minister-president dat de minister van Oorlog de indruk had gewekt dat de zaak in orde was. Bernhard had het ontvangstbewijs voor de machine persoonlijk getekend, ‘te goeder trouw’ uiteraard, zodat hij nu verantwoordelijk was voor de betaling. Dat besefte hij heel goed, maar hij verwachtte wel een bevredigende oplossing voor de kwestie. Die kwam er. Het ministerie draaide op voor de benodigde 25000 dollars en Bernhard kon ermee vliegen wanneer het hem uitkwam. Op kosten van de staat en vanaf Soesterberg. Wel zo handig als je in het Gooi woont.

De representatiekosten voor Inspecteur-generaal, op papier vastgesteld op 10000 gulden per jaar, kreeg hij direct op zijn rekening gestort. Alle kosten die hij maakte declareerde hij naar eigen goeddunken. De Dakota had hij op handige wijze de regering in de maag gesplitst, zodat hij daar vanuit declaratieoogpunt geen omkijken meer naar had. Hij kon het toestel steeds met voorrang gebruiken (heden ten dage geniet het staatshoofd nog steeds voorrang, ook boven de minister-president). De luchtvloot van Bernhard stond bekend als de ‘Vliegdienst van Z.K.H. Prins Bernhard’.

De kosten voor het uitgebreide wagenpark en de kleine vloot vliegtuigen liepen behoorlijk op – zeker in een land waar geld schaars was – maar geprotesteerd werd er nauwelijks. Het ministerie van Oorlog draaide grotendeels op voor het onderhoud en brandstofkosten.
Voor de tweede helft van 1945 alleen al diende de prins een declaratie in voor vliegtuigonderhoud van 8000 gulden. Hij was toen nog maar vier maanden in dienst als Inspecteur-generaal. Vanzelfsprekend betaalde hij de onkosten van zijn omvangrijke staf, ondergebracht in twee villa’s, evenmin uit eigen zak. Het ministerie van Oorlog besloot om het onderhoud voor vliegtuigen die als privé-eigendom werden beschouwd per 1 augustus 1946 stop te zetten. Er werden geen woorden aan vuil gemaakt dat het eigenlijk staatseigendom was. De minister van Oorlog liet niet na erop te wijzen dat de 10000 gulden representatiekosten van de prins een ‘billijke vergoeding’ was voor de onkosten die uit de vervulling van zijn functie als Inspecteur-generaal voortvloeiden.

De Algemene Rekenkamer constateerde in een brief aan de minister-president dat de kosten de pan uit rezen. Ze somde op: het stafkwartier de Zwaluwenberg in Hilversum met een huurprijs van 5040 gulden per jaar terwijl de inrichting van het gebouw 47000 gulden had gekost. Voor het onderhoud van de tuinen en het complex stond 5000 in de boeken. De huisvesting van zijn adjudant vergde 3000 per jaar, voor de huisvesting van een Canadese luitenant-kolonel militair was nog geen bedrag bekend (net zo min als wat hij daar te zoeken had). De Vliegdienst van de Inspecteur-generaal van de Landmacht had 1 augustus 1946 30000 gulden gekost, en verder waren er nog een aantal punten van discussie.

De Rekenkamer wilde graag weten wat ‘de doelmatigheid’ van al die uitgaven was. De Rekenkamer maakte er ook bezwaar tegen dat al die uitgaven waren verspreid over een ‘groot aantal begrootingsposten’. Vanuit het oogpunt van overzichtelijkheid prefereerde de Rekenkamer een begrotingspost waarop alle uitgaven waren verantwoord die verband hielden met ‘de positie van Zijne Koninklijke Hoogheid.’

De minister van Oorlog, door de minister-president om commentaar gevraagd, vond dat de kosten ‘redelijk en verantwoord’ waren. Tegelijkertijd maakte hij bezwaar om de uitgaven van prins Bernhard op één begrotingspost samen te vatten. Vermoedelijk omdat hij de kosten – in weerwil van zijn eigen woorden – eigenlijk te hoog vond. Als die onder één noemer werden gebracht zou dat kunnen leiden ‘tot een openbare en zeer zekere ongewenste kritiek op de uitgaven van Zijne Koninklijke Hoogheid’.

Uit: Bernhard. Niets was wat het leek, pp. 210-213
De eindnoten (bronnen) zijn in dit fragment weggelaten, maar staan uiteraard wel in het boek.

Voor het NRC-artikel: https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/08/de-geheime-deal-rond-de-paleismeubels-van-de-koninklijke-familie-a3972645

Wat betalen de Oranjes aan belastingen? Dat ze een uitzondering vormen – vastgelegd in de grondwet – is bekend, maar waarom is dat? `Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld’, stelt artikel 1. De spreekwoordelijke adder zit hem in die `gelijke gevallen’. Alle families in Nederland zijn gelijk. Op één na.

Volgens de RVD betalen de leden van het Koninklijk Huis `de belastingen die ook voor andere burgers van toepassing zijn’. Afgezien dan van een aantal bij wet geregelde specifieke vrijstellingen, zo voegt de dienst daar aan toe. Wie de uitzonderingen leest, kan zich niet aan de indruk ontrekken, dat de RVD het eerlijkheidshalve beter andersom had kunnen formuleren, namelijk dat Koninklijk Huis, enkele uitzonderingen daargelaten, vrijgesteld zijn van fiscale lasten.
Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen Koninklijk Huis en Koninklijke Familie. Van de familie ben je lid door geboorte, terwijl lidmaatschap van het Koninklijk Huis in een speciale wet is geregeld. Alle voorrechten van de familie liggen vast in de Grondwet of een daaruit voortvloeiende speciale wet. Kom daar als Henk en Ingrid maar eens om.

In de praktijk is het sinterklaasje spelen voor de familie beperkt en geregeld bij (opnieuw) een speciale wet: de `wet financieel statuut van het Koninklijk Huis’. Daarin wordt de hoogte van hun `uitkering’ geregeld. Wie zijn die uitkeringstrekkers en wat krijgen ze? Koning Beatrix ontvangt € 4.757.359 en prins Claus kreeg tot aan zijn overlijden € 821.946 per jaar. Prins Willem-Alexander toucheert als de ‘vermoedelijke troonopvolger’ € 1.281.313 en zijn echtgenote prinses Maxima € 578.077.
Als koningin Juliana nog had geleefd zou ze € 1.288.730 per jaar hebben gekregen, terwijl prins Bernhard recht zou hebben gehad op € 4.929.18. In de praktijk zijn de uitkeringsgerechtigden dus beperkt tot de koning en zijn echtgenote (de wet spreekt altijd van koning), de vermoedelijke troonopvolger (en zijn eventuele echtgenote) en de afgetreden koning plus eventuele echtgenote. Dat betekent dus dat niet alleen het zittende staatshoofd een forse uitkering opstrijkt, maar ook een aantal naaste familieleden.
In principe kan het monarchale staatshoofdschap ons € 9.220.343 per jaar aan uitkeringen kosten, maar omdat Claus, Juliana en Bernhard inmiddels zijn overleden is dat ‘maar’ € 6.616.749. Let wel: alleen aan ‘uitkeringen’. De werkelijke kosten van de monarchie belopen volgens verantwoorde schattingen zo’n 125 miljoen Euro per jaar.

Componenten
De vorstelijke uitkeringen zijn verdeeld in twee onderdelen, de A- en B-component.  Van de € 4.757.359 die Beatrix ontving op grond van de wet financieel instituut (d.d. 21 juli 2011), kreeg ze € 764.304 als `uitkering’ direct in het handje (de A component). Van de overige € 3.993.055 moet ze personele en materiële kosten betalen (de B-component).
Artikel 40 van de Grondwet bepaalt dat de koningin, de kroonprins en de andere hier al genoemde uitkeringsgerechtigden hun geld krijgen volgens bij wet (financieel instituut) te stellen regels. De leden van beide kamers van de Staten Generaal moeten ieder jaar opnieuw met minstens driekwart van de stemmen met de voorgestelde bedragen akkoord gaan, maar sinds de invoering van de wet financieel instituut in 1972 is dat nooit een probleem geweest. Alsof het gênant zou zijn om over de hoogte van de uitkering te debatteren.
In artikel 40, lid 2, staat ook dat de koning en de overige leden van het koninklijk huis die een uitkering ontvangen daarover geen belasting betalen. Evenmin betalen ze belasting over hun vermogen als ze dat gebruiken voor de koninklijke klussen die ze moeten uitvoeren omdat die nu eenmaal tot hun taak worden gerekend. De koning en zijn opvolger, in dit geval dus Beatrix en Willem-Alexander betalen evenmin belasting als ze erven van een lid van het Koninklijk Huis.

Verder laat de Grondwet (artikel 40) de mogelijkheid open om via aparte wetten ook andere leden van het Koninklijk Huis (behalve hier de genoemde) fiscaal uit de wind te houden. Wetsvoorstelletje, stemminkje in beide Kamers (waar zelden een woord van protest klinkt) en het is gepiept. Maar afgezien van de kerngroep van maximaal zes personen (de afgetreden, zittende en toekomstige koning met echtgenotes) komen die vrijstellingen  – voor zover bekend – weinig voor. De enige die werkelijk inzicht heeft is de Inspecteur van Belasting, maar hij heeft zijn ambtsgeheim.

Heeft koningin Beatrix een paar jaar geleden uit diep mededogen met haar familieleden die wel aan het Nederlandse belastingregime zijn onderworpen die stakkerds gelegenheid geboden om via haar `werkpaleis’ Noordeinde de fiscus te omzeilen? Mogelijk.  Haar zus, prinses Christina, die niet is vrijgesteld van belasting, kreeg van Beatrix – een van de zes belastingvrijgestelden in Nederland dus – de kans om haar werkpaleis als administratief ontduikingsadres te gebruiken, zodat ze in staat was geld weg te sluizen naar het Britse belastingparadijs Guernsey.

Ook de familie De Bourbon Parme, met wie zowel Beatrix als haar zus prinses Irene nauwe banden onderhouden, kreeg de gelegenheid fiscaal op Noordeinde onder te duiken. Strikt genomen waren deze constructies niet in strijd met de wet (wel met de geest), maar het blijft bizar dat het staatshoofd via haar paleis – ze heeft er maar liefst drie gratis ter beschikking van de staat – gelegenheid biedt de haar persoonlijk zo welgezinde fiscus te ontwijken.

Erfbelasting
De vrijheid van erfbelasting (successierechten) is gebaseerd op een buitengewoon merkwaardige gedachtegang.  Om een onafhankelijke positie te kunnen waarborgen moet de Koning over een eigen vermogen beschikken. En wij maar denken dat de koning van nature en vanwege zijn afkomst automatisch boven de partijen stond. Nee dus. Het lijkt eerder op een door de staat afgekochte onafhankelijkheid.  ‘Anders dan bij de vermogensbelasting tast immers het successierecht – en hetzelfde geldt ook voor het schenkingsrecht en het recht van overgang – het vermogen aan’, zo luidt de redenering.
De angst lijkt te zijn dat een Beatrix zonder eigen vermogen wel eens onder druk zou kunnen komen te staan van rijke snoodaards die haar een gunst willen afpersen. Bemiddeling bijvoorbeeld voor vestigingsvergunningen van buitenlandse bedrijven.
Zou ze echt tijdens haar jaarlijkse bezoeken aan de Bilderbergconferentie om gunsten worden belaagd door de top van het transatlantische zakenleven? Toch vervelend dat ze potentieel als omkoopbaar wordt gezien. Maar ja, het zit natuurlijk wel in de familie.
Op 27 oktober 1970 verdedigde premier Piet de Jong het geen-successierechten-beleid in de Tweede Kamer. De koning had volgens de minister-president eigen vermogen nodig om incidenteel excessieve uitgaven te doen en privé-bestedingen op te vangen. Dat maakte hem onafhankelijk van `zogenaamde weldoeners, waartegenover de koning zich verplicht zou kunnen voelen, indien zij uitgaven voor hun rekening nemen’.
Staatssecretaris van Financiën F. Grapperhuis ging in november 1970 in de Eerste Kamer op dit onderwerp door. De koning was niet in staat zelf een vermogen te verdienen. Hij kon naast zijn ambt geen andere functies in het economische leven vervullen, want dat zou zijn onafhankelijkheid in gevaar kunnen brengen.

Opmerkelijk is dat de koningen in de negentiende eeuw geen vrijstelling van successierechten genoten. Dat gebeurde voor het eerst bij het overlijden van Wilhelmina. Krachtens een ministeriële beschikking is over haar vermogen geen erfbelasting geheven. In 1947 heeft Piet Lieftinck, toenmalig PvdA-minister van Financiën, het vermogen van de vorstin per brief van successierechten vrijgesteld. Overigens woedt het debat over het wel dan niet betalen van erfbelasting door tot op de dag van vandaag. PvdA-kamerlid Jeroen Recourt had daarover op 4 oktober 2011 vragen gesteld. Rutte baseerde zich in zijn antwoord van 6 oktober – net zoals De Jong en Grapperhuis dat deden – op het rapport van de `commissie belastingvrijdom koninklijk huis’ (de commissie Simons) van 22 april 1967. De onafhankelijkheid van het staatshoofd moest gewaarborgd zijn. PvdA-kamerlid Recourt vroeg dus naar de bekende weg, want sinds de commissie Simons is er niets veranderd.

Rutte
Het was dezelfde Rutte die medio oktober 2011 beweerde dat het koningshuis in het kader van de bezuinigingen al genoeg had geleden. Hij voelde er niets voor om de Koninklijke familie die haar bijdrage al ruimschoots zou hebben geleverd nog eens aan te pakken. Maar hoe was de familie dan gekort? Waren hun riante uitkeringen gedecimeerd? Dat had in principe best gekund want Beatrix woont gratis, haar personeel (en dat van haar zoon en schoondochter) wordt door het Rijk betaald en ze kunnen alle onkosten declareren.
Een blik op de Rijksbegroting 2011 biedt uitkomst. De vliegregeling is iets ingeperkt, al geldt dat niet voor Hare Majesteit zelf. Maar het betekent wel dat Máxima nu minder gemakkelijk (althans in theorie) even het regeringsvliegtuig kan nemen om in Milaan een terrasje te pakken of een paar schoentjes te kopen. Verder wordt iets bezuinigd op de toch al exorbitante onkostenregeling voor het Koninklijke plezierjacht de Groene Draeck alsook de Koninklijke trein. Voorts is er iets minder geld beschikbaar voor het onderhoud van de drie paleizen die het staatshoofd van staatswege ter beschikking staan. Gezien de recente grote opknapbeurten en renovaties (denk aan het Paleis op de Dam) lijkt daar best mee te leven.
Van bezuinigingen op het gebied van beveiliging is geen sprake, terwijl dat de grootste post is. De beveiliging van de pleziertochtjes van de kroonprins en zijn gezin naar exotische oorden en buitenlands vastgoedbezit kost kapitalen.

Vermogensbelasting
Ook bij de betalingsregeling van vermogensbelasting is wazigheid troef. Rutte antwoordt in zijn brief aan Recourt dat artikel 40 van de Grondwet bepaald `dat vermogensbestanddelen van leden van het koninklijk huis, die dienstbaar zijn aan de uitoefening van het koningschap, niet worden meegenomen bij de berekening van de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (dit is een onderdeel van de inkomstenbelasting).
De inspecteur van de Belastingdienst die de aanslag inkomstenbelasting oplegt, bepaalt welke vermogensbestanddelen dat zijn’. Helaas mag de belastinginspecteur daarover geen nadere mededelingen doen. De commissie Simons meende al in 1967 dat de inspecteur vast niet geneigd zou zijn tot een streng beleid jegens de koningin. Als er gerommeld wordt (en zo ja in welke mate) onttrekt zich dat geheel aan onze waarneming, maar dat de inspecteur het niet op een conflict met Hare Majesteit zal laten aankomen, laat zich raden.
We weten natuurlijk niet wat de belastingmoraal van onze koningin is, maar haar medewerking aan de bedenkelijke belastingconstructies van zus Christina en de familie De Bourbon de Parme doet het ergste vrezen. Ook blijft volstrekt onduidelijk op welk deel van het privévermogen de regeling slaat. Want wat is eigenlijk het deel dat nodig zou zijn om het koningschap op adequate wijze uit te oefenen? De regering vindt het vreselijk moeilijk dat vast te stellen. Stel je voor dat Beatrix je om de een of andere reden op de thee nodigt. Is dat dan een privé- uitgave van de koningin? Of juist niet? De regering komt daar dus niet uit en laat daarom belastingbetaling liever maar helemaal achterwege. Toch zou het `probleem’ door een eenvoudig declaratiesysteem kunnen worden opgelost, maar dat lijkt nu juist niet de bedoeling.

Obama, Merkel, Sarkozy en Cameron
Tot slot wil ik een banale vergelijking niet uit de weg gaan. Banaal, omdat het hier immers om democratische principes gaat en niet om geld. Wat doen een Beatrix of een Willem-Alexander voor hun uitkering? Het antwoord is simpel: gewoon koningin of kroonprins zijn. Hoe ze dat invullen is afgezien van een aantal verplichtingen grotendeels hun eigen zaak.
De verantwoordelijkheden van moeder en zoon steken (nog afgezien van het feit dat niet zijzelf maar de ministers daar vanwege de ministeriële verantwoordelijkheid voor opdraaien) wel heel schril af bij die welke staatshoofden als Obama, Merkel, Sarkozy, Cameron of zelfs Rutte dragen. Met de beloning is het al niet anders. Obama krijgt als president van zeg maar een beduidend groter land jaarlijks 400.000 dollar (ongeveer 265.000 Euro), Merkel 200.000, Sarkozy 230.000 en Cameron 208.000 Euro als vergoeding (koersen van begin november 2011).
Voor allen geldt dat daar nog (tamelijk bescheiden) onkostenvergoedingen bijkomen.  Maar hun vader, moeder, echtgenoot of eerstgeboren kind (met partner) moeten het allemaal zonder een staatsuitkering stellen. Mark Rutte krijgt zo’n 144.000 Euro per jaar. Inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Bruto.  Zijn `B-component’ is ongeveer 40.000 Euro.

Dat zo’n armoezaaier pal staat voor het exorbitante inkomen van het staatshoofd getuigt van een onbaatzuchtig karakter.

Boeken