De reactie van het NIOD

Gisteren, zaterdag 14 april, verschenen enkele artikelen in een aantal dagbladen over mijn nieuwe boek Het Instituut.
Het AD en Het Parool hadden daarin een reactie van het NIOD opgenomen.
Oud-directeur Hans Blom liet weten niet te willen reageren. Gelukkig verborg hij zich niet achter de vreselijke smoes die voorlichters tegenwoordig bij voorkeur bezigen: ‘zich niet in de situatie herkennen’. Dat kon in zijn geval ook moeilijk want de delen in mijn boek waarin hij figureert zijn deels samengesteld uit onze wederzijdse briefwisseling, die niet altijd even verheffend van aard was.

Het NIOD beriep zich in zijn reactie op ‘onafhankelijke wetenschappelijke begeleidingscommissies’ als waarborg voor zijn geschiedschrijving. Daar valt het een en ander op af te dingen.

Toen ik het nazi-lidmaatschap van prins Bernhard in de affaire Sanders wilde publiceren, kreeg ik te maken met zo’n ‘onafhankelijke begeleidingscommissie’. Soms duikt ie nog wel eens op in een van mijn  nachtmerries. Mijn commissie bestond uit de chef van de afdeling Onderzoek, Peter Romijn, en NIOD-bestuurslid prof. Jan Bank. De twee andere bestuursleden, prof. Eltjo Schrage en prof. Piet Steenkamp (‘Rooie Piet’ of beter nog ‘Oranje Piet’) bemoeiden zich ook intensief met de tekst van het boek. Geen van de heren kan ook maar in de verste verte aanspraak maken op termen als  ‘onafhankelijkheid’ of  ‘waarborg’ voor eerlijke en onbevangen geschiedschrijving. Hun gedienstigheid aan het koningshuis en minister-president Wim Kok, de ministerieel verantwoordelijke in deze kwestie, kwam neer op zo goed als honderd procent. Het was de slaafste commissie waarmee ik in mijn werk ooit te maken heb gehad.

De naam ‘Bernhard’ viel in de eerste vier maanden van het conflict nooit. Het boek, de affaire Sanders, (mede-auteur Coen Hilbrink) ging over de eerste naoorlogse veiligheidsdienst, maar bevatte ook een aantal toedek-operaties van de Nederlandse regering in de direct naoorlogse tijd. Een van die cover ups was Bernhards lidmaatschap van de Duitse nazi-partij die in de dagen aan het licht kwam.

Dat lidmaatschap was natuurlijk het grote probleem, maar daarover had de begeleidingscommissie het nooit. Nee, de toon van het boek deugde niet. Wazige kritiek waar je niets mee kunt. Even later was het boek plotseling ‘te Frans’. Wat de loodzware begeleidingscommissie daar mee heeft bedoeld, is me tot op de dag van vandaag een raadsel. Er waren trouwens veel meer afleidingsmanoeuvres, maar over Bernhard ging het nooit.

Ondertussen waren er drukke contacten met Soestdijk en Den Haag. Toen dan na vier maanden de prins eindelijk ter sprake kwam, eiste de commissie een forse uitbreiding van de paragraaf die oorspronkelijk niet meer dan een halve pagina besloeg. Er moest uitgebreid worden vermeld dat Bernhard niet het enige lid van de Duitse adel was, die lid was geworden van de Hitler-partij. Ik vond dat overbodig, maar het was niet in strijd met de waarheid, dus ging ik er in mee.

De bedoeling was uiteraard om verzachtende omstandigheden voor de prins aan te voeren. ‘Kijk, onze prins was zeker niet de enige’. Daar kon ik, zoals gezegd, mee leven. Zijn lidmaatschap bleef immers recht overeind. Wel heb ik geweigerd om opmerkingen over zijn fameuze heldenmoed en zijn riskante bombardementsvluchten boven Duitsland (die hebben nooit plaatsgevonden) aan mijn tekst toe te voegen.
Op de ‘onafhankelijkheid’ en ‘waarborgen voor gedegen onderzoek’ op het NIOD  valt dus wel het een en ander af te dingen.

Toen directeur Blom lid werd van een regeringscommissie die de roof op de joden in de oorlog moest onderzoeken, kwam de onafhankelijkheid van het NIOD wederom op de tocht te staan. De commissie was bevolkt met prominenten uit de wereld van banken, beurs en bedrijfsleven. Hun doel was zeker niet primair gericht op zuivere geschiedschrijving. Op de achtergrond speelden grote financiële en politieke belangen. Maar de commissie kon zich mooi achter De Directeur (zoals ik Blom in Het Instituut bij voorkeur noem), verschuilen. De Directeur van het NIOD stond immers garant voor betrouwbare geschiedschrijving. Als afleidingsmanoeuvre was het een zeer geslaagde zet.

Het probleem was dat het NIOD ook onderzoek deed naar de roof. Ik was er al jaren mee bezig, had de naam opgebouwd van ‘roofgoeroe’ en had drie boeken over de kwestie op stapel staan.  Ik waarschuwde De Directeur voor de implicaties van zijn dubbelfunctie, namelijk directeur van het NIOD  én commissielid. Het liep inderdaad fors uit de hand. Toen puntje bij paaltje kwam koos De Directeur voor de Grote Jongens waarmee de commissie was bevolkt. De commissie ging vóór het NIOD waarmee de onafhankelijkheid van Het Instituut wederom de mist in ging.

Hoe het  tegenwoordig op het NIOD is gesteld weet ik niet. Ik heb uitsluitend mijn eigen tijd als onderzoeker beschreven. Een tijd overigens, waar ik met veel plezier op terugkijk.

Ter afsluiting een laatste opmerking uit de NIOD-reactie. Als onderzoeker in dienst van het NIOD had ik alles kunnen publiceren wat ik wenste. Dat klopt. Maar dat was soms eerder ondanks dan dankzij de NIOD-directie. Het staat allemaal uitgebreid in Het Instituut beschreven.

Interviews:

Café Weltschmerz/Argus:

Radio 1 Kunststof:  https://www.nporadio1.nl/kunststof/onderwerpen/498882-gerard-aalders-historicus-schrijver

Pesterijen van Wilhelmina

Koningin Wilhelmina had enorme waardering voor militairen. Zozeer soms, dat het op verering leek. Onvermoeibaar en onder alle omstandigheden pleitte ze voor meer geld voor de krijgsmacht. Ze dweepte met ijzervreters als generaal J.B. van Heutsz, die in haar naam op Atjeh niet alleen complete dorpen had platgebrand maar ook de inwoners vermoord.
Van Heutzs beschikte over militairen die deden wat hun was opgedragen. Discipline was alles, vond Hare Majesteit. Die kon  niet streng genoeg zijn.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak prezen veel mensen haar profetische gaven. Dat kwam door haar eeuwige gebedel om meer geld voor het leger. Die oorlog ging weliswaar aan Nederland voorbij, maar haar zogenaamd vooruitziende blik was een van de  mythes die rondom Wilhelmina bleef hangen. Bij de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog ging het niet anders. Ook die oorlog zou ze hebben zien aankomen. Daarom had ze steeds weer geld voor defensie gevraagd. Als haar ministers beter hadden geluisterd, zou Nederland  een fatsoenlijk leger hebben gehad, dat stand had kunnen houden tegen de Wehrmacht. Met een profetische blik had het allemaal evenwel niets van doen. Als je iedere dag voorspelt dat het zal gaan regenen, krijg je onvermijdelijk gelijk.
Wilhelmina was een verklaard tegenstander van de vredesconferenties in Den Haag (1899 en 1907) en de bouw van het Vredespaleis zag ze al evenmin zitten. Als dat gedoe voor vrede betekende in haar ogen simpelweg dat er minder geld naar het leger zou gaan, en dat mocht niet gebeuren. Haar grote held was generaal Van Heutsz, de man die Atjeh hardhandig in het gareel had gedwongen.
Atjeh wilde namelijk geen deel uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden en moest daarom worden’gepacificeerd’. Pacificeren is een eufemisme voor het platbranden van dorpen en het vermoorden van waarschijnlijk meer dan honderdduizend Atjeeërs. Mannen, vrouwen, kinderen; onderscheid maakte de generaal niet.

Wilhelmina heeft Van Heutsz persoonlijk bedankt voor zijn verdiensten. Zijn manschappen hadden gedaan wat hun was opgedragen. Wilhelmina hechtte aan kadaverdiscipline.

Als reactie op mijn boek Wilhelmina, mythe, fictie en werkelijkheid stuurden enkele lezers mij een mail over de pesterijen van Hare Majesteit. Het waren verhalen uit betrouwbare bron. Ten paleize had ze gelegenheid om hoogst persoonlijk de discipline te testen en ze heeft dat met overgave gedaan.
Je kunt je afvragen, net zoals haar ministers in Londense ballingschap dat hebben gedaan, of Hare Majesteit wel ‘helemaal normaal’ was.

Een lezer schreef dat zijn grootvader tijdens zijn diensttijd (het was in de Eerste Wereldoorlog) als gewoon soldaat regelmatig paleiswacht had gelopen op Huis ten Bosch.

Het was schildwachten streng verboden hun rug naar het paleis toe te keren. Vorsten hebben  geen zin om tegen een rug aan te kijken. Bezoekers moesten na een ontmoeting met de vorst  achterwaarts het vertrek verlaten. Wilhelmina wenste evenmin tegen een rug aan te kijken en ze hield daarom scherp in de gaten of soldaten zich wel aan dat voorschrift hielden.

De grootvader van mijn informant had die regel ooit eens overtreden. Toen Wilhelmina hem die verkeerde draai zag maken – ze had hem kennelijk in de gaten gehouden – sloeg ze meteen alarm.
Ze informeerde haar hofmaarschalk over deze ernstige schending der regels, die op zijn beurt de compagniecommandant belde om de klacht van de koningin over te brengen.
Bij terugkeer in de kazerne werd opa voor twee volle weken in het cachot gegooid. ‘Ook nog op hoge leeftijd’, stond in de mail, ‘was mijn opa woedend en verontwaardigd als er over koningin Wilhelmina werd gesproken.’

Volgens een andere mail lokt Hare Majesteit ook regelmatig incidenten uit door te proberen soldaten de regels te laten schenden. Discipline en voorschriften mochten in haar ogen onder geen enkele  omstandigheid worden verzaakt. Zo nu en dan testte ze dat  persoonlijk.
Het was de schildwachten bij paleis Het Loo ten strengste verboden enig woord te wisselen tijdens hun dienst. Zelfs als de koningin je wat vroeg moest je blijven zwijgen. Óók wanneer Hare Koninklijke Hoogheid bleef aandringen. Hij mocht uitsluitend, met de kaken stijf op elkaar, de gebruikelijke eerbewijzen brengen.

Schildwachten waren in de regel eenvoudige jongens die vrijwel zonder uitzondering diep onder de indruk waren van de koningin. Dat was er met de paplepel ingegoten.
In de ochtend maakte Wilhelmina graag een wandeling door de paleistuin. En passant mocht ze dan graag een schildwacht verleiden zijn mond open te doen. Het soldaatje treiteren van de koning verliep ongeveer zo:

‘Goedemorgen schildwacht’, begroette Wilhelmina de dienstdoende soldaat op wie ze het die dag had gemunt.
‘Schildwacht, ik zei goedemorgen en u hoort niet was ik zeg.’ Als de man bleef zwijgen, wat dat voor Hare Majesteit reden door te gaan met provoceren: ‘Goedemorgen schildwacht, bent u soms doof?’
Als de schildwacht zich dan gedwongen voelde haar groet te beantwoorden met een ‘Goedemorgen majesteit’ of iets dergelijks, ontstak ze in woede en eiste ze terstond passende maatregelen tegen de man die het had gewaagd de discipline met voeten te treden.

Wereldvreemd als ze was, had ze geen benul van wat ze bij die eenvoudige soldaten aanrichtte.

Het waren pesterijen van een bekrompen mens, die haar leven lang nooit enige spijt heeft betoond over de moordpartijen die haar troepen op Atjeh hadden aangericht. Dat waren soldaten die wisten wat discipline was en deden wat hun was opgedragen. Befehl ist Befehl.

Maar ook officieren waren niet veilig, zoals bleek uit een mail die ik van een reserve officier ontving die eind jaren vijftig dienst deed. Wilhelmina was toen al afgetreden als koningin, maar er deden nog steeds verhalen over haar narrige optreden de ronde. Een daarvan was dat ze graag te paard de troepen te velde inspecteerde. Een officier te paard die de troepen presenteerde mocht Hare Majesteit niet dichter dan zes paardbreedten naderen. Op die afstand aangekomen moest hij afstijgen en zich melden.

Op een dag zag Wilhelmina haar kans schoon en verzocht ze ‘mijnheer’ zijn paard zijdelings in haar richting te verplaatsen. Na vijf van die manoeuvres stond het paard van de officier bijna flank aan flank met de Hare. Dat was natuurlijk wat ze wilde en de arme man werd daarvoor door Haar persoonlijk gestraft. Uit de mail: ‘Ik hoorde in die tijd ook dat in diverse conduitestaten van militairen door Hare Majesteit persoonlijk uitgedeelde straffen stonden opgetekend.’ Het heeft de reserve-officier verbaasd dat daar ‘met een mengeling van scepsis en ontzag over werd gesproken.’

Mijn gebrek aan naastenliefde

Het is niet de gewoonte op recensies van je boeken te reageren, maar een blogje moet kunnen. Tenslotte hoef je je niet alles te laten welgevallen. Zeker niet van Oranjeminnende recensenten, die er niet tegen kunnen dat een lid van het Koninklijk huis wordt beschreven op een manier die hun niet zint.

De toon van de recensies is extra fel omdat ze van CDA- en GVP-huize zijn. De heren voelen zich dubbel gepakt omdat ik behalve Wilhelmina`s functioneren ook haar geloof van wat kritische noten heb voorzien.

In het Reformatorisch Dagblad (11-06-2018) brandt Pieter Verhoeve mij volledig af en in het Friesch  Dagblad (02-06-2018) krijg ik op mijn kop van Bearn Bilker. Verhoeve is voorzitter van de Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen, burgemeester van Oudewater en GPV-lid. Bilker is CDA-er, burgemeester van Kollumerland en Nieuwkruisland en geldt als een kenner van het Oranjehuis.

Bilker was zo vriendelijk mij zijn recensie toe te sturen. We hadden wel eens email-contact gehad, en ik vond zijn geste heel aardig. Zoals dat hoort heb ik hem daarvoor bedankt.
Wat mij aan beide recensies stoorde was hun opmerking dat ik geen of slecht literatuur- en archiefonderzoek had gedaan. Het boek zou nergens op zijn gebaseerd.
Voor hun lezers moet dat een hele opluchting zijn geweest, want die konden na die geruststellende woorden weer rustig gaan slapen. Niets aan de hand immers? Helaas voor hen is het een bewering, die op vrijwel elke bladzijde van Wilhelmina met kloeke voetnoten wordt gelogenstraft. Ze komen trouwens geen van beiden met ook maar één voorbeeld.

Als extra geruststelling haalt Verhoeve wijlen Cees Fasseur aan, mijn liefste vijand. Die had inderdaad nooit een  goed woord voor me over en Verhoeve citeert hem dan ook gretig.
Wat ik deed (volgens Fasseur) was niets anders dan het verzamelen van ‘vermoedens, geruchten, loze beweringen en dat dan zo’n beetje aan elkaar schrijven.’ Tsja. Als de hofbiograaf dat beweert, zal het wel waar zijn, redeneert de baas van de Bond van Oranjeverenigingen.
Hij beweert trouwens ook dat iedere onderzoeker toegang kan krijgen tot het Koninklijk Huisarchief (KHA). Dat is onzin. Het KHA schrijft zelf: ‘De periode na 1934 is niet toegankelijk voor derden’.    Mij werd trouwens ook de toegang vóór 1934 ontzegd, zoals Verhoeve op p. 107 van mijn boek (noot 166) had kunnen lezen.

Bilker op zijn beurt huldigt Fasseur als de man die hem juist de ogen voor de échte Wilhelmina heeft geopend. Het is jammer dat Bilker mijn boek hardnekkig een biografie noemt, hoewel ik op p. 19 toch ten zeerste heb benadrukt dat het geen biografie is, maar een poging haar feitelijke rol in ballingschap te laten zien.

De teneur van beide stukken ten aanzien van mijn boek is helder: broddelwerk, nergens op gebaseerd en rijp voor de vuilnis. Ik had van deze trouwe Oranjevazallen niet anders verwacht.

In het derde hoofdstuk heb ik de internationale verhoudingen tijdens de oorlog beschreven. Wilhelmina komt in dat hoofdstuk niet eens voor. Verhoeve vindt dat deel van mijn boek ‘bondig en boeiend beschreven’, maar is ook van mening dat hoofdstuk 3 niet in het boek thuishoort.
Vreemd, want ik wilde de onzinnige bewering ontzenuwen dat Wilhelmina in het internationale krachtenveld een rol van enige betekenis heeft gespeeld. Roosevelt en Churchill namen haar niet eens serieus. Exact om die reden komt ze in het hoofdstuk niet voor.

Instemmend haalt Verhoeve de opvatting van de gereformeerde historicus Van Deursen aan, die vond dat geschiedschrijving een vorm van naastenliefde is voor hen die zijn overleden. Maar helaas: ‘Aalders houdt zich daar niet aan.’ Nee, natuurlijk niet. Als je daarin meegaat, zou Hitler alleen nog door een harde nazi en Stalin uitsluitend door een gestaalde communist kunnen worden beschreven.

En Wilhelmina door een doorgewinterde oranjeklant.  Zoals een Bilkner of een Verhoeve.

De verzetsdoden van Wilhelmina

‘Nieuwsuur’ kwam me interviewen over Wilhelmina. Ik schrijf in mijn boek dat de centralisatie van het verzet naar schatting een paar honderd verzetslieden het leven heeft gekost.  Daarover wilde ‘Nieuwsuur’ het graag hebben.
Ik had het zelf liever over de essentie van mijn boek gehad: over Wilhelmina als een van de meest overschatte figuren uit onze geschiedenis. Maar daar had het programma geen oren naar.

De redacteur had ook nog een vraag: kende ik wellicht een historicus die kritiek op mijn boek kon leveren? Ik beval prof. dr. Jan Bank aan. Hij verdedigt het koningshuis tegen de klippen op, dus ik vond dat ze aan Bank een goede hadden.
Ad van Liempt als criticus hadden ze zelf bedacht en hij bleek alleszins bereid een duit in het zakje te doen. Het vervelende was dat beide heren geen letter van mijn boek hadden gelezen. Dat kon ook nauwelijks, want het was net een dag uit.

Commentaar leveren zonder enige kennis van de bewuste passage uit het boek bleek voor geen van beide heren een probleem om zich in stevige bewoordingen over mijn werk uit te laten. Professor Bank hield het erop dat mijn conclusie over de gevolgen van de centralisatie ‘vele bruggen te ver was’. Hij wilde eerste ‘twee’ zeggen, maar herstelde dat snel in ‘vele’. Dat is toch erger dan twee.

Van Liempt toonde zich inventief in zijn commentaar. Volgens hem kon je niet volhouden dat Wilhelmina het verzet had gecentraliseerd. Met die opvatting staat hij zo ongeveer alleen in Nederland. Uit alles bleek dat hij even bliksemsnel Loe de Jong erop na had geslagen, maar geen tijd had gehad de stof even te laten bezinken. Van de literatuur die na De Jong over het verzet was verschenen, had hij helaas geen grammetje kaas gegeten. Zijn oordeel: wat ik had geschreven grensde ‘aan de rand van onzin’.

En wat zou er zijn gebeurd als het verzet niet was geconcentreerd, vroeg hij zich nog af. Daarmee sprak hij niet alleen zichzelf tegen (over de centralisatie) maar stelde hij ook de beruchte ‘als’ vraag, die er zoals bekend in de geschiedenis volstrekt niet toe doet. Het is immers gegaan zoals het gegaan is. Aan ‘als’ hebben historici geen boodschap.

Historicus dr. Coen Hilbrink reageerde in NRC (01-05-2018) per ingezonden brief op de concentratie-kwestie, die de krant overigens ook zelf in haar recensie had aangeroerd. Hilbrink zet uiteen dat Wilhelmina het verzet wel degelijk heeft gecentraliseerd en dat daardoor naar schatting honderden verzetsstrijders het leven hebben verloren, waaronder zijn eigen vader en grootvader. Hilbrink schreef een proefschrift en enkele boeken over de illegaliteit. Ook heeft hij tal van verzetsstrijders geïnter-viewd.

Een gedenkboek van het verzet Het Grote Gebod hekelde de beslissing van Wilhelmina als ‘een betreurenswaardige domheid’. Een snoeihard oordeel die stamt uit een tijd dat eerbied voor het koningshuis nog vanzelfsprekend was. Tegenwoordig zouden we vermoedelijk spreken van een ‘idiote beslissing die alleen een wereldvreemde gek kan maken’ (ik improviseer maar even wat).

De Jong vond die centralisatie ook geen briljant idee, maar hij wilde het uit eerbied voor de koningin geen ‘betreurenswaardige domheid’ noemen. Toch kon hij er wel een eind in meegaan. Van Liempt zag dat even over het hoofd.

Waarom was het eigenlijk zo’n slecht besluit? Ten eerste wist Wilhelmina zo goed als niets over het verzet en de onderlinge strijd die zich daarbinnen afspeelde tussen (zoals dat toen nog ging) katholieken, gereformeerden, communisten en noem alle richtingen verder maar op.

Haar schoonzoon, prins Bernhard, zou de chef van de verenigde verzetsgroepen worden. Het klonk zeker imposant: Bevelhebber der Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Wilhelmina deed dat met een vastomlijnd doel voor ogen. In Nederland zou de indruk worden gewekt dat het Oranjehuis, onder de moedige leiding van Bernhard een fors aandeel in de bevrijding van het vaderland had gehad. Het zou de monarchie weer steviger dan ooit in het zadel helpen. Wilhelmina had zich laten inspireren door de Maquis, de Franse ondergrondse.

In haar autobiografie noteert ze hoe dat was gegaan. In een krantenartikel had ze gelezen ‘dat de Maquis was opgenomen in de bondgenootschappelijke strijdkrachten. […] Zij kregen bij hun inlijving bij de geallieerde legers de status van combattanten en een eigen bevelhebber, generaal Koenig. Op hetzelfde ogenblik begreep ik, dat iets dergelijks voor onze Binnenlandse Strijdkrachten tot stand moest komen.’

De ondergrondse zag niets in haar plan, maar werkte toch tegen heug en meug mee om het verzet te concentreren en te organiseren in gewesten. Ook leden van de Ordedienst (OD) bemoeiden zich ermee. De OD zou volgens plan pas in actie komen als het land was bevrijd om de terugkeer van de koningin in goede banen te leiden. De zeer orangistisch gezinde OD kwam dus voortijdig in actie, maar de organisatie had vanwege de zichzelf toebedacht taak voor na de bevrijding niet het flauwste benul van verzetswerk. De noodzaak van de grootst mogelijke geheimhouding snapte ze al evenmin. Koeriers gingen op pad met schriftelijke uitnodigingen voor vergaderingen waarin adressen, namen van deelnemers alsook de tijd en plaats van samenkomst stonden. In het echte verzet ging dat soort dingen mondeling, zonder dat er een snipper papier aan te pas kwam.

Het ging dan ook helemaal fout. Een enkel voorbeeld volstaat: ir. Krikke, OD-er en benoemd tot commandant van het gewest Midden-Nederland belegde een vergadering in het gebouw van de Kamer van Koophandel in Utrecht. Koerierster Leny Mostert werd aangehouden door de Sicherheitsdienst met de uitnodigingen op zak. Het gevolg was dat Krikke zelf en nog zes anderen werden gearresteerd. Zelden had de Duitse illegaliteitsbestrijding het zo gemakkelijk gehad.
Met dank aan Wilhelmina.

Een mislukte bevrijdingspoging leidde tot de dood van de verzetsleiders Sam Esmeijer, Frank van Bijnen en Huibert Verschoor. De verzetslieden die ze hadden willen bevrijden – de mensen die de Sicherheitsdienst had gearresteerd vanwege de op Mostert gevonden uitnodigingen – werden geëxecuteerd.

Door de volstrekt amateuristische aanpak van de centralisatie – die om veiligheidsredenen nooit had mogen plaatsvinden – was het voor de Duitsers bovendien een koud kunstje in het verzet te infiltreren. Met alle dodelijke gevolgen van dien.

De centralisatie ging van Wilhelmina uit. Ze beschrijft het nota bene zelf in haar biografie Eenzaam maar niet alleen. Veel verzetsmensen hebben haar ‘betreurenswaardige domheid’ met de dood moeten bekopen.

Toch raar dat Ad van Liempt mijn conclusie afdoet als ‘aan de rand van de onzin’ en dat ze volgens Jan Bank ‘vele bruggen te ver’ is. Commentaar leveren staat iedereen vrij, maar doe het alsjeblieft wel op grond van feiten en kennis.

Wat kost het Nederlandse koningshuis de belastingbetaler per jaar? In ieder geval veel meer dan de Rijksbegroting ons wil doen geloven. De totale uitgaven voor Willem-Alexander, Máxima en Beatrix (de ‘uitkeringtrekkers’ in het jargon) komen dit jaar uit op 59,4 miljoen euro.  Volgens een nieuw onderzoek van het tijdschrift De Republikein in samenwerking met het Republikeins Genoot-schap zou dat minstens 349 miljoen euro moeten zijn. Via WillyLeaks@deRepublikein.nl  kregen de onderzoekers veel informatie binnen van onder meer ambtenaren die hun grieven kwijt wilden.

De beveiligingskosten zijn geheim, maar we moeten rekenen op minimaal 40 miljoen euro per jaar. Koningsdag is ook niet gratis. De gemeente die de koning en zijn familie ontvangt, is ongeveer een miljoen kwijt. Koninklijke ‘flitsbezoeken’ aan dorpen en steden (en dat zijn er ongeveer  350 per jaar door Willem-Alexander en Máxima) kosten aan beveiliging en omzetverlies van de middenstand circa 75.000 euro.
Nederland heeft wereldwijd zo’n 140 ambassades en consulaten. De ambassades hebben vaak ruimtes die uitsluitend ten dienste staat voor koninklijk bezoek. Ze staan bijna altijd leeg, maar brengen wel onderhoudskosten met zich mee. Dankzij WillyLeaks weten we dat onze royals in de praktijk vaak liever kiezen voor een suite in een peperduur hotel. Dat kost extra geld, ook voor beveiliging.

Toen Willem-Alexander nog kroonprins was en als hobby aan waterbeheer deed, ontstond er op het ministerie van Waterstaat een complete ambtelijke unit ter ondersteuning van zijn liefhebberij.

De ambassade in Parijs mag zich regelmatig verheugen in een bezoekje van Máxima die bij het kopen van haar schoenen en haute couture het liefst onopvallend in Parijs verblijft en bekende hotels mijdt. Het koningshuis neemt het regeringsvliegtuig volgens de RVD altijd in het nationale belang. Schoentjes en kleding van de koningin vallen daar kennelijk ook onder. En natuurlijk moet er bewaking mee.

Alle contacten in het buitenland, ook als ze privé zijn, worden door Buitenlandse Zaken begeleid en ondersteund. Alle gesprekken, hoe futiel ook, worden voorbereid.
Consulaten en ambassades zijn wekenlang in de weer om niets aan het toeval over te laten. Ambtenaren die vonden dat privé-activiteiten buiten hun functieomschrijving vielen, klaagden liever niet, omdat het hun carrièrekansen schaadde.

Het rapport besteedt veel aandacht aan het vermogen van de koning. Het is niet uitgesloten dat de fiscus miljoenen misloopt. Het rapport beweert niet dat de koning fraude pleegt, maar de omvang van hun vermogen, door Quote geschat op circa 900 miljoen, is gezien de historisch traceerbare opbouw van het Oranjekapitaal onwaarschijnlijk laag.
De RVD beweerde aan de vooravond van Willem-Alexanders koningsdagbezoek aan Groningen dat hij geen aandelen heeft in Shell of andere ‘koninklijke’ bedrijven, zoals Philips.

Met het oog op de Groningse gasbevingen was dat een handige zet. Maar volgens de voormalig  directeur van het Koninklijk Huisarchief, Bernhard Woelderink, heeft de familie wel degelijk aandelen Shell en Philips. Misschien staan ze niet op naam van de koning, maar op die van Beatrix of mogelijk zijn ze ondergebracht in stichtingen of trusts. Mogelijkheden zat en dat de Oranjes de offshore wegen kennen én bewandelen is al vaker in het nieuws geweest.

Dit artikel verscheen eerder in Argus

Een reputatie op drijfzand

Wat steeds weer opviel bij het schrijven van Wilhelmina. Mythe, fictie en werkelijkheid (dat medio april 2018 verschijnt) was de moeite die ministers zich gaven om het gedrag van Hare Majesteit te verdoezelen. Al eerder was me iets dergelijks bij prins Bernhard opgevallen. Ook daar stuitte ik op eindeloos gedraai en gemanipuleer om de waarheid te verhullen.

Wij als burgers mogen niet weten hoe ons staatshoofd denkt, handelt of tot beslissingen komt. Hij staat boven de partijen. De koning (de Grondwet spreekt altijd van de koning) is niet verantwoordelijk voor wat hij doet. Dat zijn de ministers, hoewel zij samen met de koning de regering vormen. Onze Grondwet stelt sinds 1848: ‘de Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk’.

Voor die Grondwetswijziging had Nederland `Koninklijke kabinetten’, waarin de koning een dominante rol speelde. Met zijn Grondwet van 1848 heeft Thorbecke de koning een groot deel van zijn macht ontfutseld. Voortaan waren de ministers verantwoordelijk voor het regeringsbeleid. De koning was goeddeels buiten spel gezet.

De hechte band die sindsdien tussen de koning en zijn ministers zou bestaan noemen we de ‘eenheid van de Kroon’.  Die eenheid is niet bij wet geregeld. Het is gewoonterecht dat te pas (en nog vaker) te onpas wordt toegepast. Het wekelijkse beraad tussen de premier en de koning valt er bijvoorbeeld onder. Over dat wekelijkse onderonsje mag niets uitlekken; het zou namelijk de ‘eenheid’ kunnen schaden.

De ministeriële verantwoordelijkheid was in principe beperkt tot slechts één persoon: de koning. Maar ministers die te maken kregen met (bijvoorbeeld) het onacceptabele gedrag van prins Bernhard (waardoor ook de positie van koningin Juliana in het gedrang dreigde te komen) zochten naar een manier om het laakbare gedrag van de prins buiten de publiciteit te houden. Zo ontstond de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid.
De afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid is door de jaren heen steeds verder opgerekt. De minister-president wil geen gedoe met de koning en zijn familie. Daarvoor is het koningshuis te populair. Kwesties rond de monarchie dreigen voor de zittende premier vrijwel altijd electoraal verlies met zich mee te brengen; soms zelfs politieke zelfmoord.
Als Den Uyl destijds prins Bernhard vanwege de Lockheed-affaire voor de rechter zou hebben gesleept, had de premier dat politiek vermoedelijk niet overleefd. Bernhard was en bleef – daar veranderde Lockheed niets aan – razend populair. Dus moest de boel zoveel mogelijk worden toegedekt.

De ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ is door ministers ook wel misbruikt om zichzelf tegen kritiek of politieke tegenwind te beschermen. Affaires kunnen immers met een beroep op die verantwoordelijkheid min of meer naar eigen inzicht worden afgewikkeld of door geheimhouding buiten het zicht van het parlement en de kiezer worden gehouden. Óók wanneer dat ongewenst is en mogelijk zelfs in strijd met de wet. Dat is een ongezonde en vooral ook ongewenste situatie. Thorbecke heeft een dergelijke toepassing van de regel nooit zo voor ogen gestaan.

Die ruim anderhalve eeuw oude regel fnuikt nog steeds onze geschiedschrijving. Ook in het geval van Wilhelmina, de koningin met de meest solide reputatie ooit. Ministers hadden bijkans dagwerk om haar onkunde, gestuntel en vlagen van razernij verborgen te houden.  Premier-in-ballingschap Gerbrandy zei ooit: ‘De koningin moet [in Nederland] terugkomen zo blank als sneeuw’.  Als hij er dan zelf zou uitzien ‘als een moriaan’ kon hem niet veel schelen.
Als we Hare Majesteit nader onder de loep nemen, blijft er van haar roem en prestige maar weinig over. Dat is niet alleen toe te schrijven aan haar onkunde, zwakke regeereigenschappen of omdat ze een onmogelijk mens was om mee samen te werken. Wat het zo moeilijk maakte was haar overtuiging dat ze samen met God Nederland bestuurde. Als je daarvan overtuigd bent glijdt alle kritiek van je af en wordt zinloos. Vanuit haar goddelijke positie meende ze als enige te weten wat goed was voor het land. Dat leverde niet zelden onverkwikkelijke situaties op, die echter met een beroep op de ministeriële verantwoordelijkheid zorgvuldig buiten de publiciteit werden gehouden.

Tijdens de ballingschap in Londen (1940-1945) greep Wilhelmina haar kans en deed ze vooral wat ze zelf wilde. De ministers hadden nog maar weinig grip op haar. Er was geen parlement waarop ze konden terugvallen om de koningin in toom te houden. Menigmaal hebben de ministers in Londen zich afgevraagd of Hare Majesteit wel helemaal normaal was. Ze gedroeg zich vaak als het spreekwoordelijk scheldende viswijf; niet als de eerbiedwaardige koningin van Nederland.

Na de oorlog heeft de Parlementaire Enquête Commissie Regeringsbeleid 1940-1945 (PEC) het Londense beleid geëvalueerd. Dat leverde maar liefst 14.901 pagina`s op in folioformaat. Maar Wilhelmina komt er nauwelijks in voor. Prins Bernhard, vanwege de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid, al evenmin.

Essentiële zaken komen niet aan bod, omdat de naam van Hare Majesteit dan in het geding zou komen. De ministers die in Londen met Wilhelmina hadden samengewerkt (voor zover je dat althans door haar geruzie zo kon noemen), wilden er niets over kwijt tegenover de PEC. De ministeriële verantwoordelijkheid verbood dat.
Ook andere getuigen (ambtenaren etc.) stelden zich terughoudend op omdat het prestige van het koningshuis in het geding kon komen. Vaak ook stemden getuigen hun verklaringen onderling op elkaar af vóórdat ze voor de commissie verschenen. De weerstand om iets over Wilhelmina (of Bernhard) te zeggen, zat diep. Vanzelfsprekend heeft dat grote (en kwalijke) gevolgen gehad voor de geschiedschrijving. De PEC geeft een zwaar gemanipuleerd beeld van de Nederlandse regering in ballingschap.

Wilhelmina, had overigens zelf geen bezwaar om vragen van de PEC te beantwoorden. Maar de Commissie wees dat af op grond van de ministeriële verantwoordelijkheid.

Koningin Wilhelmina was er alles aan gelegen haar reputatie en die van het koningshuis te beschermen. Veel documenten die een minder gunstig licht op haar koningschap wierpen, heeft ze laten vernietigen. Ook zijn archieven in binnen- en buitenland gekuist van materiaal dat Hare Majesteit niet welgevallig was. Wie voor informatie bij het Koninklijk Huisarchief aanklopt, krijgt het advies de dubbelbiografie van Cees Fasseur te raadplegen. Daar zou alles instaan, wat de nieuwsgierige onderdaan ook maar zou willen weten. Er staat inderdaad veel in, maar lang niet alles. En heel veel essentieels ontbreekt.

Het is lastig een beeld van Wilhelmina (en leden van haar familie) te schetsen. De ministeriële verantwoordelijkheid en de ‘eenheid van de Kroon’ staan dat eenvoudigweg niet toe. Archieven zijn grondig gewied of op grond van geheimhoudingsbepalingen niet toegankelijk. Materiaal wat niet geschikt wordt geacht om te bewaren in openbare overheidsarchieven, wordt hoogstwaarschijnlijk ondergebracht in het Koninklijk Huisarchief. Het KHA is officieel een particuliere stichting – overigens wel volledig door de overheid gefinancierd – en valt daarom niet onder de archiefwet die de toegang tot onze nationale archieven regelt. Stukken in openbare archieven kunnen bij wet maar beperkte tijd geheim blijven. Stukken in particuliere archieven zo nodig voor eeuwig.

De officiële geschiedschrijving van de regering in ballingschap is vanwege de koningin drastisch gemanipuleerd en per definitie onvolledig en onbetrouwbaar.  Ondanks al haar tekortkomingen, rare beslissingen en wereldvreemde inschattingen is Wilhelmina er in geslaagd een solide reputatie van standvastige oorlogskoningin op te bouwen. Dat is te danken aan de ministeriële verantwoordelijkheid, de eenheid van de Kroon en de doelgerichte archiefvernietiging.
Maar toch heeft haar persoonlijk ingrijpen en het gemanipuleer van de overheid niet kunnen verhinderen dat er voldoende materiaal bewaard is gebleven (vooral in buitenlandse archieven) dat aantoont dat haar prestige op drijfzand is gebaseerd.

Vandaag (1 december) verschijnt het onderzoeksverslag van een door Rutte ingestelde commissie. De opdracht was onderzoek te doen naar een belastingdeal die in de jaren zeventig met de Oranjes zou zijn gemaakt.
Op verzoek van prins Bernhard.
Het klonk allemaal heel waarschijnlijk maar de commissie onder leiding van prof. dr. Carla van Baalen heeft geen spoor van bewijs gevonden voor een geheime belastingdeal met de Oranjes.

In mijn blog van eind juli schreef ik al dat ik niet veel vertrouwen had in de samenstelling van de commissie. Niet omdat ze als mens of wetenschapper niet zouden deugen. Het probleem was dat ze niet over de specifieke eigenschappen beschikten die nodig zijn voor een onderzoek als dit.

Carla Van Baalen is hoogleraar parlementaire geschiedenis, Paul Bovend’Eert doceert staatsrecht en Mark van Twist is bestuurskundige. Er blijken inmiddels nog twee mensen aan de commissie te zijn toegevoegd, allebei verbonden aan de School voor Openbaar Bestuur. Dat kan vast geen kwaad moet de premier hebben gedacht. Zolang er maar geen echte experts inzitten.

Het zou logisch zijn geweest om leden van de Algemene Rekenkamer tijdelijk vrij te stellen voor een grondig onderzoek. Accountants zijn ook geschikt voor dat soort speurwerk en er zijn vast nog hele roedels deskundigen te verzinnen die een gedegen, diepgaand onderzoek hadden kunnen instellen. Dat is niet gebeurd.
Wat we nu voorgeschoteld krijgen is de geschiedenis van de Wet Financieel Statuut Koninklijk Huis. Daarin wordt het inkomen van de koning, zijn opvolger en zijn voorganger (inclusief echtgenotes) geregeld. Daarover was echter al genoeg bekend en je hebt echt geen zware commissie nodig om dat allemaal nog eens opnieuw omstandig uit de doeken te doen.
In de tijd dat we nog koningin tegen Beatrix moesten zeggen, heb ik daarover al eens een artikel geschreven, gebaseerd op de vele literatuur die voorhanden is. Dat stuk staat ook op deze site voor wie een snel overzicht wil hebben.

Het rapport dat ook als boek is uitgekomen bij Uitgeverij Boom in Amsterdam heet Het inkomen van de koningen is dus geschreven door maar liefst vijf auteurs die daar ongeveer een jaar de tijd voor hebben gekregen van Rutte. Ze hebben niets onoirbaars gevonden wat me – zoals gezegd – niet verbaasd.

Ik wil en kan bij gebrek aan bewijs absoluut niet beweren dat die deal wél is gemaakt. Maar de auteurs kunnen evenmin concluderen dat hij niet is gesloten. Ze hebben alleen niets gevonden. Dat geloof ik best maar het is geen bewijs dat er nooit een afspraak is gemaakt.

Waarom laat Rutte de conclusie schuil gaan achter een dik rapport dat Het inkomen van de koning heet? Ongetwijfeld om vertrouwen in te boezemen maar bij mij blijft de twijfel knagen.

Hoedt u voor republikeinen

Soms levert mijn republikeinse overtuiging problemen op voor mijn familie. Niet dagelijks, maar het komt voor, zoals mijn neef Hans ervoer toen hij zich meldde bij Huis ten Bosch. Hans werkt voor een servicebedrijf en hij kwam die dag, samen met een medewerker, zijn werk doen op het paleis. Dat was althans de bedoeling.

Zoals dat hoort was hij vooraf door de AIVD gescreend. Hans bezoekt behalve Huis ten Bosch ook andere woongelegenheden van de Oranjes en dan moet natuurlijk wel vast staan dat je op geen enkele wijze een gevaar vormt voor de Koninklijke Familie.

Zo’n screening gebeurt schriftelijk. De waakhonden van de AIVD willen je naam en functie weten, wat logisch is, maar ook of je broers en zussen hebt, wat iets minder logisch lijkt. Maar wie zijn wij om de werkwijze van de AIVD te kritiseren? De dienst stelt ook vragen over je ouders en wat ze doen in het dagelijks leven. De rest van de familie blijft buiten schot, tenzij er zich een onverwachte situatie voordoet. Dan beepen de computer alarm.

Zo ging het ook op de dag dat neef Hans zich nietsvermoedend met zijn medewerker ten paleize vervoegde. Bij de poort noemde hij zijn naam en overhandigde hij als legitimatie zijn rijbewijs aan het dienstdoende lid van de Koninklijke Marechaussee. De man verdween in zijn kantoortje om de naam van de bezoekers in zijn computer te controleren.

Er moet een waarschuwing over het scherm zijn geflitst, want hij was al snel terug met de vraag of Hans een moeder had. Dat kon Hans niet ontkennen, maar de marechausseeman bleek haar meisjesnaam te willen weten. ‘Aalders’, zei mijn neef naar waarheid.

‘Oh’. Hij liep terug naar zijn computer. Plotseling stond hij er weer om dé hamvraag te stellen: kende Hans misschien Gerard Aalders? Jazeker, dat was zijn oom, de broer van zijn moeder.
De beleefde glimlach verdween. Hans vroeg of er een probleem was. Daar ging hij niet op in maar hij vroeg wel of Hans en ik elkaar wel eens spraken. Hans antwoordde bevestigend. Waarover spraken we dan? Hans vond terecht dat hem dat niet aanging. Spraken we wel eens over een andere staatsvorm dan de monarchie, bleef hij aandringen. Dat ging hem evenmin aan, meende Hans, maar hij de man wel terloops doorschemeren dat hij de monarchie zelf ook niet als zaligmakend beschouwde. Een gekozen staatshoofd is naar zijn democratische overtuiging te verkiezen boven een koning.

Hans had nog veel meer willen zeggen, hij is uit het juiste republikeinse hout gesneden, maar bedacht zich. Hij kwam tenslotte om zijn werk te doen; niet om een kansloze discussie aan te gaan. Wel vroeg hij de man nog stralend – maar eigenlijk dus heel pesterig – of zijn oom als staatsgevaarlijk werd beschouwd. De marechausseeman zag er de humor niet van in.
Tot verwondering van de medewerker kregen zie die dag bewaking mee, terwijl hij anders – hij kwam regelmatig  op het paleis – gewoon zijn gang kon gaan.

Na afloop van de klus werden Hans en zijn collega naar de uitgang begeleid. Op zijn ‘tot ziens en bedankt voor de gezelligheid’ kreeg hij geen antwoord.
Toch fijn om te weten dat de veiligheid van het Koninklijk Huis is zulke goede handen is.

Dit artikel verscheen eerder in Argus

Op 14 december meldde RTL Nieuws dat Rutte opdracht had gegeven voor een onderzoek naar de belastingdeal die het Koninklijk Huis begin jaren zeventig sloot. Zorgvuldig geselecteerde hoogleraren gaan de zaak reconstrueren. In juni op zijn laatst werd ons het resultaat beloofd. Het is nu juli.

Resultaten hebben we echter nog niet gezien en ik verwacht eerlijk gezegd ook niet veel van het onderzoek. Niet dat de hoogleraren, Van Baalen, Bovend’eert en Van Twist niet zouden deugen. Zeker wel. Carla Van Baalen is hoogleraar parlementaire geschiedenis, Bovend’eert doceert staatsrecht en Van Twist bestuurskunde.

Rutte heeft dus mensen uit de verkeerde disciplines gekozen. Het trio is voor zover bekend niet bedreven in het speuren naar verborgen rekeningen en dat is precies wat Rutte wil. We moeten hier denken aan een soort van Panamaconstructie al kan Panama als land natuurlijk best zijn vervagnen door Zwitserland, Liechtenstein, of Belise. Ik noem maar een paar dwarsstraten.

Prins Bernhard zat destijds (in de jaren zeventig) achter de deal die was bedoeld om de belastingafdracht van het Koninklijk Huis te compenseren. Over hun staatsinkomen hoefde het Koninklijk Huis door een nieuwe regeling nog steeds geen belasting te betalen, maar voortaan wel (en dat was nieuw) over hun inkomsten uit aandelen, beleggingen en dergelijke.
Toen aan hun vrijstellingsfeestje een einde dreigde te komen, eiste Bernhard – altijd al tuk geweest op geld – dat de familie gecompenseerd zou worden. De Oranjes hoefden toch niet onder de belastingfratsen van het parlement te lijden? Daar heb je onderdanen voor.

Er zouden afspraken zijn gemaakt, en je mag er zonder meer vanuit gaan dat dat daadwerkelijk gebeurd is, want ministers kropen (en kruipen vaak nog steeds) als de Familie wat wil. Dit geval zal daarop geen uitzondering zijn geweest. De vraag is alleen naar welk land, welk rekeningnummer en onder welke rekeningnaam het geld is overgemaakt.
De wereld is groot, een nummer is een nummer en aan de naam zal je echt niet kunnen zien dat het bestemd was voor Bernhard en Juliana, of later voor Beatrix en nu voor Willem-Alexander.

Op het ministerie van Financiën zal vast geen betaalpost te vinden zijn onder de naam van Compensatie Belastinggelden Koninklijk Huis of iets vergelijkbaars.
Wellicht staat de rekening op naam van Ons Genoegen, Nooit Genoeg, WeWantMore of de Welcome Foundation en ze kan in elk land, waar ook ter wereld, geregistreerd staan. Bernhard had wel ervaring met dat soort dingen, die hoefde je niets te vertellen. Zijn Lockheedsteekpenningen bijvoorbeeld had hij heel bekwaam naar een geheime rekening in Zwitserland gesluisd.

Dit is heel evident geen klus voor hoogleraren uit bovengenoemde disciplines. Dat weet Rutte en dat zal de reden voor hun benoeming zijn geweest. Inschakeling van de Algemene Rekenkamer, het ligt zo voor de hand, had aanzienlijk meer kans op succes gehad. De Rekenkamer weet de weg en ook dat weet Rutte. Vandaar dus.

Vandaag (5 juli) begint in Buenos Aires de advocaat van de oud-Transaviapiloot Julio Poch aan de tweede dag van zijn slotpleidooi. De Nederlands-Argentijnse piloot zou betrokken zijn geweest bij dodenvluchten ten tijde van de Argentijnse junta (1976-1983).
Een andere geboren Argentijn, Jorge Zorreguieta, wordt al jarenlang verdacht van medeplichtigheid aan de verdwijning van politieke gevangenen in Argentinië. Hem is tot dusver weinig in de weg gelegd want de schoonvader van koning Willem-Alexander voor de rechter slepen doen we liever niet. Dat was zo in het verleden en dat is nog steeds zo.

Voor een gevalletje van majesteitsschennis mag je het OM altijd uit bed bellen maar voor een aanklacht die de Koninklijke familie raakt ligt dat anders. Tegen een type als de `Damschreeuwer’ rukt het OM voortvarend uit en de man die een waxinelichthouder naar de Gouden Koets gooide zag zich eveneens geconfronteerd met een onverbiddelijk OM. Hoe de aanklachtprocedure precies in zijn werk gaat blijft geheim, maar duidelijk is wel dat Beatrix destijds als dienstdoende koningin nooit heeft laten blijken bezwaar te maken tegen zo’n ferme aanpak. Maar als je niet tot de familie behoort ligt dat anders. Vindt blijkbaar ook het OM.

Het OM bemoeide zich namelijk wél met Julio Poch, de Transaviapiloot die tijdens de ‘vuile oorlog’ in Argentinië deel zou hebben genomen aan ‘dodenvluchten’.
De zaak kent een lange voorgeschiedenis. Tijdens het Videlaregime (1976-1981) was Zorreguieta onderminister van Landbouw; van 1979 tot 1981 was hij minister. Videla kwam via een coup aan de macht. Argentijnen herinneren zich zijn schrikbewind als een periode waarin ongeveer 30.000 linkse landgenoten spoorloos verdwenen. Gemartelde, maar nog levende slachtoffers, werden gedrogeerd vanuit een vliegtuig in zee gedumpt om te verdrinken. Poch zou daaraan hebben meegedaan. Zorreguieta heeft altijd beweerd nooit iets te hebben geweten van de verdwijningen. Uniek, want praktisch geen Argentijn is dat ontgaan. De hele wereld kende de beelden van de `Dwaze Moeders’ op het Plaza de Mayo in Buenos Aires. Ze liepen daar iedere donderdag hun rondjes uit protest tegen de verdwijning van hun zonen en dochters. Het kantoor van Zorreguieta stond praktisch op het Plaza. Maar nooit was hem iets opgevallen.
Voor Nederland werd Zorreguieta`s selectieve blindheid een politiek probleem toen zijn dochter ging trouwen met Willem-Alexander. Voor premier Wim Kok was het een nachtmerrie. Mocht de vader van Máxima het huwelijk van zijn dochter bijwonen? Was hij als lid van de regering niet (mede)verantwoordelijk voor de verdwijningen?

In 2000 stuurde Kok prof. Michiel Baud, Latijns-Amerikadeskundige, voor onderzoek naar Argentinië. Dat Zorreguieta persoonlijk betrokken was geweest bij de verdwijningen sloot Baud praktisch uit maar anderzijds vond hij het ondenkbaar dat Zorreguieta niets van de verdwijningen zou hebben geweten. Al in 1979 publiceerde de Organisatie van Amerikaanse Staten een rapport over de moorden en verdwijningen in Argentinië. Veel regeringsfunctionarissen – in het besef dat Videla`s regime niet eeuwig was – hebben met een smoes een goed heenkomen gezocht. Maar Zorreguieta, door Videla persoonlijk benoemd, bleef op zijn post. De dictator, zelf tot levenslang veroordeeld (en inmiddels overleden), had kennelijk alle vertrouwen in hem.

Sinds het rapport-Baud is er veel veranderd in Argentinië, maar Zorreguieta heeft nooit iets laten blijken van spijt, laat staan van medegevoel voor de slachtoffers. Zijn Nederlandse schoonzoon en toen nog kroonprins Willem-Alexander zweeg niet, maar bleek weinig van de kwestie te hebben begrepen. Toen de RVD even niet oplette, beweerde de prins dat je ook anders naar de zaak kon kijken. De conclusie van Baud was ook maar een mening waar andere tegenover stonden. De prins doelde op een ingezonden brief (uit `open bron’, zoals hij het noemde) die – naar spoedig zou blijken – door Videla zelf was geschreven.

Máxima noemde het inschattingsfoutje van haar verloofde, in Leiden afgestudeerd als historicus, `een beetje dom’. Dat vonden we toen allemaal heel charmant maar we weten tegenwoordig (dankzij oud-premier Wim Kok) dat haar opmerking zorgvuldig was ingestudeerd.
Laat dat maar aan de RVD over. Máxima gelooft heilig in de onschuld van haar vader. Ze heeft het hem recht op de man af gevraagd, maar pappa had echt géén idee dat het regime dat hij als minister diende – en waarvoor hij dus medeverantwoordelijkheid draagt – zich aan misdaden en beschuldigingen had schuldig gemaakt. Je kan het een dochter moeilijk kwalijk nemen dat ze haar vader verdedigt.

Toch wilde het maar niet rustig worden rondom Zorreguieta. In 2002 deed ex-ambassadeur Maarten Mourik aangifte tegen hem bij het college van procureurs-generaal in Den Haag wegens medeplichtigheid aan foltering en misdaden tegen de menselijkheid. Het OM weigerde de aangifte in behandeling te nemen. Samen met nabestaanden van spoorloos verdwenen gevangenen diende Mourik een klacht in tegen het college dat de aanklacht had afgewezen. Tevergeefs. Het OM stelde geen `rechtsmacht’ te hebben over de aanstaande schoonvader van Willem-Alexander.

Alejandra Slutzky was een van de nabestaanden die samen met Mourik tegen Zorreguieta ten strijde trok. Ze is de dochter van een linkse arts – in de ogen van het regime dus een `subversieve terrorist’ – die na gruwelijk te zijn gemarteld spoorloos verdween. In een gesprek met Máxima, inmiddels getrouwd, vertelde ze wat haar vader en vele andere Argentijnen was overkomen. Ze verzocht Máxima om papa Zorreguieta bij officiële gelegenheden op de achtergrond te houden. Zijn aanwezigheid was kwetsend voor nabestaanden. Máxima beloofde haar best te zullen doen. Het bleef bij die belofte. Toen ze in mei 2011 veertig werd, stond Zorreguieta stralend naast de koningin op de rode loper van het Concertgebouw. De `prinses van het volk’, de ‘flonkerende ster’, de ‘zon zelve’, zoals de Volkskrant destijds zwijmelde, kreeg daar haar verjaardagfeestje aangeboden. En vader Zorreguieta was er prominent bij.

Na de grootscheeps gevierde verjaardag van zijn dochter liet een opgetogen Zorreguieta via het Algemeen Dagblad weten zich niet langer persona non grata te voelen. Integendeel. Hij had de indruk er helemaal bij te horen.
Slutzky en Matte Mourik, zoon van de inmiddels overleden diplomaat, reageerden op de provocatie met een nieuwe aanklacht. Hun advocaat Elizabeth Zegveld wees erop dat Nederland in 2011 een VN-verdrag had ondertekend dat landen verplicht tot vervolging van personen die betrokken zijn bij `gedwongen verdwijningen’. Daaronder valt ook indirecte betrokkenheid van mensen met regeringsverantwoordelijkheid. Zoals Zorreguieta.

Het blijft daarom opmerkelijk dat de Nederlandse justitie wel heeft meegewerkt aan de arrestatie van Poch. De piloot werd in 2010 in Spanje aangehouden en uitgeleverd. Nederland heeft geen uitleveringsverdrag met Argentinië en daarom was voor de Spaanse omweg gekozen. Dat gebeurde vóór de ondertekening van het VN-verdrag. Poch wordt net als Zorreguieta verdacht van betrokkenheid bij de verdwijning van gevangenen. Maar er is ook een fundamenteel verschil: Poch heeft geen banden met het koningshuis. In maart 2012 besloot het OM tegen vervolging. Er waren geen aanwijzingen voor persoonlijke betrokkenheid van Zorreguieta bij schending van mensenrechten. En evenmin zouden er aanwijzingen zijn dat hij als regeringslid van doen had gehad bij verdwijningen of dat hij informatie daarover had achtergehouden.

Wie goed oplette had die beslissing kunnen zien aankomen. Het OM weigerde in februari 2012 een interview met voormalig D`66-leider Boris Dittrich af te drukken in het personeelsblad Opportuun. Hij zou `te gevoelige’ opvattingen hebben geventileerd over de vervolging van Zorreguieta. Dittrich had namelijk gepleit voor een `grondig strafrechtelijk onderzoek zonder politieke afweging’. Hij waarschuwde ook dat áls het OM tot berechting zou besluiten de minister van Justitie dat alsnog via een aanwijzing kon verhinderen. Het deel over Zorreguieta werd uit de concepttekst van het interview geschrapt. Dittrich protesteerde. Het gevolg was dat de publicatie niet doorging. De eindredacteur van Opportuun mailde Dittrich dat hij zelf ook niet van censuur hield, en dat maar zelden toepaste. Het geval-Zorreguieta behoorde tot die schaarse uitzonderingen.

De auteur van het artikel mocht voortaan niet meer interviewen. Volgens het OM had dat niets te maken met het gewraakte artikel, maar was dat het gevolg van een `grote reorganisatie’. De afweging om Zorreguieta niet te vervolgen, – zei Dittrich ook nog – was door `bange mensen’ gemaakt. Willem van Genugten, hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van Tilburg gaf als zijn commentaar: `De regels zijn helder en als er zonder aanzien des persoons wordt opgetreden, is het razend eenvoudig. Toch zou ik nu niet graag in de schoenen staan van het Openbaar Ministerie, omdat het ook rekening zal en mag houden met de politieke en maatschappelijke context van Jorge Zorreguieta.’ ‘Zal en mag’. Riekt dat niet naar een vorm van geaccepteerde klassenjustitie?

Begin 2013 maakte de Argentijnse justitie bekend een onderzoek te beginnen naar de vader van Máxima. Zorreguieta zou hebben gelogen. Liesbeth Zegveld kondigde aan opnieuw aangifte doen. Ze vond dat Nederland Zorreguieta niet langer de hand boven het hoofd mocht houden. Niet ingrijpen zou klassenjustitie zijn.  Maar klassenjustitie bestáát zoals uit het geval van Bernhards moeder blijkt.

Prinses Armgard moest begin jaren vijftig voor de rechter verschijnen. Hemel en aarde werden bewogen dat te voorkomen. Armgard woonde (nog) in Duitsland waar Michael Graf Soltikov haar had aangeklaagd voor meineed en laster. Ze had Soltikov in een beëdigde verklaring beschuldigd tijdens de oorlog ene Hans-Ewald von Kleist te hebben verraden. Hij zou ter dood zijn veroordeeld en onthoofd. Maar Von Kleist was nog springlevend.

In Den Haag en Bonn gingen alle alarmbellen af. Een proces tegen de schoonmoeder van de Koningin der Nederlanden was `beslist hoogst ongewenst’ en moest worden voorkomen. Verschillende opties om een proces te voorkomen passeerden de revue.
In Bonn braken juristen op de ministeries van Buitenlandse Zaken en Justitie, in nauw overleg met de Nederlandse collega’s, zich het hoofd over de kwestie. Kón Armgard wel worden aangeklaagd, was een vraag die men zich hoopvol stelde. Genoot ze vanwege de positie van prins Bernhard geen gerechtelijke immuniteit? Juristen bezagen de mogelijkheid van alle kanten, maar ondanks inventief denkwerk bleek die optie onhaalbaar. Armgard kon wel degelijk voor de rechter worden gesleurd. Een strafproces tegen Juliana`s schoonmoeder  – zo staat er letterlijk in de Duitse stukken – zou buitengewoon vervelend zijn voor de betrekkingen met Nederland. Een civiel proces (Soltikov had ook schadevergoeding geëist) was al evenzeer ongewenst.

Armgard was intussen – door toedoen van Bernhard – naar Nederland verhuisd. Kon ze dan nog wel – als `extratoriaal’ –  voor een Duitse rechter worden gedaagd? Dat bleek (helaas voor haar en Bernhard)) mogelijk te zijn. Het voorstel om Armgard een diplomatiek paspoort te verschaffen (en daarmee immuniteit) sneuvelde eveneens als onhaalbaar. Openbare bemoeienis met de rechtsgang was uitgesloten. Dat zou immers rieken naar klassejustititie en dat willen we niet.
De juristen besloten daartoe toen bleek dat de Duitse pers lucht van de zaak had gekregen. De Nederlandse pers zweeg, net als in het geval van Greet Hofmans in de jaren vijftig. Vermoedelijk is de zaak uiteindelijk afgekocht. Dat is een redelijke veronderstelling want Soltikov zat in geldnood. Het dossier op het Auswärtiges Amt in Berlijn is onvolledig en stopt om duistere reden abrupt. Aan Nederlandse zijde is in de archieven niets te vinden. Vermoedelijk zijn de stukken ‘geheim’ gestempeld, zoals vrijwel alles dat het koningshuis in negatieve zin raakt.

Zorreguieta ontkwam, net als Armgard destijds, aan rechtsvervolging. Als Poch schuldig wordt bevonden zal hij daarvoor, volkomen terecht, moeten boeten. Had hij zijn schoonfamilie maar beter moeten uitkiezen.