Berichten

De verzetsdoden van Wilhelmina

‘Nieuwsuur’ kwam me interviewen over Wilhelmina. Ik schrijf in mijn boek dat de centralisatie van het verzet naar schatting een paar honderd verzetslieden het leven heeft gekost.  Daarover wilde ‘Nieuwsuur’ het graag hebben.
Ik had het zelf liever over de essentie van mijn boek gehad: over Wilhelmina als een van de meest overschatte figuren uit onze geschiedenis. Maar daar had het programma geen oren naar.

De redacteur had ook nog een vraag: kende ik wellicht een historicus die kritiek op mijn boek kon leveren? Ik beval prof. dr. Jan Bank aan. Hij verdedigt het koningshuis tegen de klippen op, dus ik vond dat ze aan Bank een goede hadden.
Ad van Liempt als criticus hadden ze zelf bedacht en hij bleek alleszins bereid een duit in het zakje te doen. Het vervelende was dat beide heren geen letter van mijn boek hadden gelezen. Dat kon ook nauwelijks, want het was net een dag uit.

Commentaar leveren zonder enige kennis van de bewuste passage uit het boek bleek voor geen van beide heren een probleem om zich in stevige bewoordingen over mijn werk uit te laten. Professor Bank hield het erop dat mijn conclusie over de gevolgen van de centralisatie ‘vele bruggen te ver was’. Hij wilde eerste ’twee’ zeggen, maar herstelde dat snel in ‘vele’. Dat is toch erger dan twee.

Van Liempt toonde zich inventief in zijn commentaar. Volgens hem kon je niet volhouden dat Wilhelmina het verzet had gecentraliseerd. Met die opvatting staat hij zo ongeveer alleen in Nederland. Uit alles bleek dat hij even bliksemsnel Loe de Jong erop na had geslagen, maar geen tijd had gehad de stof even te laten bezinken. Van de literatuur die na De Jong over het verzet was verschenen, had hij helaas geen grammetje kaas gegeten. Zijn oordeel: wat ik had geschreven grensde ‘aan de rand van onzin’.

En wat zou er zijn gebeurd als het verzet niet was geconcentreerd, vroeg hij zich nog af. Daarmee sprak hij niet alleen zichzelf tegen (over de centralisatie) maar stelde hij ook de beruchte ‘als’ vraag, die er zoals bekend in de geschiedenis volstrekt niet toe doet. Het is immers gegaan zoals het gegaan is. Aan ‘als’ hebben historici geen boodschap.

Historicus dr. Coen Hilbrink reageerde in NRC (01-05-2018) per ingezonden brief op de concentratie-kwestie, die de krant overigens ook zelf in haar recensie had aangeroerd. Hilbrink zet uiteen dat Wilhelmina het verzet wel degelijk heeft gecentraliseerd en dat daardoor naar schatting honderden verzetsstrijders het leven hebben verloren, waaronder zijn eigen vader en grootvader. Hilbrink schreef een proefschrift en enkele boeken over de illegaliteit. Ook heeft hij tal van verzetsstrijders geïnter-viewd.

Een gedenkboek van het verzet Het Grote Gebod hekelde de beslissing van Wilhelmina als ‘een betreurenswaardige domheid’. Een snoeihard oordeel die stamt uit een tijd dat eerbied voor het koningshuis nog vanzelfsprekend was. Tegenwoordig zouden we vermoedelijk spreken van een ‘idiote beslissing die alleen een wereldvreemde gek kan maken’ (ik improviseer maar even wat).

De Jong vond die centralisatie ook geen briljant idee, maar hij wilde het uit eerbied voor de koningin geen ‘betreurenswaardige domheid’ noemen. Toch kon hij er wel een eind in meegaan. Van Liempt zag dat even over het hoofd.

Waarom was het eigenlijk zo’n slecht besluit? Ten eerste wist Wilhelmina zo goed als niets over het verzet en de onderlinge strijd die zich daarbinnen afspeelde tussen (zoals dat toen nog ging) katholieken, gereformeerden, communisten en noem alle richtingen verder maar op.

Haar schoonzoon, prins Bernhard, zou de chef van de verenigde verzetsgroepen worden. Het klonk zeker imposant: Bevelhebber der Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Wilhelmina deed dat met een vastomlijnd doel voor ogen. In Nederland zou de indruk worden gewekt dat het Oranjehuis, onder de moedige leiding van Bernhard een fors aandeel in de bevrijding van het vaderland had gehad. Het zou de monarchie weer steviger dan ooit in het zadel helpen. Wilhelmina had zich laten inspireren door de Maquis, de Franse ondergrondse.

In haar autobiografie noteert ze hoe dat was gegaan. In een krantenartikel had ze gelezen ‘dat de Maquis was opgenomen in de bondgenootschappelijke strijdkrachten. […] Zij kregen bij hun inlijving bij de geallieerde legers de status van combattanten en een eigen bevelhebber, generaal Koenig. Op hetzelfde ogenblik begreep ik, dat iets dergelijks voor onze Binnenlandse Strijdkrachten tot stand moest komen.’

De ondergrondse zag niets in haar plan, maar werkte toch tegen heug en meug mee om het verzet te concentreren en te organiseren in gewesten. Ook leden van de Ordedienst (OD) bemoeiden zich ermee. De OD zou volgens plan pas in actie komen als het land was bevrijd om de terugkeer van de koningin in goede banen te leiden. De zeer orangistisch gezinde OD kwam dus voortijdig in actie, maar de organisatie had vanwege de zichzelf toebedacht taak voor na de bevrijding niet het flauwste benul van verzetswerk. De noodzaak van de grootst mogelijke geheimhouding snapte ze al evenmin. Koeriers gingen op pad met schriftelijke uitnodigingen voor vergaderingen waarin adressen, namen van deelnemers alsook de tijd en plaats van samenkomst stonden. In het echte verzet ging dat soort dingen mondeling, zonder dat er een snipper papier aan te pas kwam.

Het ging dan ook helemaal fout. Een enkel voorbeeld volstaat: ir. Krikke, OD-er en benoemd tot commandant van het gewest Midden-Nederland belegde een vergadering in het gebouw van de Kamer van Koophandel in Utrecht. Koerierster Leny Mostert werd aangehouden door de Sicherheitsdienst met de uitnodigingen op zak. Het gevolg was dat Krikke zelf en nog zes anderen werden gearresteerd. Zelden had de Duitse illegaliteitsbestrijding het zo gemakkelijk gehad.
Met dank aan Wilhelmina.

Een mislukte bevrijdingspoging leidde tot de dood van de verzetsleiders Sam Esmeijer, Frank van Bijnen en Huibert Verschoor. De verzetslieden die ze hadden willen bevrijden – de mensen die de Sicherheitsdienst had gearresteerd vanwege de op Mostert gevonden uitnodigingen – werden geëxecuteerd.

Door de volstrekt amateuristische aanpak van de centralisatie – die om veiligheidsredenen nooit had mogen plaatsvinden – was het voor de Duitsers bovendien een koud kunstje in het verzet te infiltreren. Met alle dodelijke gevolgen van dien.

De centralisatie ging van Wilhelmina uit. Ze beschrijft het nota bene zelf in haar biografie Eenzaam maar niet alleen. Veel verzetsmensen hebben haar ‘betreurenswaardige domheid’ met de dood moeten bekopen.

Toch raar dat Ad van Liempt mijn conclusie afdoet als ‘aan de rand van de onzin’ en dat ze volgens Jan Bank ‘vele bruggen te ver’ is. Commentaar leveren staat iedereen vrij, maar doe het alsjeblieft wel op grond van feiten en kennis.

Een reputatie op drijfzand

Wat steeds weer opviel bij het schrijven van Wilhelmina. Mythe, fictie en werkelijkheid (dat medio april 2018 verschijnt) was de moeite die ministers zich gaven om het gedrag van Hare Majesteit te verdoezelen. Al eerder was me iets dergelijks bij prins Bernhard opgevallen. Ook daar stuitte ik op eindeloos gedraai en gemanipuleer om de waarheid te verhullen.

Wij als burgers mogen niet weten hoe ons staatshoofd denkt, handelt of tot beslissingen komt. Hij staat boven de partijen. De koning (de Grondwet spreekt altijd van de koning) is niet verantwoordelijk voor wat hij doet. Dat zijn de ministers, hoewel zij samen met de koning de regering vormen. Onze Grondwet stelt sinds 1848: ‘de Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk’.

Voor die Grondwetswijziging had Nederland `Koninklijke kabinetten’, waarin de koning een dominante rol speelde. Met zijn Grondwet van 1848 heeft Thorbecke de koning een groot deel van zijn macht ontfutseld. Voortaan waren de ministers verantwoordelijk voor het regeringsbeleid. De koning was goeddeels buiten spel gezet.

De hechte band die sindsdien tussen de koning en zijn ministers zou bestaan noemen we de ‘eenheid van de Kroon’.  Die eenheid is niet bij wet geregeld. Het is gewoonterecht dat te pas (en nog vaker) te onpas wordt toegepast. Het wekelijkse beraad tussen de premier en de koning valt er bijvoorbeeld onder. Over dat wekelijkse onderonsje mag niets uitlekken; het zou namelijk de ‘eenheid’ kunnen schaden.

De ministeriële verantwoordelijkheid was in principe beperkt tot slechts één persoon: de koning. Maar ministers die te maken kregen met (bijvoorbeeld) het onacceptabele gedrag van prins Bernhard (waardoor ook de positie van koningin Juliana in het gedrang dreigde te komen) zochten naar een manier om het laakbare gedrag van de prins buiten de publiciteit te houden. Zo ontstond de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid.
De afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid is door de jaren heen steeds verder opgerekt. De minister-president wil geen gedoe met de koning en zijn familie. Daarvoor is het koningshuis te populair. Kwesties rond de monarchie dreigen voor de zittende premier vrijwel altijd electoraal verlies met zich mee te brengen; soms zelfs politieke zelfmoord.
Als Den Uyl destijds prins Bernhard vanwege de Lockheed-affaire voor de rechter zou hebben gesleept, had de premier dat politiek vermoedelijk niet overleefd. Bernhard was en bleef – daar veranderde Lockheed niets aan – razend populair. Dus moest de boel zoveel mogelijk worden toegedekt.

De ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ is door ministers ook wel misbruikt om zichzelf tegen kritiek of politieke tegenwind te beschermen. Affaires kunnen immers met een beroep op die verantwoordelijkheid min of meer naar eigen inzicht worden afgewikkeld of door geheimhouding buiten het zicht van het parlement en de kiezer worden gehouden. Óók wanneer dat ongewenst is en mogelijk zelfs in strijd met de wet. Dat is een ongezonde en vooral ook ongewenste situatie. Thorbecke heeft een dergelijke toepassing van de regel nooit zo voor ogen gestaan.

Die ruim anderhalve eeuw oude regel fnuikt nog steeds onze geschiedschrijving. Ook in het geval van Wilhelmina, de koningin met de meest solide reputatie ooit. Ministers hadden bijkans dagwerk om haar onkunde, gestuntel en vlagen van razernij verborgen te houden.  Premier-in-ballingschap Gerbrandy zei ooit: ‘De koningin moet [in Nederland] terugkomen zo blank als sneeuw’.  Als hij er dan zelf zou uitzien ‘als een moriaan’ kon hem niet veel schelen.
Als we Hare Majesteit nader onder de loep nemen, blijft er van haar roem en prestige maar weinig over. Dat is niet alleen toe te schrijven aan haar onkunde, zwakke regeereigenschappen of omdat ze een onmogelijk mens was om mee samen te werken. Wat het zo moeilijk maakte was haar overtuiging dat ze samen met God Nederland bestuurde. Als je daarvan overtuigd bent glijdt alle kritiek van je af en wordt zinloos. Vanuit haar goddelijke positie meende ze als enige te weten wat goed was voor het land. Dat leverde niet zelden onverkwikkelijke situaties op, die echter met een beroep op de ministeriële verantwoordelijkheid zorgvuldig buiten de publiciteit werden gehouden.

Tijdens de ballingschap in Londen (1940-1945) greep Wilhelmina haar kans en deed ze vooral wat ze zelf wilde. De ministers hadden nog maar weinig grip op haar. Er was geen parlement waarop ze konden terugvallen om de koningin in toom te houden. Menigmaal hebben de ministers in Londen zich afgevraagd of Hare Majesteit wel helemaal normaal was. Ze gedroeg zich vaak als het spreekwoordelijk scheldende viswijf; niet als de eerbiedwaardige koningin van Nederland.

Na de oorlog heeft de Parlementaire Enquête Commissie Regeringsbeleid 1940-1945 (PEC) het Londense beleid geëvalueerd. Dat leverde maar liefst 14.901 pagina`s op in folioformaat. Maar Wilhelmina komt er nauwelijks in voor. Prins Bernhard, vanwege de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid, al evenmin.

Essentiële zaken komen niet aan bod, omdat de naam van Hare Majesteit dan in het geding zou komen. De ministers die in Londen met Wilhelmina hadden samengewerkt (voor zover je dat althans door haar geruzie zo kon noemen), wilden er niets over kwijt tegenover de PEC. De ministeriële verantwoordelijkheid verbood dat.
Ook andere getuigen (ambtenaren etc.) stelden zich terughoudend op omdat het prestige van het koningshuis in het geding kon komen. Vaak ook stemden getuigen hun verklaringen onderling op elkaar af vóórdat ze voor de commissie verschenen. De weerstand om iets over Wilhelmina (of Bernhard) te zeggen, zat diep. Vanzelfsprekend heeft dat grote (en kwalijke) gevolgen gehad voor de geschiedschrijving. De PEC geeft een zwaar gemanipuleerd beeld van de Nederlandse regering in ballingschap.

Wilhelmina, had overigens zelf geen bezwaar om vragen van de PEC te beantwoorden. Maar de Commissie wees dat af op grond van de ministeriële verantwoordelijkheid.

Koningin Wilhelmina was er alles aan gelegen haar reputatie en die van het koningshuis te beschermen. Veel documenten die een minder gunstig licht op haar koningschap wierpen, heeft ze laten vernietigen. Ook zijn archieven in binnen- en buitenland gekuist van materiaal dat Hare Majesteit niet welgevallig was. Wie voor informatie bij het Koninklijk Huisarchief aanklopt, krijgt het advies de dubbelbiografie van Cees Fasseur te raadplegen. Daar zou alles instaan, wat de nieuwsgierige onderdaan ook maar zou willen weten. Er staat inderdaad veel in, maar lang niet alles. En heel veel essentieels ontbreekt.

Het is lastig een beeld van Wilhelmina (en leden van haar familie) te schetsen. De ministeriële verantwoordelijkheid en de ‘eenheid van de Kroon’ staan dat eenvoudigweg niet toe. Archieven zijn grondig gewied of op grond van geheimhoudingsbepalingen niet toegankelijk. Materiaal wat niet geschikt wordt geacht om te bewaren in openbare overheidsarchieven, wordt hoogstwaarschijnlijk ondergebracht in het Koninklijk Huisarchief. Het KHA is officieel een particuliere stichting – overigens wel volledig door de overheid gefinancierd – en valt daarom niet onder de archiefwet die de toegang tot onze nationale archieven regelt. Stukken in openbare archieven kunnen bij wet maar beperkte tijd geheim blijven. Stukken in particuliere archieven zo nodig voor eeuwig.

De officiële geschiedschrijving van de regering in ballingschap is vanwege de koningin drastisch gemanipuleerd en per definitie onvolledig en onbetrouwbaar.  Ondanks al haar tekortkomingen, rare beslissingen en wereldvreemde inschattingen is Wilhelmina er in geslaagd een solide reputatie van standvastige oorlogskoningin op te bouwen. Dat is te danken aan de ministeriële verantwoordelijkheid, de eenheid van de Kroon en de doelgerichte archiefvernietiging.
Maar toch heeft haar persoonlijk ingrijpen en het gemanipuleer van de overheid niet kunnen verhinderen dat er voldoende materiaal bewaard is gebleven (vooral in buitenlandse archieven) dat aantoont dat haar prestige op drijfzand is gebaseerd.

Vandaag (1 december) verschijnt het onderzoeksverslag van een door Rutte ingestelde commissie. De opdracht was onderzoek te doen naar een belastingdeal die in de jaren zeventig met de Oranjes zou zijn gemaakt.
Op verzoek van prins Bernhard.
Het klonk allemaal heel waarschijnlijk maar de commissie onder leiding van prof. dr. Carla van Baalen heeft geen spoor van bewijs gevonden voor een geheime belastingdeal met de Oranjes.

In mijn blog van eind juli schreef ik al dat ik niet veel vertrouwen had in de samenstelling van de commissie. Niet omdat ze als mens of wetenschapper niet zouden deugen. Het probleem was dat ze niet over de specifieke eigenschappen beschikten die nodig zijn voor een onderzoek als dit.

Carla Van Baalen is hoogleraar parlementaire geschiedenis, Paul Bovend’Eert doceert staatsrecht en Mark van Twist is bestuurskundige. Er blijken inmiddels nog twee mensen aan de commissie te zijn toegevoegd, allebei verbonden aan de School voor Openbaar Bestuur. Dat kan vast geen kwaad moet de premier hebben gedacht. Zolang er maar geen echte experts inzitten.

Het zou logisch zijn geweest om leden van de Algemene Rekenkamer tijdelijk vrij te stellen voor een grondig onderzoek. Accountants zijn ook geschikt voor dat soort speurwerk en er zijn vast nog hele roedels deskundigen te verzinnen die een gedegen, diepgaand onderzoek hadden kunnen instellen. Dat is niet gebeurd.
Wat we nu voorgeschoteld krijgen is de geschiedenis van de Wet Financieel Statuut Koninklijk Huis. Daarin wordt het inkomen van de koning, zijn opvolger en zijn voorganger (inclusief echtgenotes) geregeld. Daarover was echter al genoeg bekend en je hebt echt geen zware commissie nodig om dat allemaal nog eens opnieuw omstandig uit de doeken te doen.
In de tijd dat we nog koningin tegen Beatrix moesten zeggen, heb ik daarover al eens een artikel geschreven, gebaseerd op de vele literatuur die voorhanden is. Dat stuk staat ook op deze site voor wie een snel overzicht wil hebben.

Het rapport dat ook als boek is uitgekomen bij Uitgeverij Boom in Amsterdam heet Het inkomen van de koningen is dus geschreven door maar liefst vijf auteurs die daar ongeveer een jaar de tijd voor hebben gekregen van Rutte. Ze hebben niets onoirbaars gevonden wat me – zoals gezegd – niet verbaasd.

Ik wil en kan bij gebrek aan bewijs absoluut niet beweren dat die deal wél is gemaakt. Maar de auteurs kunnen evenmin concluderen dat hij niet is gesloten. Ze hebben alleen niets gevonden. Dat geloof ik best maar het is geen bewijs dat er nooit een afspraak is gemaakt.

Waarom laat Rutte de conclusie schuil gaan achter een dik rapport dat Het inkomen van de koning heet? Ongetwijfeld om vertrouwen in te boezemen maar bij mij blijft de twijfel knagen.

Op 14 december meldde RTL Nieuws dat Rutte opdracht had gegeven voor een onderzoek naar de belastingdeal die het Koninklijk Huis begin jaren zeventig sloot. Zorgvuldig geselecteerde hoogleraren gaan de zaak reconstrueren. In juni op zijn laatst werd ons het resultaat beloofd. Het is nu juli.

Resultaten hebben we echter nog niet gezien en ik verwacht eerlijk gezegd ook niet veel van het onderzoek. Niet dat de hoogleraren, Van Baalen, Bovend’eert en Van Twist niet zouden deugen. Zeker wel. Carla Van Baalen is hoogleraar parlementaire geschiedenis, Bovend’eert doceert staatsrecht en Van Twist bestuurskunde.

Rutte heeft dus mensen uit de verkeerde disciplines gekozen. Het trio is voor zover bekend niet bedreven in het speuren naar verborgen rekeningen en dat is precies wat Rutte wil. We moeten hier denken aan een soort van Panamaconstructie al kan Panama als land natuurlijk best zijn vervagnen door Zwitserland, Liechtenstein, of Belise. Ik noem maar een paar dwarsstraten.

Prins Bernhard zat destijds (in de jaren zeventig) achter de deal die was bedoeld om de belastingafdracht van het Koninklijk Huis te compenseren. Over hun staatsinkomen hoefde het Koninklijk Huis door een nieuwe regeling nog steeds geen belasting te betalen, maar voortaan wel (en dat was nieuw) over hun inkomsten uit aandelen, beleggingen en dergelijke.
Toen aan hun vrijstellingsfeestje een einde dreigde te komen, eiste Bernhard – altijd al tuk geweest op geld – dat de familie gecompenseerd zou worden. De Oranjes hoefden toch niet onder de belastingfratsen van het parlement te lijden? Daar heb je onderdanen voor.

Er zouden afspraken zijn gemaakt, en je mag er zonder meer vanuit gaan dat dat daadwerkelijk gebeurd is, want ministers kropen (en kruipen vaak nog steeds) als de Familie wat wil. Dit geval zal daarop geen uitzondering zijn geweest. De vraag is alleen naar welk land, welk rekeningnummer en onder welke rekeningnaam het geld is overgemaakt.
De wereld is groot, een nummer is een nummer en aan de naam zal je echt niet kunnen zien dat het bestemd was voor Bernhard en Juliana, of later voor Beatrix en nu voor Willem-Alexander.

Op het ministerie van Financiën zal vast geen betaalpost te vinden zijn onder de naam van Compensatie Belastinggelden Koninklijk Huis of iets vergelijkbaars.
Wellicht staat de rekening op naam van Ons Genoegen, Nooit Genoeg, WeWantMore of de Welcome Foundation en ze kan in elk land, waar ook ter wereld, geregistreerd staan. Bernhard had wel ervaring met dat soort dingen, die hoefde je niets te vertellen. Zijn Lockheedsteekpenningen bijvoorbeeld had hij heel bekwaam naar een geheime rekening in Zwitserland gesluisd.

Dit is heel evident geen klus voor hoogleraren uit bovengenoemde disciplines. Dat weet Rutte en dat zal de reden voor hun benoeming zijn geweest. Inschakeling van de Algemene Rekenkamer, het ligt zo voor de hand, had aanzienlijk meer kans op succes gehad. De Rekenkamer weet de weg en ook dat weet Rutte. Vandaar dus.

Prins Bernhard was een meester in het ritselen van geld. Hij gebruikte zijn invloed en aanzien om ministers onder druk te zetten. Ministers hadden weliswaar grote moeite met zijn gezeur en gedram maar gaven hem toch steeds weer zijn zin. Voorwaarde was altijd wel dat een deal geheim bleef en dat het parlement er buiten werd gehouden. Desnoods zouden ze tegen de volksvertegenwoordiging liegen. Normaal gesproken is dat een politieke doodzonde, maar de Kamerleden zouden het wel begrijpen, mochten de ministers onverhoopt worden betrapt. Het ging immers om het Koninklijk Huis en dat was heilig. Toen en nu nog steeds. In 1960 sleepte Bernhard een miljoen D-mark in de wacht waarop hij geen recht had. De prins had echter meer deals gemaakt en de staat vaker lucratieve overeenkomsten afgedwongen. Dus waarom niet een belastingcompensatie?

Vrijwel niemand in de Kamer gelooft Rutte als hij beweert dat er geen bewijzen voor de omstreden belastingdeal zijn gevonden. Dat wantrouwen lijkt me terecht. De premier heeft er een handje van om alles wat de Oranjes betreft te bagatelliseren. Een ‘steigertje’, ‘containertje’ of een ‘verbouwinkje’, het doet er volgens Rutte allemaal niet toe. Het parlement moet niet zo zeuren. Rutte balanceert tijdens zijn verdediging soms gevaarlijk op het randje van de waarheid.

Uit de stukken die RTL Nieuws online heeft gezet blijkt zonneklaar dat er een deal is gemaakt.
Dat verwondert me niets. Bernhard was er sterk in en de ministers durfden nooit nooit nee te zeggen. Zolang een deal in de mist – die permanent rond de uitgaven voor het Koninklijk Huis  wordt opgetrokken – verborgen blijft is er niets aan de hand. Alleen moet je er altijd wel voor zorgen dat de Rekenkamer geen argwaan krijgt. Die wordt daarom misleid en dan is er verder geen haan die er nog naar kraait.

We weten dat er een compensatiedeal is gemaakt, maar we weten niet hóe dat het geld naar het staatshoofd wordt sluisd. In ieder geval natuurlijk niet naar zijn gewone bankrekening. Vanzelfsprekend kan Rutte deze affaire snel tot klaarheid brengen, maar omdat de waarheid er vervelend dreigt uit te zien, doet hij dat liever niet. Op het Nationaal Archief is vermoedelijk verder niets te vinden, dus laat Rutte daar eerst zijn speurhonden los.

De geheime overboekingen zullen onherkenbaar zijn vermomd en er vooral onschuldig uitzien. ‘Onkosten’, ‘declaratiegelden’, ‘studiefinanciering’ of ‘fonds bestrijding kinderarmoede’. Het kan alles zijn, behalve dan ‘compensatiegereling belastinggelden’.
Goede kans dat het wordt overgemaak naar een rekening in Zwitserland of een ander land met een streng bankgeheim. Maar het kan natuurlijk ook op een rekening op ‘onze’ Antillen of een ander belastingparadijs worden gestort. Het liefst via een aantal tussenrekeningen. Dan komt er nooit iemand achter. En natuurlijk op een gefingeerde naam; dus niet Van Oranje of Van Buren. Liever: ‘In de Luren’, ‘Van der Luren’ of ‘M. Azzel’.
Als de ministers zelf niet in staat zijn geweest iets te verzinnen, had Bernhard de heren persoonlijk kunnen adviseren. Hij kende de weg. Zo kreeg hij zijn smeergeld van  Lockheed op een rekening in Zwitserland gestort. Bernhard begreep  hoe je zoiets moest regelen.

Bernhards miljoen was geld dat door Duitsland was uitgetrokken voor de slachtoffers van de Holocaust, een groep waartoe de prins beslist niet hoorde. Volgens de Britse koning George VI had Berhard had als enige van de oorlog genoten, Met  ‘Wein, Weib und Gesang’ zouden ze in zijn oude Heimat zeggen.
Duitsland heeft lang geweigerd Bernhard zijn zin te geven, maar ging tenslotte door het jarenlange, aanhoudende gezeur van der Prinz overstag. Duitsland weigerde echter de politieke verantwoordelijkheid te dragen. De overeenkomst was immers niet legaal;  het geld werd op oneigenlijke gronden uitgekeerd. Geen enkele wet rechtvaardigde de gulle geste.
Het geld werd als een ‘bijzonder geval’ (Sonderfall) in het Financieel Verdrag ‘verstopt’ dat Duitsland en Nederland hebben ondertekend in het kader van de Wiedergutmachung (compensatiegeld voor Nederlandse joden).

Er zijn over dat geval, net als over het belastingcompensatiegeval, heel wat nota’s geschreven. In de ambtelijke wereld is dat onvermijdelijk. Om de Rekenkamer zand in de ogen te strooien bedacht de minister een ‘vertrouwelijke notawisseling’ met de Duitse ambassade in Den Haag `ter definitieve regeling van een verder, in het financieel verdrag niet uitdrukkelijk genoemd, schadegeval’. Vaag genoeg om er mee weg te komen. De Rekenkamer nam er in ieder geval genoegen mee.
Als de Tweede Kamer onverhoopt lucht mocht krijgen van Bernhard’s financiële mazzel kon het gewoon worden ontkend. De zaak was immers geregeld in een geheime notawisseling en dat ging de Kamer niets aan.

Het is moeilijk te zeggen welk departement opdracht heeft voor de jaarlijkse overdracht. Het zou Economische Zaken, Financiën, Algemene Zaken of zelfs Buitenlands Zaken kunnen zijn geweest, het ministerie waaronder onwikkelingssamenwerking valt en waarmee Bernhard uitstekende relaties onderhield. Minister Berend Jan Udink had hem geholpen af te komen van zijn onrendabele boerderij in Tanzania. De boerderij, Rift Wall Estate, was een domme investering waar Bernhard vanaf moest: het kostte alleen maar geld. Maar zelfs voor niets wilde Tanzania het niet hebben.

Bernhard bedacht toen een plannetje: er kon een opleidingscentrum voor boeren in worden gevestigd. Hij liet een pasklaar plan opstellen, legde dat aan de minister van ontwikkelingssamenwerking voor en de zaak was gepiept. Tanzanie wilde Rift Wall nu wel hebben omdat het ‘geschenk’ gepaard ging met een enorme zak ontwikkelingsgeld. Bernhard’s gedrag heeft de belastingbetaler ongeveer twee miljoen gulden gekost.
Rift Wall Estate gewoon laten verkommeren en zijn verlies nemen was geen optie omdat de prins zich contractueel had verplicht het gebied rondom zijn boerderij in cultuur te brengen.

Heer Rutte, het wordt best een beetje lastig zoeken, maar onmogelijk is het niet. Vooropgesteld natuurlijk dat je het echt wilt. En zouden accountants dit werk niet beter kunnen doen dan de historici die u nu inzet? Of is dat onderdeel van uw plan de boel te laten stranden?

Een nieuwe biografie over Juliana met Bernhard in de hoofdrol

De NOS zond dinsdagavond (20-10-2016) een documentaire uit, gebaseerd op de nieuw biografie van Jolande Withuis.
Het boek ligt morgen in de winkel, maar kreeg vandaag al grote aandacht is diverse media. Vooral de aandacht voor prins Bernhard is opvallend en de verrassing over het laakbare optreden van Z.K.H. lijkt onverminderd groot.
Alsof we niet al lang wisten hoe de prins-gemaal in elkaar stak. Maar prima dat Withuis het nog eens bevestigt. Horen we het ook eens van een ander.
Het boek heb ik nog niet kunnen lezen, dus ik beperk  me hier tot een paar eerste indrukken uit kranten en de NOS-documentaire.
Withuis had al eens eerder geschreven dat de rol van Juliana in Canadese ballingschap groter was geweest dan aanvankelijk gedacht. Ik vraag me bij zo’n frase altijd af wie dat dan dacht, maar dit terzijde. De prinses sprak in ieder geval opbeurende woorden voor de radio en ze ging bij president Roosevelt op bezoek om voor de Nederlandse zaak te pleiten.
Aan haar streven en inzet wil ik niets af doen – en het hoort zeker in deze biografie thuis – maar je kunt je wel afvragen hoe relevant dat allemaal voor het Nederlandse thuisfront is geweest.
Heeft haar inzet enig effect gehad? En heeft Roosevelt en zijn vrouw Eleanor zich extra bezorgd gemaakt over Nederland? Dat de Amerikaanse president en zijn vrouw Juliana wel mochten (maar geen hoge pet op hadden van haar moeder koningin Wilhelmina ) wist ik wel.

Dat ze wilde scheiden, wist ik ook; niet dat ze die wens tot twee maal toe heeft geuit.
Toch bleef ze haar levenlang verliefd op ‘der Biesterfelder’ die haar als oud vuil behandelde.
Bernhard nam zijn vriendin Lady Ann Orr-Lewis zelfs mee op een gezinsvakantie met Juliana en de kinderen naar Zwitserland. Daar zijn foto’s van.
Withuis weet niet of Juliana van het bestaan van zijn (vele) vriendinnen op de hoogte is geweest, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat ze tijdens dat gezellige, gezamenlijke reisje naar Zwitserland niets zou hebben gemerkt.
De man van Lady Ann wilde vanwege die affaire scheiden en was vast besloten de reden daarvan aan de grote klok te hangen. De regering in Londen vond dat even onwenselijk als de onze in Den Haag. Stel je voor dat Sir Duncan Orr-Lewis wilde scheiden vanwege de buitenechtelijke verhouding die zijn echtgenote had met prins Bernhard. Dat mocht nooit in de krant komen en onder druk van de Britse regering heeft de bedrogen echtgenoot zijn plan laten varen.

Bernhard zou ook de kamer van een zestienjarige logé zijn binnengedrongen en haar hebben betast en gezoend. Zeg maar Donald Trump-gedrag. Bernhard grossierde in zowel ongewenste als gewenste seksuele intimiteiten. De voorbeelden zijn legio, sla er mijn Niets was wat het leek maar op na.
Op paleis Soestdijk deden vrouwen (gasten en personeel) ’s avonds uit angst voor de prins de deur van hun kamer op slot, maar dat gebeurde ook onderweg op de plekken waar hij tijdens zijn talloze reizen verbleef. Vrouwen waren nergens voor hem veilig.

Ik vind dat Greet Hofmans een te grote rol krijgt toebedeeld. Dat is overigens te danken aan Bernhard
zelf. Hij bracht immers het verhaal over de gebedsgenezeres via het Duitse weekblad Der Spiegel naar buiten. Niemand had toen in de gaten dat Bernhard de bron was.
De affaire heet nog steeds de ‘Hofmanscrisis’, maar ‘Bernhard-Julianacrisis’ was een treffender benaming geweest. Via Der Spiegel dwong Bernhard de regering zijn huwelijkscrisis op te lossen.
Hij gooide alle schuld op Hofmans en manoeuvreerde zichzelf in een slachtofferrol.
Juliana kon Bernhard weliswaar gestolen worden, maar zijn huwelijk moest tot elke prijs worden gered. Zijn status, plezierreizen, inkomen, snelle auto’s en vliegtuigen; kortom: zijn hele zeer gekoesterde jet-setbestaan hing er vanaf.
Een scheiding zou zijn luxueuze leven hebben verwoest. Bernhard wilde koste wat kost getrouwd blijven met Juliana, al heeft hij zich van zijn huwelijksplichten nooit iets aangetrokken. Hij deed altijd waar hij zin in had, ook als dat ten koste ging van zijn vrouw, van Nederland of zelfs de monarchie.

Dat alles neemt niet weg dat Hofmans invloed heeft gehad op de koningin. Dat haar invloed groot was ben ik met Withuis eens, maar toch niet of nauwelijks in staatsaangelegenheden. Juliana was vanuit religieus oogpunt altijd al een wat zweverig type.
Door Hofmans is dat hooguit versterkt. Maar religieus besef zat diep in haar, net als bij haar moeder, koningin Wilhelmina, die ook behoorlijk kon zweven. Zo moeder zo dochter.
Ook na het vertrek van Hofmans bleef Juliana vatbaar voor religieus gezwijmel en ze was ook gevoelig voor verschijnselen die we doorgaans met ‘bovennatuurlijk’ aanduiden.
Ze toonde zich zelfs vatbaar voor een type als George Adamski. De Amerikaan beweerde dat hij in een vliegende schotel, bemand met buitenaardse wezens, een bezoek aan de planeet Venus had gebracht. De matteklappe ruimtereiziger kreeg zelfs een uitnodiging om zijn spectaculaire reis op paleis Soestdijk nader toe te komen lichten.

Tijdens de Lockheed-crisis hield Juliana haar man de hand boven het hoofd.
Volgens Withuis was dat ingegeven door de hoop dat het tussen haar en Bernhard ooit weer goed zou komen. Zijdelings zal het wel een rol hebben gespeeld (ze bleef tegen beter weten in altijd van hem houden), maar het aanzien van de monarchie speelde – denk ik – een grotere rol.
Als Juliana haar echtgenoot had laten vallen was het kabinet Den Uyl wellicht strenger tegen de corrupte prins opgetreden.
Beatrix had al laten weten dat ze zou weigeren haar moeder op te volgen als die de uiterste consequentie zou trekken uit het criminele gedrag van haar echtgenoot: aftreden.
Dat zou het einde kunnen zijn geweest van de Oranjedynastie en de eerste prioriteit van een koningshuis is nu juist dat ze de troon ten koste van alles wil behouden.
Het koningschap beknot weliswaar je vrijheid, maar er staan veel privileges in de maatschappelijke, financiële en sociale sfeer tegenover.

Prins Bernhard had dat als geen ander begrepen, ook dat er aan die vrijheidsbeknotting vele mouwen zijn te passen.

 

Het belastingschandaal rond de Oranjes dat RTL Nieuws op 10 oktober 2016 naar buiten bracht, laat een buitengewoon op geld beluste Koninklijke Familie zien. Prins Bernhard speelde daarin een centrale rol. Geen wonder: de prins was een schaamteloze geldwolfBernhard deed alles voor geld en hij kwam er altijd mee weg. 

Alle ministers die met de prins te maken kregen, hadden last van zwakke knieën en een nog zwakkere ruggengraat.
Hieronder nogmaals het verhaal hoe de prins (ondermeer) tegen alle regels en wetten in een miljoen uit een fonds te pakken kreeg, dat was bedoeld om joods slachtoffers van de Holocaust te compenseren. De Kamer werd weloverwogen niet ingelicht.
De ministers toonden zich zelfs bereid om het parlement voor te liegen. Als het om de monarchie gaat, lijken ze tot alles bereid. En Rutte? We zullen zien, maar mijn vertrouwen is – gezien zijn eerste reacties – klein. Behalve over een laag teflon beschikt de premier ook over een effectief slijmschild.

Onderstaand artikel verscheen eerder (zonder bronverwijzingen, nu wél bijgevoegd) in De Republikein, 2008, nr. 2. Het Nos journaal en het tv-programma Nova maakten er een item 
Van vorstelijke claims en royale toewijzingen
Financiële avonturen van prins Bernhard
In het geruchtmakende interview met Pieter Broertjes en Jan Tromp van de Volkskrant (2004) gaf Bernhard toe wat hij altijd had ontkend. De prins had inderdaad ruim een miljoen dollar smeergeld aangenomen van de Amerikaanse vliegtuigfabrikant Lockheed. Maar ach, dat geld was bedoeld voor het Wereldnatuurfonds. Wie kon daar nou bezwaar tegen hebben?[1] Corruptie blijft natuurlijk gewoon corruptie, óók als smeergeld in een Robin Hood-achtige sfeer van goede doelen wordt getrokken. De prins heeft in zijn lange leven wel meer bijgescharreld. Zou hij dat allemaal hebben weggegeven? Het eerste geval dat hier aan de orde komt duidt vooral op geldzucht en misbruik maken van zijn positie. De overige twee trouwens al evenzeer, al lijkt het uitbuiten van zijn positie met het verstrijken der jaren alleen maar toe te nemen.
De ongegeneerdheid waarmee de prins der Nederlanden zich geld toe-eigende zou menig ministerieel voorhoofd hebben moeten doen fronsen, maar in plaats van Bernhards gedrag een halt toe te roepen, hielden de ministers hun mond en lieten zich – tegen beter weten in – corrumperen.
Vermogen 
Op 7 januari 1937 trad Bernhard zur Lippe-Biesterfeld in het huwelijk met prinses Juliana. Bij Koninklijk Besluit kreeg hij de titel Prins der Nederlanden. Het goed Duitse `zur’ ruilde hij in; voortaan was hij van Lippe-Biesterfeld.[2] Het huwelijk met de toekomstige koningin kostte hem zijn Duitse nationaliteit maar die naturalisatie zou hij al snel in zijn voordeel proberen uit te buiten. Het huwelijk was voor de dan 26-jarige Duitser uit een verarmd adellijk geslacht dé oplossing voor zijn financiële situatie. Hij beweerde tegenover het Volkskrantduo dan wel altijd voldoende geld te hebben gehad, de waarheid was aanmerkelijk genuanceerder.
`We waren thuis niet arm. Van dat verhaal klopt niets. (…). Ik heb geld
van mijn ouders gekregen. Dat is de basis geweest voor mijn vermogen.
Ik heb al voor de oorlog mijn geld belegd in Amerikaanse aandelen.
Die zijn natuurlijk niet minder waard geworden.’[3]
Wilhelmina-biograaf C. Fasseur schreef terecht: `Veel geld had hij niet.’ Sefton Delmer, een Britse journalist, die hem al in het Berlijn van de jaren dertig goed had leren kennen, deelt die conclusie: hij spreekt van een `verarmde prins’.[4] Maar het gaat te ver om te zeggen dat hij armlastig was. Bernhard beschikte in zijn oude vaderland over een banksaldo maar daar kon hij vanwege de strenge Duitse deviezenbepalingen niet bij. Aan die circa 240.000 Reichsmarken (een gulden – €0,45 – kostte toen ongeveer 0,75 RM) had hij weinig omdat het op een geblokkeerde rekening (Sperrkonto) stond: het geld kon, tenzij met speciale toestemming, alleen in Duitsland worden besteed. In 1938 slaagde hij er uiteindelijk in om twee ton van dat bedrag te gebruiken voor de aankoop van bospercelen rondom Reckenwalde, het landgoed in Oost-Duitsland (tegenwoordig Pools grondgebied), waar hij was geboren en waar zijn moeder nog steeds woonde.
De Amsterdamse hoogleraar E.J.H. Schrage heeft het geval gebruikt om aan te tonen dat Bernhard en zijn moeder wel degelijk over serieus te nemen vermogen beschikten.[5] Maar met die vermeende rijkdom van Bernhard loopt het nogal los, zeker als we bedenken dat dit bedrag ruwweg overeen komt met een jaarinkomen van 200.000 gulden dat minister-president Colijn hem had toegewezen. Juliana kreeg een zelfde bedrag uit de staatsruif. Dat was bij de Grondwetswijziging van 1938 zo geregeld. Het verhaal dat Bernhard aan de Volkskrantopdiste dat hij zelf een inkomen als voorwaarde voor zijn huwelijk had gesteld, klopt dan ook niet.[6]
Die regeling had Bernhard eigenlijk te danken aan zijn in 1934 overleden schoonvader. Prins Hendrik was voor de financiering van zijn zwierige levenswandel bijna geheel afhankelijk geweest van zijn vrouw, koningin Wilhelmina, die er niet om bekend stond scheutig om te springen met haar geld. De regering van haar kant had nagelaten voor de prins-gemaal een adequate overeenkomst te treffen. Door schade en schande wijs geworden, beide in de meest letterlijke betekenis van het woord, had de regering besloten daar in de toekomst wat aan te doen. Het achterliggende idee was dat een eigen jaarinkomen prins Hendrik minder afhankelijk zou hebben gemaakt van fout gezelschap en financiële manipulaties. En bovendien mocht die Biesterfelder, zo heeft Colijn eens gezegd, best een paar centen kosten als hij naar Nederland wilde komen om het voortbestaan van de Oranjedynastie te waarborgen.[7] Van die taak heeft hij zich, zo kunnen we achteraf zonder enig voorbehoud constateren, met overgave gekweten. Hij deed zelfs meer dan van hem werd verwacht. Wel bleken het, voor zover wij weten, alleen dochters te zijn.
Amerikaanse aandelen
Bernhard heeft zijn spaargeld gestoken in bosgrond rond Reckenwalde. Het landgoed werd na de oorlog door Polen geannexeerd. Hij belegde het dus niet in Amerikaanse aandelen, zoals hij beweerde, en dat zou vanwege de Duitse deviezenbepalingen ook nauwelijks mogelijk zijn geweest. Uit stukken in het Britse Nationaal Archief blijkt dat duidelijk: zijn aandelen waren overwegend Duits en beliepen in Rijksmarken (die na de oorlog vrijwel niets meer waard waren en vóór de oorlog dus praktisch onbruikbaar) bij lange na niet de helft van zijn Nederlandse jaartoelage.[8] Zijn vader, prins Bernhard Leopold zur Lippe, had wél in Amerikaanse stukken belegd (Lehigh & Wilkes Barre Coal Company, Pennsylvania), maar die waren in de Eerste Wereldoorlog door het Amerikaanse beheersinstituut voor vreemd vermogen, de Alien Property Custodian, geconfisqueerd. Het ging om een voor die tijd aanzienlijk bedrag van omstreeks $ 70.000. Onder de Settlement of War Claims Act van 1928 had Bernhard senior 80 procent van het geconfisqueerde bedrag (inclusief rente) teruggekregen. De rest, zo’n $ 16.000 (inclusief rente), werd door Washington geparkeerd op een speciale rekening (German Special Deposit Account).[9] De kans dat dit restant, met uitzondering van een bedragje van $ 3,39 ooit zou worden vrijgegeven, was vrijwel nihil. Voor een dollar werd in 1937 ongeveer fl. 1,80 betaald en een gulden (€ 0,45) was toen naar ruwe schatting ongeveer vijftien keer meer waard dan hij nu zou zijn geweest, maar dat terzijde.
Nederlander
 Dat Bernhard dat geld graag terug wilde hebben is voorstelbaar, maar of hij ook inderdaad daadwerkelijk stappen had moeten zetten om zijn wens te verwezenlijken is een geheel andere zaak. De pasgetrouwde Bernhard dacht daar duidelijk anders over. Door zijn huwelijk had hij zijn Duitse nationaliteit moeten inruilen voor het Nederlandse staatsburgerschap en dat opende nieuwe perspectieven. Meende hij. En dus zette de prins het ministerie van Buitenlandse Zaken aan het werk dat op zijn beurt het gezantschap in Washington opdracht gaf zich van een bijzondere taak te kwijten: probeer die resterende 16.000 dollar van Bernhard los te peuteren.
De prins moet nog geen half jaar na zijn huwelijk tot actie zijn overgegaan. Behalve de Nederlandse overheid had hij ook het kantoor van Cohu Brothers, effectenmakelaars op Wall Street, New York, aan het werk gezet. Uit de stukken wordt niet duidelijk of hij eerst het New Yorkse effectenkantoor dan wel Buitenlandse Zaken heeft ingeschakeld. Mogelijke beide tegelijk. Vast staat wel dat Cohu Brothers het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken (State Department) op 17 juni 1937 per brief benaderde met het verzoek om na te gaan wat het voor de prins kon doen.
Bernhard was door zijn huwelijk immers Nederlander geworden en de prins wilde weten of hij op grond daarvan de resterende twintig procent geconfisqueerd vermogen kon terug krijgen. Cohu Brothers schakelde op zijn beurt een advocaat in met rechtstreekse toegang tot Sumner Welles, de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken. Die liet weten dat hij het geval had doorgestuurd naar het ministerie van Justitie waaronder het ressorteerde.
Het antwoord, al binnen een week, liet aan duidelijkheid niets te wensen over: er was binnen de wet absoluut geen mogelijkheid om de nieuwbakken prins der Nederlanden aan zijn financiële gerief te helpen. De naturalisatie had zijn positie in de zin der wet op geen enkele wijze in zijn voordeel beïnvloed. Drie weken later kwam Buitenlandse Zaken in actie. Uit de brief van de secretaris-generaal aan het Nederlandse gezantschap in Washington blijkt dat hij van de gang van zaken op de hoogte is, dus ook dat het Amerikaanse ministerie van Justitie afwijzend heeft beschikt op Bernhards verzoek. Dat belette hem echter niet om tegen beter weten in te schrijven:
` Nu Prins Bernhard de Nederlandsche nationaliteit heeft verworven zal er wel geen bezwaar tegen bestaan de fondsen af te staan, met welke aangelegenheid de Heer Cohu doende is.’
Of de gezant zo vriendelijk wilde zijn de zaak onder de aandacht van Justitie te brengen door die `officieel’ te laten weten `dat Prins Bernhard Leopold zur Lippe thans is Prins Bernhard der Nederlanden.’[10] Het gezantschap deed wat een gezantschap behoort te doen, namelijk de boodschap overbrengen[11], al was het in dit geval een boodschap met een voorspelbaar negatief antwoord die bovendien niet aan het State Department maar aan het ministerie van Justitie behoorde te worden gericht.
Het lijkt erop dat Den Haag een diplomatiek oplossing hoopte te vinden, maar het is evenmin uitgesloten dat het ministerie slechts ten dele door Bernhard werd ingelicht en alleen had meegedeeld dat Cohu Brothers zijn belangen behartigde. In ieder geval wees de gezant er in zijn brief aan het State Department op dat hij handelde volgens instructies van Harer Majesteits Regering. Die zou het ten zeerste op prijs zou stellen als de stukken werden vrijgegeven en geretourneerd aan His Royal Highness. Daarmee was de zaak een officieel verzoek van de Nederlandse aan de Amerikaanse regering geworden.
Een energiek verzoek
Ook Cohu Brothers werd nog eens gemaand de noodzakelijke stappen te nemen om het geld los te krijgen. Het antwoord uit New York was dat het kantoor niets kon doen. Maar natuurlijk was het niet uitgesloten dat het State Department voor dit geval een uitzondering wilde maken.[12] Dat was een suggestie tegen beter weten in want de zaak viel niet onder State maar Justitie.
Vervolgens wierp Bernhard zich middels zijn particulier secretaris in de strijd. Hij liet weten te hebben vernomen van een nieuwe regeling die het mogelijk zou maken om `bij uitzondering’  de resterende 20 procent op te eisen. De gezant werd gemaand zich met een `energiek verzoek’ om restitutie tot het ministerie van Justitie te richten: `Wellicht is het tot de Amerikaanse autoriteiten niet doorgedrongen dat Prins Bernhard Leopold zur Lippe-Biesterfeld thans Nederlander is en gemaal van H.K.H. Prinses Juliana der Nederlanden.’[13]
Op 29 oktober 1937 vatte de gezant de zaak nog eens samen in een brief aan de minister van Buitenlandse Zaken. Argumenten waren er eigenlijk niet, want vrijgave zou immers in strijd zijn met de wet. Een nationaliteitsverandering veranderde daar niets aan. Cohu Brothers had zonder omwegen gezegd geen enkele `constructive suggestion’ te kunnen aandragen. Maar de gezant toonde zich een inventief man door persoonlijk twee mogelijke oplossingen aan te dragen. Uit de eerste kan zijn eerbied voor de monarchie worden afgelezen; uit de tweede trouwens ook, al ging die – zeker gezien het bedrag dat er in het spel was en de oplossing die hij voorstelde – mijns inziens heel erg ver. Justitie zou er volgens de gezant door het State Department op gewezen kunnen worden dat
`de wetgever zeer zeker niet bedoeld heeft fondsen van een lid van het Koninklijk Huis eener bevriende natie, die gedurende den wereldoorlog hare onzijdigheid heeft bewaard, vast te houden, hetgeen immers, zoo dan al niet in strijd met vastgelegde regelen van Internationaal Recht, toch onvereenigbaar is met de conceptie van Internationale Hoffelijkheid, gelijk die vermoedelijk ook door Amerika opgevat en toegepast wordt.’[14]
En in tegenstelling tot Cohu Brothers had de gezant wel degelijk een constructieve suggestie: wat was er op tegen om het State Department te bewegen ‘het Congres der Verenigde Staten een wetsvoorstel voor te leggen’ om voor Bernhard een uitzondering te maken? Het antwoord gaf hij zelf: het geval zou dan wellicht in de openbaarheid komen en dat leek de gezant minder wenselijk. Een tweede bezwaar was dat het State Departement het herhaalde gezeur om die $ 16.000 wel eens zat zou kunnen worden, of zoals de gezant het in meer diplomatieke taal formuleerde, `wrevel’ zou wekken. De gezant leek zelf nog het meeste te voelen voor de `parlementaire procedure’ (dus een wetsaanpassing via het Congres), maar hij wilde eerst rustig de reactie van de prins afwachten.[15] De reactie van Bernhard is helaas niet bekend, maar de gezant komt wel andermaal terug op zijn idee om Bernhard via een wetswijziging zijn geconfisqueerde dollars te bezorgen. Een ontwerp daartoe zou door een Afgevaardigde of Senator bij het Congres moeten worden ingediend. Bezwaar is wel – hij wees er al eerder op – dat de pers er dan lucht van kon krijgen en bij
`de hier gebruikelijke perspraktijken zou het ongetwijfeld te verwachten zijn, dat berichten erover op sensationeele wijze worden opgediend en kritiek zouden inhouden over het feit, dat een uitzondering wordt gemaakt voor een bepaalden vreemdeling, die thans tot de Koninklijke Familie van Nederland behoort, terwijl anderen, zelfs vroegere Duitschers, die thans het Amerikaanse staats burgerschap hebben verkregen, in hoe kommervolle omstandigheden zij zich ook mogen bevinden, niet de beschikking over de hun toekomende gelden (…) kunnen verkrijgen.’[16]
Het was een feilloze analyse van de kern van het probleem. De wet is er nooit gekomen. Bernhard heeft via Den Haag nog wel geprobeerd om rente te trekken van het geconfisqueerde bedrag, zoals dat volgens hem tot 1933 of 1934 mogelijk zou zijn geweest[17], maar uit de stukken valt niet op te maken of hem dat gelukt is. Vermoedelijk niet en gezien het bedrag dat er mee zou zijn gemoeid, het ook nauwelijks de moeite waard geweest, al dacht de prins daar kennelijk anders over. Na de oorlog, in 1964 zou Bernhard, zoals we nog zullen zien, zijn vordering opnieuw aan de orde stellen. Voorlopig moest hij het stellen met twee ton per jaar aan harde Nederlandse guldens. En gratis huisvesting op Soestdijk.
Een positie
Kort na deze mislukte poging brak de oorlog uit en de koninklijke familie nam de wijk naar Engeland. Juliana bracht het grootste deel van de oorlog in Canada door. Bernhard bouwde vanuit Londen een keiharde verzetsreputatie op. Volgens een bekende uitspraak van de Britse koning George VI zou Bernhard de enige zijn geweest die van de oorlog had genoten. Maar Bernhard gaf aan die uitspraak een eigen interpretatie: `Hij bedoelde ermee te zeggen dat ik tijdens de oorlog een positie heb kunnen opbouwen.’ Maar de prins beweerde sober te hebben geleefd en hij had bij aankomst in Londen, mei 1940,  tegen Juliana gezegd: `zolang we weg zijn rook ik niet, dans ik niet, drink ik geen whisky.’ Naar eigen zeggen had hij zich tijdens de oorlog aan die belofte gehouden.[18] Dat verhaal strookt niet met de foto’s die we van hem uit die tijd kennen, en is ook  tegenspraak met zijn eigen verhaal dat hij met een stevig glas cognac in de hand bijna het slachtoffer werd van een luchtaanval.[19] Maar sober of niet, hij heeft nooit opgebiecht dat de oorlog hem op het idee bracht opnieuw financiële claims in te dienen. Financieel, zo kan worden geconstateerd, heeft Bernhard wel degelijk van de oorlog genoten, zoals we hierna zullen zien.
De Piet Hein
Juliana en Bernhard kregen het motorjacht de Piet Heinin 1937 cadeau als nationaal huwelijksgeschenk. Het schenken van schepen door het Nederlandse volk aan de Oranjes lijkt een traditie te worden. Beatrix kreeg op haar 18e verjaardag het zeiljacht De Groene Draeck aangeboden. Er zijn meer overeenkomsten: beide schepen werden onderhouden op de Rijkswerf in Den Helder en het ministerie van Defensie draaide jarenlang op voor de onderhoudskosten, maar de juiste data zijn niet bekend.
In de zomer van 2007 plaatste de Tweede Kamer vraagtekens bij de jarenlange onderhoudsfinanciering van de Groene Draeck, waaraan de laatste twee jaar maar liefst vier ton was uitgegeven. Over de kosten van de Piet Hein, die in 1981 inbruikleen werd gegeven aan een speciaal daartoe opgerichte stichting, werden geen nadere gegevens bekend gemaakt. Tijdens de oorlog werd het 31 meter langer jacht naar Duitsland overgebracht en gebruikt als commandoschip voor de Luftwaffe.
In 1945 lag de Piet Hein in Hamburg. Het was beschadigd en moest worden gerestaureerd.[20]Juist die restauratie en de vermelding dat Defensie ook jarenlang financieel voor de Piet Hein opdraaide zou aanleiding hebben kunnen zijn voor een aanvullende Kamervraag: wie betaalde die restauratie? Defensie of Bernhard en Juliana, de beide eigenaren? Of deelden ze misschien in de kosten? Zeker is wel dat het echtpaar een aanzienlijk bedrag voor reparatiekosten heeft getoucheerd uit fondsen die daarvoor absoluut niet waren bedoeld.
Het eerste spoor van de claim is terug te vinden in een brief gedateerd 9 januari 1946 van de hand van Cees Dedel, de `Thesaurier van Hunne Koninklijke Hoogheden Prinses Juliana en Prins Bernhard der Nederlanden’. Uit zijn brief blijkt dat er in de zomer van 1945 al correspondentie over de kwestie is geweest, maar die briefwisseling is in het dossier niet bijgevoegd. Dedel schrijft van de desbetreffende instanties te hebben vernomen dat de `restauratie-kosten van een luxe- vaartuig niet voor vergoeding wegens oorlogs- of bezettingskosten in aanmerking komen’.[21]
Nederland kende in die tijd een buitengewoon ingewikkeld stelsel van schadevergoedingen als gevolg van oorlogshandelingen, waarmee ik de lezer hier niet lastig zal vallen.[22] Na nul op rekest te hebben gekregen was het duidelijk dat er een andere weg bewandeld moest worden. Waarom niet een beroep gedaan op het Bureau Oorlogsbuit van het ministerie van Financiën? Tijdens een onderhoud van Dedel met de chef van dat Bureau was gebleken dat de aanvankelijk geraamde kosten zeker het dubbele zouden bedragen van de in eerste instantie geschatte 50.000 gulden. Die had het prinselijk paar overigens al in hun zak dankzij speciaal verleende dispensatie van de Rekenkamer (de taak van het Bureau Oorlogsbuit was namelijk restitutie; niet het geven van schadevergoeding). Afgesproken werd om eerst een volledige en definitieve opgave van de kosten af te wachten, want om `wederom’ (dus niet vaker dan strikt nodig) bij de Rekenkamer voor ontheffing aan te kloppen, zo kan men lezen in een brief van de secretaris-generaal van Financiën, zou `zeer bezwaarlijk’ zijn. De voorzitter van de Rekenkamer had immers al moeite gehad om akkoord te gaan met de inmiddels gegeven fl. 50.000.  Daar kwam nog wat bij dat het
`absoluut niet noodig was om ten deze alle kosten ten laste van het Rijk te brengen, aangezien de financieele positie van Z.K.H. een redelijke bijdrage zeer goed toelaat.’[23]
De secretaris-generaal had er geen bezwaar tegen dat Dedel van zijn bezwaren in deze delicate kwestie kennis nam en hem bovendien
`uitdrukkelijk mede te deelen dat iedere gedachte om deze kosten te verhalen op de reparatie-rekening Duitschland op zuivere fantasie berust en dat het volkomen doelloos is verder hierover te praten. Ik heb dit reeds tweemaal gezegd, maar men schijnt het niet te gelooven.’[24]
Inderdaad kreeg de thesaurier van het prinselijke paar al een dag later bericht dat het volkomen uitgesloten was om de kosten op de reparatierekening Duitsland te verhalen.[25]
Maar de ferme taal van de secretaris-generaal ten spijt kon al begin mei 1947 op Soestdijk de champagne worden opengetrokken. De machtiging om over te gaan tot uitbetaling `van een bedrag van fl. 52.888,11 zoals gedeclareerd door Cees Dedel’ was afgegeven. Het ministerie hoopte dat daarmee de aangelegenheid tot `tevredenheid van Zijne Koninklijke Hoogheid is afgehandeld.’[26] Dat zal ongetwijfeld het geval zijn geweest want tot twee maal toe (fl. 50.000 en fl. 52.888,11) had ZKH een schadevergoeding geïncasseerd in een geval waarvoor volgens de regels geen enkele vergoeding mogelijk was.
Niet eerder (en ook niet daarna) werd een restitutiezaak zo snel en zo ruimhartig ten gunste van een eiser afgehandeld. Ik heb dat Nederlandse restitutiebeleid uitvoerig gedocumenteerd in Berooid dat in 2001 verscheen. Het was berucht om zijn bureaucratie, stroperigheid, traagheid van afhandelen en het meer dan nauwkeurig volgen van de regels. En het stond al helemaal niet bekend om zijn financiële meegaandheid. Vooral de minister van Financiën, Piet Lieftinck had in dat opzicht een reputatie opgebouwd. Zijn ministerie was belast met restitutiezaken en waakte als een Cerberus over iedere cent. In het verarmde, uitgezogen naoorlogse Nederland zou er overigens nauwelijks een andere beleid mogelijk zijn geweest.[27] Maar uitzonderingen zijn er nu eenmaal altijd. Voor de prins was de afhandeling van de Piet Hein in ieder geval een mooie opsteker. Achteraf bleek het de opmaat naar een nog veel grotere klapper.
Wiedergutmachung
In 1957 kwam in de Bondsrepubliek Duitsland het Bun­desrücker­stattungsge­setz (BRÜG) tot stand. De wet was in de eerste plaats bedoeld om scha­de­ver­goeding te geven aan slachtoffers van het nazi-regime die op grond van hun ras, geloof of politieke overtui­ging waren vervolgd en hun eigendommen in beslag genomen. De wet was het sluitstuk van de zogenaamde Wiedergutmachung; een uitgebreid complex maatregelen ter vergoeding van geleden materiële schade. In Nederland hebben vooral joodse burgers, de groep die samen met de zigeuners het meeste onder het naziregime hebben geleden, een beroep op deze schadevergoedingsregeling gedaan. Ongeveer 230 van de uitgekeerde 280 miljoen DM is hen ten goede gekomen.[28] Dat ze daarbij in koninklijk gezelschap verkeerden zullen ze nooit hebben vermoed. Terecht natuurlijk, want in tegenstelling tot die zwaarstgetroffenen had Bernhard geen enkel recht op Wiedergutmachung. Toch wist hij er een miljoen DM uit te slepen door zich niet alleen op persoonlijke titel in de strijd te werpen maar ook de ministers van Buitenlandse Zaken en Financiën voor zijn kar te spannen.
Apanage
De vordering van prins Bernhard ging terug op 1918, het jaar waarin de oude Duitse adel in crisis werd gestort. De Eerste Wereldoorlog was verloren, de keizer was naar Nederland gevlucht en van de macht van de vele Duitse vorsten was door maatregelen van de nieuwe
Weimar-republiek weinig over gebleven. Ook Leopold IV, vorst van Lippe, trof dat lot: in 1919 kwam er een einde aan de soevereine status van het kleine land Lippe.
Volgens het oude Duitse adelrecht erfde de oudste zoon zowel de titel als het familievermogen. Tegenover dat voorrecht stond apanage: de verplichting om (in ieder geval deels) in het levensonderhoud van zijn zusters, jongere broers en eventueel andere familieleden te voorzien. Ook Leopold IV was apanage verschuldigd aan Bernhard Sr. Maar hoewel de apanage door Weimar op de helling was gezet, duurde het nog tot juli 1938 voordat het feodale systeem dankzij een nieuwe wet effectief werd aangepakt. De nieuwe wet dwong de actuele rechthebbende op het familievermogen met de overige belanghebbende familieleden een afkoopregeling treffen. Bernhard en zijn broer Aschwin maakten aanspraak op de apanage die Leopold IV destijds met hun (inmiddels overleden) vader had afgesproken en waarvoor binnen het kader van de nieuwe wet dus een afkoopregeling moest worden getroffen. De definitieve regeling zou nog tot 20 juli 1944 op zich laten wachten, maar toen kreeg de prins door een speciale kamer van de rechtbank (Oberste Fideikommissgericht) 87.000 RM toegewezen. Leopold IV stortte dat bedrag bij de Deutsche Bank in Berlijn ten gunste van de prins.[29]
Het is evident dat Bernhards apanage-claim op geen enkele wijze onder de termen van de Wiedergutmachung viel. Het was zelfs eerder andersom: Bernhard kreeg midden in de Tweede Wereldoorlog een bedrag toegewezen juist dankzij het nazibewind. Vast staat anderzijds ook dat hij in principe recht had op die 87.000 RM. Daar staat echter weer tegenover dat hij in Londen op 15 april 1943 een akte had ondertekend waarin hij afstand deed`van iedere nalatenschap van zijn vader en de toekomstige nalatenschap van zijn moeder’.[30] Niemand heeft ooit nog een beroep op die akte gedaan; Bernhard zelf nog het allerminst.[31]
Claims van Bernhard
Na de Duitse capitulatie kwam de 87.000 RM onder beslag van het Britse Militaire Gezag. Bernhard moet al spoedig de indruk hebben gekregen dat hij dat geld maar beter als afgeschreven kon beschouwen.
Toen hij eind mei 1951 nog geen Pfennig had gekregen, machtigde de prins zijn advocaat H.W. Stein alles te doen wat nodig was om het bedrag vrij te maken. In hoeverre Stein succes heeft gehad blijft volgens professor Schrage, die hiernaar onderzoek heeft gedaan, onbekend.[32] Wat we wel weten is dat Bernhard een claim bij het centraal meldpunt voor vermogensbeheer in Bad Nenndorf heeft ingediend. Uit de stukken blijkt dat hij de toegekende apanage zelf ruimhartig had verhoogd naar DM 600.000; verder eiste hij een achterstallige apanage ter hoogte van DM 797.00 en een deel van het vermogen (Hausvermögen) van het vorstenhuis Lippe met als peiljaar 1918.[33] Dat was dus bijna 1,4 miljoen DM voor apanage, naar de omvang van het Hausvermögen blijft het gissen. (Het is enigszins verwarrend dat in juni 1948 door een broodnodige geldsanering de Duitse Mark werd ingevoerd ter vervanging van de Rijksmark, die van 1941 tot juni 1948 international niet inwisselbaar was geweest. De koers van de gulden was in 1941 circa 0,75 RM, de nieuwe DM was ruim 4 cent duurder: 0,79).
Bernhard diende zijn vorderingen in bij de nieuwe Duitse Bondsrepubliek (DBR), het land Nordrhein-Westfalen, het land Lippe, het LandesverbandLippe en de erven van de inmiddels overleden Leopold IV.
Het Duitse ministerie van Justitie oordeelde in 1952 dat Bernhards aanspraken iedere juridische basis ontbeerden, met eventuele uitzondering van zijn claim die te maken had met een gerechtelijke uitspraak uit 1938. Ook de deelstaat Nordrhein-Westfalen reageerde op 24 juni 1953 negatief op Bernhards eis. Justitie kwam met een schikkingsvoorstel van DM 386.649,76 zonder echter duidelijk te maken op welke gronden die schikking was gebaseerd.[34]

Grensgeschil
Eind november 1953 had Bernhard de Duitse Bondskanselier Konrad Adenhauer al `zeer uitvoerig en onverbloemd’ op zijn `zogenaamde vermogensclaims’ aangesproken. Ook de Duitse ambassadeur in Nederland was op vergelijkbare wijze door Bernhard benaderd. De prins had er schoon genoeg van: hij bleef maar advocaten betalen. De zaak moest nu maar eens worden opgelost. In het voorstel van Bernhard om de kwestie via Nordrhein-Westfalen te regelen zag de Bondskanselier niets; het leek hem beter om de zaak mee te nemen in de ‘grote pot’: het Duits-Nederlands financieel verdrag waarbij kwesties uit de nazitijd werden geregeld. Maar dat vond Bernhard weer niets; hij wilde de zaak liever privé afhandelen buiten de Duitse en Nederlandse regering om zodat het niet in de openbaarheid kwam. Een oplossing vinden was niet eenvoudig.
De DBR wilde Bernhard liever niet voor het hoofd stoten, maar om het geval netjes onder een juridische regeling te laten vallen was moeilijk of zelfs onmogelijk.
Het was al snel duidelijk dat het probleem niet binnen het kader van het Dollard-Eems geschil kon worden opgelost. Die kwestie ging over een omstreden grensgebied tussen Groningen en Duitsland. Aan de Duitse kant was er Nordrhein-Westfalen bij betrokken, de deelstaat waarin Land Lippe was opgegaan. De deelstaat eiste in ruil voor toegevendheid jegens Bernhard een tegemoetkoming van de Nederlandse regering, maar dat zat er om politieke redenen niet in. De koppeling Wiedergutmachung – grensgeschil – apanage viel gewoon niet te maken. In de zomer van 1954 was het duidelijk dat de kwestie slechts op politieke wijze kon worden opgelost, waarbij het dan wel zaak was ervoor te zorgen dat Bernhards eis niet in de publiciteit kwam. Dat wilde de prins zelf niet en de Bondsregering al evenmin.[35]
Gevolmachtigde Gelissen
Inmiddels had prins Bernhard Dr. Ir. H.C.J.H. Gelissen als zijn persoonlijk gevolmachtigde aangewezen. Gelissen was voor de oorlog minister van economische zaken geweest en hij zou zich na de oorlog in talrijke functies (zowel voor de overheid als particulier) voor de Nederlandse economische belangen inzetten. Én voor die van Bernhard. De prins probeerde er intussen meer vaart achter te zetten door de Duitse ambassadeur in Den Haag en de Nederlandse ambassade in Bonn rechtstreeks te benaderen, onder andere met het verzoek om te bewerkstelligen dat Adenhauer zijn gevolmachtigde Gelissen persoonlijk zou ontvangen om over de kwestie te praten. De Bondskanselier hield een ontmoeting echter af.
Op het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken in Bonn wekte de zaak duidelijk irritatie.  Prof. Dr. E. Kaufmann van dat ministerie zag geen kans om de kwestie ook maar in de marge van de (financiële) onderhandelingen ter sprake te brengen. Hij verzocht daarom ambassadeur Mühlenfeld in Den Haag er voor te zorgen dat minister J.W. Beyen van Buitenlandse Zaken hem daarover niet meer (`in welcher Form auch immer’) zou aanspreken. Het mocht niet baten. Eind augustus 1957 stond Beyen, behalve minister ook vriend van prins Bernhard, bij Kaufmann in Bonn op de stoep.[36]
Den Haag
De Nederlandse regering werd zo lang mogelijk buiten de kwestie gehouden maar in de loop van 1959 veranderde dat. Op het ministerie van Buitenlandse Zaken tastte men toen nog min of meer in het duister over het verloop van de zaak. En al was er weinig bekend, er bestond wel overeenstemming dat `iedere oplossing, die behandeling in een Parlement nodig zou maken’ ongewenst was. Daarom was de claim ook steeds buiten de officiële onderhandelingen gehouden. Het besef leefde dat Bernhards juridische positie niet sterk was, maar hij had wél een `raw deal’ met de Duitsers. Dat was de reden voor de  principiële bereidheid van Bonn `om samen met de algemene regeling, maar niet in het kader daarvan, een oplossing te zoeken teneinde de Prins tegemoet te komen’.[37] En dat nu bleek een hele toer.
De DBR toonde zich uiteindelijk bereid een miljoen DM te betalen, maar wilde de politieke verantwoordelijkheid daarvoor niet op zich nemen.
De afwikkeling

Op 30 november 1959 kreeg Jelle Zijlstra, minister van Financiën, een brief van zijn Duitse collega. Die liet weten dat op boekhoudkundige gronden de 1 miljoen DM, bestemd voor Bernhard, in het totaalbedrag van 275 miljoen Wiedergutmachung zou worden opgenomen. De prins zou niet bij naam worden genoemd, maar omschreven als Sonderzweck; in latere stukken ook wel als Sonderfall, een bijzonder geval, of als `bijzondere betaling’.[38]
De reden om Bernhards naam waar mogelijk niet aan het papier toe te vertrouwen was het strikt vertrouwelijke karakter van de zaak. Bij de ontmoeting van minister Josef Luns (die Beyen inmiddels had opgevolgd) en zijn collega Heinrich von Brentano, zomer 1959, werden `de aanspraken van prins Bernhard buiten de agenda’ gehouden.
Overigens doemden tijdens die ontmoeting wel de contouren van een mogelijke oplossing op: Bonn wilde Den Haag wel een bedrag voor `omstreden gevallen’ ter beschikking stellen, maar wees iedere politieke verantwoordelijk af. Die legde de Duitse regering bij het kabinet De Quay.[39] De terughoudendheid van Duitsland sproot voort uit vrees voor kritiek van de Duitse Rekenkamer. De apanagevergoeding viel ten eerste onder geen enkele Duitse vergoedingswet en ten tweede bestond er huiver voor `een groot aantal vordering van niet-Nederlanders met soortelijke aanspraken’.[40]
Er zou tot 8 april 1960, de dag dat het `Financieel Verdrag’[41] werd ondertekend nog heel wat worden afgesteggeld over bedragen en juiste formuleringen. Zo was Duitsland op 21 januari 1960 van plan  Nederland een bedrag voor te stellen van 275 miljoen DM (het totaalbedrag) plus 1 miljoen DM voor de prinselijke  Sonderfall. Het was een post die officieel eigenlijk niet bestond, maar wel steeds weer opdook. Bonn hield dus vast aan het totaalbedrag (Pauschalsumme) van 275 miljoen DM  en wilde om politieke redenen de 1 miljoen (een gulden kostte in 1960 circa 0,90 DM) apart opvoeren, zónder de naam van Bernhard te noemen.

Een paar dagen later was de claim van Bernhard wel opgenomen in het totaalbedrag, maar in een aparte briefwisseling (`niet in samenhang met de ondertekening van het verdrag’), zo luidde de afspraak, zou daarover verantwoording worden afgelegd.[42] Zijlstra zat ermee in zijn maag, want er konden politieke moeilijkheden van komen. Hij had liever gezien dat de 1 miljoen voor Bernhard niet in het totaalbedrag was opgenomen want dan had hij het geld regelrecht, kunnen doorsluizen naar de prins. Als onderdeel van de Pauschalsumme daarentegen moest hij het als begrotingspost  politiek kunnen verantwoorden. Hij had een bewijsstuk nodig, want de Rekenkamer zou lastige vragen ging stellen.
De oplossing werd gevonden in een `vertrouwelijke notawisseling’ met de Duitse ambassade in Den Haag. Daarin zou worden vermeld dat in het totaalbedrag een miljoen DM was begrepen `ter definitieve regeling van een verder, in het financieel verdrag niet uitdrukkelijk genoemd, schadegeval’. In Duitsland zou daaraan geen enkele bekendheid worden gegeven en in Nederland kon zo een `openbare discussie’ worden voorkomen, aldus minister Luns in een brief aan prins Bernhard. Slechts enkele leden van de Staten Generaal ‘onder wie geen communisten’ zouden onder geheimhouding kennis mogen nemen van dat geheime deel van de overeenkomst, maar zelfs dat zou tenslotte achterwege blijven.[43]
En als de zaak onverhoopt toch in de pers of in de volksvertegenwoordiging mocht komen? Ook daarover was nagedacht. De zaak zou dan `kortweg ontkend’ kunnen worden. De betaling lag immers vastgelegd in een geheime notawisseling. En mocht het `binnenskamers’ uitlekken, dan was dat weliswaar vervelend voor de betrokken bewindslieden, maar er zou wel begrip voor zijn `gezien het karakter van deze zaak’.[44] Uiteindelijk werd de betaling aan Bernhard in de samenstelling van de Globalsumme als `apanage’ verantwoord met de opmerking `(N.B. opgenomen in een geheime – niet aan de Staten Generaal overlegd – notawisseling)’.[45]
Op 1 augustus 1963 (toen pas trad het verdrag in werking) kon Bernhard zijn 1 miljoen DM incasseren.[46] De akte 15 april 1943 waarbij Bernhard afstand had gedaan van `iedere nalatenschap van zijn vader en de toekomstige nalatenschap van zijn moeder’ leek door alle partijen gemakshalve te zijn vergeten.

Oost-Duitsland
In februari 1976, rapporteerde de Britse ambassadeur in Den Haag in een vertrouwelijk schrijven aan Londen over de zich ontwikkelende Lockheed-affaire en de reacties die dat teweeg bracht. Behalve Lockheed had hij nóg een interessante mededeling: Bernhard had een fors bedrag uit Oost-Duitsland ontvangen. E.W.J. Barnes schreef:
`In vertrouwen werd ons medegedeeld dat de prins ongeveer $ 300.000 aan restitutiegeld uit Oost-Duitsland heeft ontvangen voor het bezit van zijn moeder, hoewel zijn moeder geen Nederlandse is en dus ook geen recht heeft op restitutie. En hoewel andere claimanten hun claims zagen teruggeschroefd in verhouding tot een bepaald bedrag van de totaal geclaimde som, ontving de prins het gehele bedrag.’
Uit officiële bron had Barnes vernomen dat de kranten het nieuws zou brengen, maar dat was er nog niet van gekomen.[47] Helaas heb ik deze claim niet met méér stukken kunnen onderbouwen en blijft het in tegenstelling tot de andere hier gepresenteerde gevallen een one source verhaal. Ambassadeur Barnes is doorgaans een betrouwbare bron. Het vreemde is evenwel dat Oost-Duitsland niet bepaald bekend stond als een land dat scheutig was met vergoedingen – zelfs integendeel –  en het blijft dan ook een raadsel welke invloedrijke figuren de prins in de toenmalige Deutsche Demokratische Republik heeft kunnen bewegen om zich voor hem in te spannen, temeer daar hij te boek stond als een notoire anticommunist. Voor de rest past de geschiedenis naadloos in het beeld dat hier over de prins en zijn claims oprijst. Hij laat niet los, claimt gelden waarop hij geen rechten kan doen gelden, maar krijgt het desondanks tegen alle regels in toch (met uitzondering van Amerika).
Een nieuwe poging
Mogelijk aangemoedigd door zijn succes en de meegaandheid van de betrokken bewindslieden – die mijns inziens zonder twijfel over de schreef gingen – deed Bernhard opnieuw een poging om de $ 16.000 geconfisqueerd vermogen in de VS los te krijgen. Op 3 mei 1964 schreef hij een brief naar de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Gerhard Schröder, waarin hij verwees naar dat geval. Zijn moeder had hem verteld dat alle Duitsers na de Eerste Wereldoorlog door das Reichschadeloos waren gesteld voor hun verloren gegane bezittingen in Polen en Afrika. De vraag aan Schröder was nu of hij `een kans had een schadeloosstelling voor dit bedrag, wat dat heden ten dage ook mag zijn’, bij de Bondsrepubliek aan te vragen.[48] Als verdragsterritorium vond Bernhard Polen en Afrika duidelijk aan de wat krappe kant. Het waren inmiddels vette jaren voor de prins want in 1960 had hij immers ook al een miljoen dollar smeergeld van Lockheed in zijn zak gestoken. Van Northrop toucheerde hij omstreeks diezelfde tijd zevenhonderdduizend dollar smeergeld.[49] Tegen de Volkskrant zei hij nog: `Ik had geen geld nodig. Niet voor mijzelf. Dat vond ik oninteressant.’ Maar Lockheed vermeldde bij de betalingen aan de prins `childcare’. Toen de Volkskrantjournalisten tegensputterden omdat hij volgens het Lockheed-rapport van de Commissie van Drie eigenlijk altijd met geld bezig was, riep de prins: `Maar dat klopt niet. Voor mijzelf ben ik nooit uit geweest op geld. Ik had genoeg.’[50] Bernhard opereerde in 1964 op twee fronten gelijk: in de VS had hij senator Jacob K. Javits aangeschreven over hetzelfde onderwerp. Javits kende hij van de Bilderbergconferenties, waarvan Bernhard voorzitter was, tot de Lockheed-affaire (1976) daaraan een einde zou maken. Javits wendde zich tot het ministerie van Justitie, maar het antwoord was even teleurstellend als ruim een kwart eeuw daarvoor: geen schijn van kans.[51] Vermoedelijk kende Bernhard dit antwoord al voordat hij zich tot Schröder wendde en probeerde hij (opnieuw) via een Duitse schadevergoedingsregeling het geld binnen te halen. Schröder schreef terug zijn best te hebben gedaan, maar helaas, hij kon Bernhard geen positief antwoord geven. Hij beloofde wel verder te zullen informeren om te zien of er toch geen andere mogelijkheden waren. Schröder zette daarop het ministerie van Financiën aan het werk, maar het resultaat was en bleef voor de prins teleurstellend. Mogelijk echter zou hij in 1978 een nieuwe poging kunnen wagen. In dat jaar zou opnieuw bekeken kunnen worden of vrijgave mogelijk was. Waarom wordt uit de brief niet duidelijk. De prins bedankte Schröder voor de gedane moeite en schreef dat hij de zaak aan zijn kinderen zou overlaten `in de hoop dat die in 1978 de Amerikanen tot betaling kunnen bewegen’.[52] Of zijn dochters dat inderdaad hebben gedaan, is niet bekend.
Welke conclusie kunnen we trekken uit deze financiële avonturen van prins Bernhard? Strikt formeel valt het vooroorlogse geval privaatrechtelijk nog te verdedigen. Met zijn gedrag ligt dat anders. Wellicht was zijn houding niet eens zo vreemd voor iemand die was opgegroeid in een milieu waar democratie als een soort uitwas werd beschouwd. Bernhard kon de democratie gestolen worden en het Nederlandse politieke bestel waarin hij na zijn huwelijk moest functioneren was hem niet alleen vreemd, maar interesseerde hem eigenlijk ook niet.[53] Telkens weer maakte hij misbruik van zijn positie omdat hij zijn plaats niet kende of er simpelweg geen boodschap aan had. Hij deed gewoon wat hij wilde en hij wist zich van meet af aan gedekt door dienaren van de staat. Met zijn gedrag heeft de prins de Nederlandse staat menigmaal gecorrumpeerd en de autoriteiten bleken zelfs bereid om ter wille van zijn ongerechtvaardigde wensen te liegen tegen de volksvertegenwoordiging, normaal gesproken een politieke doodzonde. Al eerder heb ik opgemerkt dat de monarchie infantiliseert en debilisering in de hand werkt. Bernhard begreep dat als geen ander en hij heeft daarvan dankbaar gebruik gemaakt. En net als macht corrumpeert de monarchie. Ook dat heeft prins Bernhard ten volle begrepen. En er gebruik van maakte als hem dat zo uitkwam.

 


[1]  Broertjes, Pieter  & Jan Tromp, De Prins spreekt, Amsterdam, 2004, pp. 27-43.
[2] Geboren als Bernhard Leopold Friedrich Everhard Julius Kurt Karl Gottfried Peter Graf von Biesterfeld. Op 24 februari 1916 werd zijn titel (`Graf’) gewijzigd in Prinz zur Lippe-Biesterfeld.
[3] Pieter & Tromp, De Prins spreekt, De aangehaalde passage is te vinden op p. 87.
[4] Cees Fasseur, Wilhelmina. Krijgshaftig in een vormeloze jas, Amsterdam, 201, p. 130 en Sefton Delmer, Trail Sinister. An Autobiography, Vol. 1, London, 1961, p. 254.
[5] E.J.H. Schrage,  Zur Lippe-Biesterfeld. Prinses Armgard, prins Bernhard en hun houding tegenover nazi-Duitsland, Amsterdam, 2004, pp. 42-43.
[6] Broertjes  & Tromp, De Prins spreekt, p. 87.  Het bedrag is geregeld in artikel 29 van de herziene grondwet 1938.
[7] Wijnen, Harry van, De Prins-Gemaal. Vogelvrij en gekooid, Amsterdam, 1994, p. 25-27. De toelage is geregeld in artikel 29.
[8] National Archives, Londen, FO 944/200 (diverse stukken over claims en verklaringen van Bernhard die stelt dat hij zijn portefeuille op zijn moeder en broer heeft overgedragen om confiscatie door de nazi’s te voorkomen).
[9] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap Verenigde Staten/Legatie Washington, 1814 – 1946, nummer toegang 2.05.13, inventarisnummer 1103, Brief namens de Secretary of State, niet gedateerd. 
[10] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, Brief Hooker aan State Department, 17 juni 1937, Brief Sumner Welles aan Hooker, 19 juni 1937, idem 24 juni 1937, brief Department of Justice aan Hooker, 30 juni 1937 en brief Buitenlandse Zaken aan Gezantschap Washington, 21 juli 1937.
[11] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, Brief aan de Secretary of State, 16 augustus 1937.
[12] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief gezantschap aan Cohu Brothers, 11 oktober 1937 en brief Cohun Brothers aan Gezantschap, 13 oktober 1937.
[13] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief particulier secretaris van prins Bernhard aan Gezantschap Washington, 25 oktober, 1937.
[14] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief van gezant te Washington aan minister van Buitenlandse Zaken, 29 oktober, 1937.
[15] Idem.
[16] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief Gezant Washington aan de minister van Buitenlandse Zaken.
[17] Nationaal Archief, Den Haag, Gezantschap VS, 1814 – 1946, 2.05.13, inv. nr. 1103, brief van ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Gezant te Washington, 29 april 1938.
[18] Broertjes & Tromp, De Prins spreekt, p. 77.
[19] Hatch, Alden, Prins Bernhard. Zijn plaats en functie in de moderne monarchie, Amsterdam, 1962, p. 115 (cognac) en Delmer, Sefton, Black Boomerang,  an autobiography, Vol. II, London, 1962  p. 23 (brandy).
[20] `Defensie betaalde ook voor “Piet Hein”’,  GPD, 18 augustus 2007. Zie voor de Piet Hein, zijn geschiedenis en huidige functie: http://www.piethein.nu/.
[21] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, I/Archief GS 1945-1954, 313.213 Schadeclaims van derden, 728 ~ 20792, map  Kosten reparatie jacht Piet Hein, Brief van Dedel aan minister van Buitenlandse Zaken,  9 januari 1946. 
[22] Zie voor de diverse regelingen: Aalders, Gerard, Berooid. De beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945, Amsterdam, 2001, pp.205-207.
[23]  Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, I/Archief GS 1945-1954, 313.213 Schadeclaims van derden, 728 ~ 20792, map Kosten reparatie jacht Piet Hein, brief van mr. H.L. s’ Jacob (secretaris-generaal van het ministerie van Financiën) aan de minister van Buitenlandse Zaken, 4 februari 1947.
[24] Idem.
[25] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, I/Archief GS 1945-1954, 313.213 Schadeclaims van derden, 728 ~ 20792, map Kosten reparatie jacht Piet Hein, brief aan Jhr. C. Dedel, 5 februari 1947.
[26] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, I/Archief GS 1945-1954, 313.213 Schadeclaims van derden, 728 ~ 20792, map Kosten reparatie jacht Piet Hein, brief ministerie van Financiën aan de minister van Buitenlandse Zaken, 1 mei 1947.
[27] Zie Aalders, Berooid.
[28] Zie Aalders, Berooid, pp. 325-330 en passim. Voor een zeer uitvoerige behandeling van de BRÜG: Biella, Friedrich e.a., Die Wiedergutmachung national­sozia­lis­tischen Unrechts Durch die Bundesrepu­blik Deuts­chland, Das Bun­desrücker­stattungsge­setz. Band II, München, 1981. 
[29] Zie Peter Helmberger, Die Normalisierung der Beziehungen der Bundesrepublik Deutschland zum Königreich der  Niederlande in den 1950er Jahren, (proefschrift), München, 195, p. 149; idem, `Der Versuch einer Generalbereinigung. Die Verhandlungen zwischen den Niederlanden und der Bundesrepublik um den Ausgleichsvertrag vom 8. April 1960, in: Zentrum für Niederlande-Studien, Jahrbuch 4 1993, pp. 71-98  Zie ook Schrage, Zur Lippe-Biesterfeld, p.p. 76-86 en W.H. Weenink, Bankier van de Wereld Bouwer van Europa. Johan Willem Beyen 1897-1976,Amsterdam-Rotterdam 2005, pp.418-419.
[30] Nationaal Archief, Den Haag, 2.09.06, Ministerie van Justitie te Londen, (1936) 1940-1945 (1953), Inv. Nr. 1044, Akte, gedateerd op 15 april 1943. Een Duitstalige akte is bijgevoegd.
[31] Zie ook Schrage, Zur Lippe-Biesterfeld, p. 182, noot 137.
[32] Schrage, Zur Lippe-Biesterfeld, p.83.
[33] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, Entwurf Vermerk Rückerstatttungsansprüche SKH. des Prinzen Bernhard der Niederlande, 3 oktober 1955. Bernhard had zijn `rekening’ als volgt samengesteld: aflossing van 25 jaar apanage van jaarlijks DM 24.000 (vermoedelijk 1919-1944 het jaar van de definitieve uitspraak van het Oberste Fideikommissgericht); nabetaling van achterstallige apanage van jaarlijks DM 24.000 gedurende 33 jaar (niet toegelicht wordt  over welke jaren het gaat, mogelijk zijn er bedragen in verwerkt ten gunste van  zijn broer Aschwin en zijn moeder Armgard). Bernhard verwijst in zijn eis naar diverse rechterlijke uitspraken in 1938, 1941 en 1944.  
[34] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, Entwurf Vermerk Rückerstatttungsansprüche SKH. des Prinzen Bernhard der Niederlande, 3 oktober 1955. Vergelijk Helmberger, Die Normalisierung der Beziehungen, pp.149-150 die twee voorstellen noemt, waarbij een bedrag van respectievelijk DM 130.000 en DM 250.000 wordt genoemd. Dat laatste voorstel was afkomstig van het Bundeskanzleramt.   
[35] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, Entwurf Vermerk Rückerstatttungsansprüche SKH. des Prinzen Bernhard der Niederlande, 3 oktober 1955.
[36] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, diverse correspondentie van en met Gelissen over de claims van Bernhard (1957). Zie voor Gelissen het Biografisch Woordenboek van Nederland http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn2/gelissen. In het particulier archief van Gelissen (Nationaal Archief, Den Haag , toegang 2.21.282) is niets over deze zaak terug te vinden. Voor het citaat van Kaufmann, D 3, 18 april 1957.
[37] Ministerie van Buitenlandse Zaken, ARCHIEF GS 1955-1964, 313.23, Volkenrecht en Internationaal Recht. Recuperatie. Map 203 Duitsland ZKH Prins Bernhard, deel II, 1955-1964, brief 9 maart 1959.
[38] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin,  Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, Brief Etzel aan Zijlstra, 30 november 1959. `Sonderfall’ en `bijzondere betaling’: o.a. brief van 21 januari 1960, brief van ambassadeur Lahr aan Statssektretär Hettlage Bundesminsiterium der Finanzen.
[39] Helmberger, Die Normalisierung der Beziehungen, p. 150.
[40] Ministerie van Buitenlandse Zaken, ARCHIEF GS 1955-1964, 313.23 Volkenrecht en Internationaal Recht. Recuperatie. Map 203 Duitsland ZKH Prins Bernhard, deel II, 1955-1964, Aide Mémoire, 29 juni 1963.
[41] `Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging, met Slotprotocol (Financieel Verdrag)’ van 8 april 1960 in: Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden, Jaargang 1960, Nr. 70.
[42] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin,  Bestand B 86, Abteilung Friedensregelung. Nr. 546, Deutsch-niederländische Ausgleichsverhandlungen, 21 januari 1960; idem, Referat 507 (Bestand B 86), Band 546, dossier Finanz Fragen Prinz Bernhard, 1955-1959, 25 januari 1960 en idem, Vermerk (Vertraulich), 28 januari 1960 (citaat: niet in samenhang etc.)
[43] Ministerie van Buitenlandse Zaken, ARCHIEF GS 1955-1964, 313.23 Volkenrecht en Internationaal Recht. Recuperatie. Map 203 Duitsland ZKH Prins Bernhard, deel II, 1955-1964, Concept Nederlands-Duits Financieel Verdrag, 29 februari 1960; idem, Luns aan Bernhard (onderwerp Apanage, april 1960) en 29 juli 1963; idem, Uittreksel brief aan het ministerie van Financien (geheim), 16 maart 1960 en idem, Aide Mémoire, 29 juni 1963 (m.b.t. de Rekenkamer).
[44] Idem, Memorandum, 12 januari 1963.
[45] Idem, Memorandum, 15 januari 1963.
[46] Idem, Luns aan Bernhard, 29 juli 1963.
[47] National Archives, London, FCO 33/3014, E.J.W. Barnes, British Embassy The Hague to Sir Michael Palliser, K.C.M.G., 27 februari 1976.
[48] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Bestand B 86, Abteilung Friedensregelung. Nr. 1250, Brief van Bernhard aan Schröder, 3 mei 1964.
[49] ` De Northrop-affaire’ in: Vrij Nederland, 2 april 2005.
[50] Broertjes & Tromp, De prins spreekt, p. 24. Voor de `childcare’: Philip Dröge, Het Oranjekapitaal. Een onderzoek naar het vermogen van de invloedrijkste familie van Nederland, Amsterdam, 2004, p. 197.
[51] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Bestand B 86, Abteilung Friedensregelung. Nr. 1250, Brief van de Assistant Attorney General aan Javitz, 22 april 1964. Zie voor de Bilderbergconferenties: Gerard Aalders, De Bilderberg-conferenties. Organisatie en Werkwijze van een Geheim Trans-Atlantisch Netwerk, Amsterdam, 2007.
[52] Politisches Archiv des Auswärtigen Amts, Berlin, Bestand B 86, Abteilung Friedensregelung. Nr. 1250, brief Schröder aan Bernhard, 4 juni 1964; idem, Bundesminister der Finanzen aan Auswärtiges Amt, 22 juni 1964; idem (concept)brief Schröder aan Bernhard, 4 september 1964 en idem, brief Bernhard aan Schröder, 14 september 1964.
[53] Hatch, Prins Bernhard, pp. 50-51 en Van Wijnen, De Prins-Gemaal, p. 27.

Sytze van der Zee zorgde met zijn biografie over François van `t Sant voor enige reuring. ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema was van plan geweest een staatsgreep te plegen. Bij de presentatie van het boek sprak hofleverancier Cees Fasseur (‘Karate Cees‘) de aanwezigen toe. Met humor uiteraard. Maar zijn speech was gelardeerd met dubbele bodems, steken onder water en verwijten aan zijn critici. Waarin een kleine man groot kan zijn.

De couppoging die Van der Zee in Harer Majesteits loyaalste onderdaan onthult, had plaats moeten vinden op 24 april 1947. Aanleiding was het Akkoord van Linggadjati waarin de onafhankelijkheid  van Indonesië werd geregeld. Het Akkoord viel slecht in rechtse kringen die van onafhankelijkheid niets wilden weten. Een aantal politici en oud-verzetsleden vatte daarom het plan op de regering omver te werpen. Pieter Sjoerds Gerbrandy, voormalig premier van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen, zat ook in het complot.

Fasseur publiceerde vorige jaar een biografie over Gerbrandy. De staatsgreep kwam bij Fasseur niet aan de orde, dus dat was pijnlijk. Maar Fasseur redde er zich moeiteloos uit. Als ik hem goed heb begrepen, is alles wat er sindsdien over Gerbrandy (en uiteraard het koningshuis) is geschreven niet meer dan een voetnoot bij wat hij zelf heeft gepubliceerd. En dat zal altijd zo blijven. Het zijn niet meer dan aanvullinkjes waarvan je je ook nog kunt afvragen of ze wel iets toevoegen. Eigenlijk niet, begreep ik, maar aan de andere kant konden ze ook geen kwaad.

Een kleinzoon van Van ’t Sant, die het ooit had gewaagd Fasseur inzage te weigeren in de weinig overgebleven papieren van zijn grootvader  – hij was op de presentatie aanwezig – kreeg voor zijn streek de rekening gepresenteerd, al zullen de meeste aanwezigen Fasseurs steek onder water niet hebben begrepen.
Wat stak was dat Van der Zee die papieren wel had mogen inzien.

Hazelhoff Roelfzema is een van de meest overschatte mensen uit het verzet. Een rechtse houwdegen die het immens met zichzelf had getroffen. De ‘Soldaat van Oranje’ probeerde in 1942 met steun van koningin Wilhelmina contacten te leggen met het rechtse verzet in Nederland. Aan het linkse verzet, dat over het algemeen aanmerkelijk actiever was dan zijn rechtse tegenhanger, had Wilhelmina geen boodschap en Hazelhoff al evenmin.

Wilhelmina wilde het verzet centraliseren. Van ‘Sant, Hazelhoff en prins Bernhard vonden dat een geweldig plan. De Duitsers zullen het daar hartgrondig mee eens zijn geweest want een gecentraliseerde ondergrondse is immers een stuk gemakkelijker te arresteren en te executeren dan allerlei versnipperde kleine groeperingen.
Het gedoe van Hazelhoff (Contact Holland) stond dus primair in het teken van de terugkeer van Wilhelmina. Ze had plannen om Nederland na de oorlog als een verlicht despoot te gaan regeren. De macht van de volksvertegenwoordiging wilde ze tot een minimum beperken. De contactpogingen uit 1942 van Hazelhoff zijn door geklungel op niets uitgedraaid.

Na de oorlog vertoefde Hazelhoff regelmatig in het toenmalige Nederlands Indië. Hij geloofde heilig in het toenmalige gezegde: ‘Indië verloren, rampspoed geboren’. Prins Bernhard trouwens ook. Samen met prominenten uit het Nederlandse bedrijfsleven heeft hij zich krachtig tegen de onafhankelijkheid verzet. De prins had zelfs al een hoofdkwartier in Batavia voor zich laten inrichten maar Wilhelmina – met wie hij het na de oorlog slecht kon vinden – verbood hem te gaan.

De biografie over prins Bernhard van Alden Hatch (die alles braaf noteerde wat Bernhard hem dicteerde) vermeldt ook een staatsgreeppoging. Niet duidelijk is of het dezelfde is als die Van der Zee noemt.Een datum ontbreekt en namen worden niet genoemd, maar helder is wel dat het gaat over leden van het voormalige rechtse verzet, de zogenaamde Ordedienst (OD).
De OD wilde pas in actie komen na de bevrijding van Nederland. Doel was om de terugkeer van koningin Wilhelmina zo soepel mogelijk te laten verlopen.
Van actief verzet tijdens de oorlog kan de OD niet worden verdacht. Hatch beschrijft de coupplegers als lieden waarmee prins Bernhard niets te maken wilde hebben. Naar eigen zeggen had de prins het verzoek van rechtse groeperingen om de macht in Nederland over te nemen consequent afgehouden.

Hatch schrijft dat de heren die Bernhard een bezoek brachten het spuugzat waren. De manier waarop de politiek zich ontwikkelde beviel hun allerminst. Ze wilden een nieuw, sterk bewind dat het land weer op de been kon brengen. Een wens die overeen kwam met Wilhelmina’s licht despotische manier van denken over het landsbestuur. ‘Vernieuwing’ noemde ze dat.

Bernhards bezoekers vond de zittende regering dus maar een stel slapjanussen. Dat was niet waarvoor ze beweerden te hebben gevochten. Alleen Bernhard kon in die situatie verandering brengen. Hij was immers de populairste man van Nederland. Er stond 200.000 man tot zijn beschikking die bereid waren te doen wat hij beval. Ze waren afkomstig uit de voormalige Binnenlandse Strijdkrachten (BS) waarover Bernhard het bevel had gevoerd. Het grootste deel van de BS bestond uit avonturiers en gelukzoekers. Echte verzetsmensen zaten er nauwelijks tussen.
De delegatie wilde de koningin voorstellen om haar, samen met Bernhard, de macht te geven om ‘ons land langs nieuwe wegen op te bouwen tot een land waarin onze idealen worden verwezenlijkt.’ Ze wilden de koningin echter niet benaderen zonder Bernhards toestemming.

Bernhard had toen – weer naar eigen zeggen – met ‘enkele snelle en scherpe woorden’ dat idee voorgoed de kop ingedrukt. Nederland was geen Balkanland, evenmin als de Oranjes despoten waren. Van een dictatuur wilde hij niets weten. Basta.

De prins besloot zijn korte donderspeech met de woorden ‘En nu: Leve de Koningin! Leve ons vaderland!’ Hoewel teleurgesteld toonden de mannen zich voor rede vatbaar: ‘Ze juichten hem toe en vertrokken volkomen ontnuchterd.’
Of Hazelhoff een van hen was, is niet bekend.

RTLnieuws, donderdagavond, 09-07-2015: ‘Niemand wist er van, en niemand mocht het ook weten: het project van prins Bernhard om neushoorns te redden en te infiltreren in de neushoornhandel. Het was geheim. Tot nu.’

Dat Bernhard twee schilderijen had verkocht om de neushoorn te redden had alle alarmbellen moeten doen rinkelen. Bernhard gaf nóóit wat weg. Het ” nieuws’ is al een kwart eeuw oud en het liep in tegenstelling tot wat de zender beweerde heel slecht af. Vertrouw Bernhard (of zijn vrienden) nooit als bron. De kans dat je wordt belazerd is bijna honderd procent.

‘Operatie Lock’ kwam voor het eerst naar buiten in 1991. Bernhard bleek geld beschikbaar te hebben gesteld voor een legertje van (voornamelijk Britse) huurlingen die het stropen in Afrikaanse wildparken moest aanpakken. Op zich een nobele gedachte.
‘Lock’ werd in 1987 opgericht door Bernhard, samen met John Hanks, de directeur van de afdeling Afrika van het Wereldnatuurfonds (WNF), en was actief in zes landen. Het probleem was volgens Hanks dat er veel geld werd gestoken in de bescherming van neushoorns, maar dat er praktisch niets werd gedaan om de handel in ivoor tegen te gaan. Hanks is de bron van het RTLNieuwsbericht.

Bernhard was zich ervan bewust dat het een riskante onderneming was die bovendien erg gevoelig lag omdat ze in strijd was met de officiële politiek van het WNF. De soldaten van Bernhards privéleger infiltreerden in de illegale ivoorhandel en ontdekten bovendien dat het Zuid-Afrikaanse leger – in samenwerking met terreurbewegingen uit Angola en Mozambique – dik geld verdiende aan de handel in ivoor en hoorn van neushoorns. Trouwens ook aan wapens, munitie en drugs. In 1989 trokken Hanks en Bernhard zich terug uit het project.

Operatie Lock liep totaal uit de hand. Het legertje van Bernhard infiltreerde niet alleen in de illegale ivoor- en hoornhandel (om noodzakelijke informatie te verzamelen) maar begon ook zelf handel in ivoor te drijven. Het verschil tussen de good en de bad guys was in een mum van tijd verdwenen. Bernhards huurleger organiseerde zijn eigen smokkelroutes, begon daarnaast de Zuid-Afrikaanse bevolking te terroriseren en fungeerde als speciale trainingseenheid van groepen die door de Zuid-Afrikaanse regering werden ingezet tegen het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) van Nelson Mandela.

Operatie Lock zou moordaanslagen op ivoorhandelaren hebben beraamd. De mannen van Operatie Lock trainden anti-stroperseenheden die niet keken op een leven meer of minder. Stropers zouden in de meeste gevallen zwarte Afrikanen zijn. De lokale Afrikaanse bevolking werd trouwens toch met argusogen bezien en werd bij het minste of geringste verdacht van stropen met alle gevolgen van dien. Van enig begrip voor Afrikanen die al eeuwenlang in de gebieden hadden gewoond, die door het WNF tot wildparken waren uitgeroepen (en daarom in een aantal gevallen naar een ander gebied waren gedeporteerd) was geen sprake.

Toen op een bepaald moment werd vastgesteld dat 400.000 pond spoorloos was verdwenen, was dat de bevestiging dat ‘Operatie Lock’ op hol was geslagen. Bernhard had gemerkt dat van de ongeveer 800.000 pond die hij in het project had gestoken meer dan de helft verdwenen was. Hij klaagde zijn nood bij de Britse prins Philip, de fungerende WNF-president. Scotland Yard stelde een onderzoek in.

Opnieuw dreigde Bernhard in een internationaal schandaal  verwikkeld te raken. (de Lockheed-affaire was net achter de rug). De prins was immers de verantwoordelijke man achter Lock. Of hij niets van de wandaden van zijn huurlingenleger heeft geweten, werd in twijfel getrokken. Het WNF ontkende iedere betrokkenheid bij Operatie Lock. Het was een privéactie van de prins, waarmee de organisatie niets te maken had. Dat de onderneming volledig uit de hand was gelopen was duidelijk.

In Nederland haalde het verhaal echter nauwelijks de publiciteit en de reacties waren navenant. Het bleef bij Bernhards ‘geldelijke betrokkenheid’ bij een organisatie die via undercovermethoden de handel in ivoor wilde tegengaan.
Toen de RVD met het bericht naar buiten kwam dat de prins twee miljoen aan ‘eigen vermogen’ in het project had gestoken, reageerde de pers (afgezien van de Groene) evenmin. Volgens de RVD vond Bernhard de strijd tegen de illegale ivoorhandel zo belangrijk dat hij had besloten buiten het WNF om geld te geven.

Een royale gift uit Bernhards eigen vermogen? Dat had alle alarmsignalen op rood moeten zetten. Het zou de eerste keer zijn dat de prins zich daadwerkelijk als filantroop manifesteerde. Eerder had hij beweerd dat hij het smeergeld van Lockheed aan het WNF had geschonken. Het bleek een leugen.

Een van degenen die zich op het verhaal stortte was de Ier Kevin Dowling. Hij had een aantal bejubelde documentaires over natuurbeheer op zijn naam staan, die waren uitgezonden door onder andere de BBC en Channel 4. Tijdens zijn werk raakte Dowling steeds meer gefascineerd door de ongekende macht en invloed van het WNF.

‘Meer dan acht miljoen vierkante kilometer van de wereld is benoemd tot wildpark of anderszins beschermd natuurgebied. Het is een gebied groter dan het gehele continent van Australië, groter dan India, Afghanistan, Iran en Irak tezamen, en het wordt direct geregeerd door organisaties als het WNF, die de mensen die er wonen behandelt als slaven. Maar dat wist ik niet toen ik eraan begon. Ik geloofde organisaties als WNF op hun woord, slikte hun propaganda en gaf het door.’

In Zambia hoorde Dowling voor het eerst over ‘Operatie Lock’, wie er achter zaten en dat de organisatie was geïnfiltreerd in de ivoorhandel. Dowling was toen bezig met een documentaire voor het WNF ‘Tenpence in the Panda’. Toen hij naar de smaak van het WNF teveel over haar methodes had ontdekt, had hij het voorgoed verbruid. Vooral omdat hij kon aantonen dat zijn informatie uit een intern rapport van het WNF zelf kwam.

Zo bleek onder andere dat gefortuneerde jagers in door het WNF beheerde wildparken tegen forse betaling op olifanten en neushoorns mochten schieten.
Een toezichthouder van een wildpark in Tanzania regelde bij ‘zijn president’ speciale vergunningen zodat de jagers konden ‘oogsten’ wat ze zelf wilden. Bernhard, een jachtliefhebber, benutte zelf niet alle kansen om groot Afrikaans wild dood te schieten; hij stelde zich later steeds vaker tevreden met het maken van films en foto’s.

Volgens Dowling gedroegen de natuurbeschermers zich in hun gebied als feodale vorsten. En altijd kregen de zwarten de schuld. Zwarte stropers konden eigenlijk maar beter ter plekke worden doodgeschoten. Bewoners van wildparken – voor zover niet gedeporteerd – hadden geen rechten, maar hun woongebieden fungeerden ondertussen wel als uitvalsbasis of trainingskamp voor allerhande huurlingen.

Dowling sprak met Channel 4 af een programma te maken over ‘Operatie Lock’, waarover hij een indrukwekkende hoeveelheid informatie had verzameld; niet zelden van insiders. Dowling had zelfs bronnen binnen de Zuid-Afrikaanse geheime dienst en het leger. In 1997 trok Channel 4 plotseling zijn handen af van Dowlings documentaire, die klaar was op de montage na. De zender had een telefoontje gekregen van een van prins Philips naaste medewerkers. Als bij toverslag voldeed de film niet meer aan de kwaliteitseisen van het station, terwijl de verantwoordelijke filmmaatschappij al meer dan tweeduizend documentaires aan Channel 4 had geleverd. De documentaire werd nooit uitgezonden; Kevin Dowling is dood.

De verhalen in de media waren voor president Nelson Mandela van Zuid-Afrika reden om een onderzoek te laten instellen. Rechter M.E. Kumleben kreeg opdracht de zaak uit te zoeken en werd door Mandela benoemd tot voorzitter van de ‘Commission of Inquiry into the Alleged Smugglings of and Illegal Trade in Ivory and Rhinoceros Horn in South Africa’.
In 1996 leverde de rechter zijn rapport in. Het Zuid-Afrikaanse leger bleek zich schuldig te hebben gemaakt aan het uitmoorden van beschermde diersoorten als olifanten en neushoorns. Het leger was inderdaad betrokken geweest bij de handel in ivoor en hoorn. Dat alles had zich afgespeeld tussen 1975 en 1987. Het leger had de bedreigde neushoorns en olifanten vooral uitgemoord in Angola en Namibië, waar het regelmatig illegaal binnentrok om jacht te maken op guerrillastrijders die zich daar schuilhielden.

Het rapport-Kumleben besteedde ook de nodige aandacht aan Operatie Lock en prins Bernhard. Lock bleek te zijn uitgevoerd door de firma KAS Enterprises Ltd en was inderdaad een privé-initiatief van prins Bernhard geweest. KAS had voor Operatie Lock voornamelijk voormalige Britse ex-commando’s in dienst genomen. Rechter Kumleben kwam tot de conclusie dat zich in Afrika veel kwalijke zaken onder het mom van natuurbescherming afspeelden. Een groot internationaal netwerk met verschillende economische belangen had via het WNF enorme stukken beschermd natuurgebied onder controle gekregen. Die gebieden fungeerden als thuisbasis voor hun illegale praktijken.

Kumleben had tal van aanwijzingen dat Lock betrokken was geweest bij aanslagen op de bevolking van Zuid-Afrika, maar durfde daarover bij gebrek aan voldoende bewijs geen harde uitspraken te doen. Ook zouden de huurlingen van Operatie Lock ‘bevrijdingsbewegingen’ hebben getraind. Een Zuid-Afrikaanse militaire inlichtingendienst die op zijn beurt in Operatie Lock was geïnfiltreerd, ontdekte dat de leider van Bernhards privéleger de Zuid-Afrikaanse regering samenwerking had aangeboden. Als ze met Lock samenwerkten zou die informatie over anti-apartheidsorganisaties in het buitenland doorspelen. Het verschil tussen de aanvankelijke intentie en de uitvoering van Bernhards plan had niet groter kunnen zijn.

Nog even terug naar Bernhards eerste filantropische oprisping. Het zat anders in elkaar dan de RVD het heeft voorgesteld.
In het najaar van 1988 bood Sotheby’s in Londen twee schilderijen te koop aan uit de privécollectie van Juliana en Bernhard. De verkoop vond plaats op een bijzondere veiling: A Future for Nature. Geveild werden ‘De heilige familie’ van de Spanjaard Bartolomé Esteban Murillo en ‘De verkrachting van Europa’ dat wordt toegeschreven aan de Italiaanse Elisabetti Sirani. De Murillo, vooraf geschat op 60.000 tot 80.000 pond, bracht maar liefst 600.000 Britse ponden op. De Sirani, getaxeerd op 6.000 à 8.000 pond, deed het verhoudingsgewijs nog beter en wisselde voor 100.000 pond van eigenaar

De koper of kopers van de stukken wilden in beide gevallen anoniem blijven. De veiling was georganiseerd door Heinrich von Thyssen-Bornemisza, een gewaardeerd lid van de Pandaclub (een club die het WNF financieel steunt) en zelf een fameus kunstverzamelaar. De opbrengst was volgens de catalogus bestemd voor het WNF (wat bij nader inzien ‘Operatie Lock’ bleek te zijn).

De verkoop voldeed aan alle voorwaarden voor een fiscale truc. Natuurbescherming kan belastingtechnisch heel aantrekkelijk zijn, omdat giften aftrekbaar zijn. Uit een brief van Juliana’s schatkistbewaarder aan het WNF blijkt dat Juliana zich verplichtte vijf jaar lang 200.000 pond aan het WNF in Zwitserland te betalen.
De verkoop had Juliana een prachtige aftrekpost opgeleverd voor twee schilderijen die nog geen tien procent waard waren van het bedrag waarvoor ze werden verkocht (volgens artikel 40 van de Grondwet wordt de koning geacht belasting te betalen over extra inkomsten). De schilderijentruc wordt naar verluidt vaker in de kunstwereld toegepast en werkt zo goed omdat de kopers anoniem kunnen blijven. Op die manier is het bijvoorbeeld mogelijk je eigen schilderij te kopen. Geen haan die ernaar kraait. Er wordt er een mooie aftrekpost gecreëerd, het schilderij blijft in eigen bezit en de koopsom vloeit terug in eigen zak.

Het is overigens zeer de vraag of Bernhard mede-eigenaar van die schilderijen was of dat ze privébezit van Juliana waren. Ze waren niet in gemeenschap van goederen getrouwd en van een gezamenlijke kunstcollectie is – voor zover bekend – nooit sprake geweest. Als dat juist is, dan heeft prins Bernhard mooi weer gespeeld met het bezit van zijn echtgenote, die er overigens vanwege het fiscale douceurtje niet onder hoefde te lijden.

Bernhard

Annejet van der Zijl heeft een fascinerend boek geschreven over het leven van prins Bernhard. Zij schildert het beeld van een weergaloze egoïst, een man die zijn leven lang loog en bedroog en bovendien aan een onstilbare geldhonger leed. Het zal de lezers van de serie ‘Kroniek van een Charlatan’ in dit blad vertrouwd voorkomen, maar het is goed dat het nu van niet-republikeinse zijde wordt bevestigd. Lezing van Bernhard Een verborgen geschiedenis doet je (opnieuw)  beseffen dat de biografie van Alden Hatch uit 1962 en het grote, in 2004 postuum verschenen interview met Bernhard in de Volkskrant niets anders zijn dan door de prins gedicteerde leugens. Zowel Jan Tromp en Pieter Broertjes van de Volkskrant als Bernhards Amerikaanse biograaf Hatch hebben braaf opgetekend wat Bernhard hen voorschotelde. Geen feit werd gecheckt zoals Van der Zijl in haar proefschrift nog eens pijnlijk duidelijk aan het licht brengt.

Het is ook een verademing dat ze wijlen Wim Klinkenberg, Bernhards eerst kritische biograaf, in zijn waarde laat en niet doet wat alle Bernhard-adepten steeds hebben gedaan, namelijk hem wegzetten als de laatste stalinist van Nederland en dus onbetrouwbaar. Voor Cees Fasseur, zelf getuige zijn Juliana & Bernhard uit 2008 een Bernhard-adept, moet het werk van Van der Zijl even slikken zijn geweest. Dat hij toch in haar promotiecommissie plaatsnam, siert hem. Fasseur was zelfs de degene die Van der Zijl adviseerde op haar studie over Bernhards leven te promoveren.

ZWIJNEBOEL
De grote verdienste van de biografe is dat ze vroegste jeugd van Bernhard heeft onderzocht door familieleden te benaderen en familiearchieven door te spitten of dat te laten doen, onder het motto dat wie de mens Bernhard wil leren kennen en begrijpen terug moet naar de eerste jaren van zijn leven. Van der Zijl gaat echter nog verder terug: we krijgen een uitgebreide familiegeschiedenis voorgeschoteld die vrijwel exact het tegenovergestelde is van wat Bernhard, zijn toegewijde biografen en hem welgezinde publicisten ons altijd hebben willen doen geloven. Van der Zijl beschrijft de opvolgingsstrijd in het wilhelmische Duitsland om de troon van het vorstendom Lippe-Detmold, waarin zich ook de Biesterfeldtak had gemengd. Die familietak, waaruit Bernhard voortkwam, werd door prinses Victoria, de zuster van de Duitse keizer Wilhelm II zonder omwegen getypeerd als ‘walgelijke gemene mensen, die zich vorstelijke allures hebben aangemeten. Kunnen de Duitse vorsten zo’n zwijneboel verdragen?’
Een Biesterfelder op de troon? Dan kon je volgens Victoria net zo goed de eerste de beste ‘meneer Müller’ of ‘juffrouw Schulz’ erop zetten. Geen van Bernhards grootvaders had een vorstelijke of prinselijke titel en zijn vader was net zo min als Bernhard zelf met een hoge adellijke titel geboren. De latere prins der Nederlanden wilde ons maar al te graag anders doen geloven. Een titel bij de geboorte stond in adellijke kringen hoger aangeschreven dan een titel die iemand tijdens zijn of haar leven verwierf. Vandaar Bernhards overgevoeligheid. Hij was daarom buitengewoon aan het voorvoegsel ‘prins’ gehecht. Het was niet voor niets dat hij Wilhelmina er in 1948 zelfs ‘de’ voor liet zetten en zo als het ware ‘de Prins der Nederlanden’ werd.

TOLLE LOLA
Bernhards moeder, Armgard von Cramm, was van hetzelfde laken een pak. Het was een wilde tante wier bijnaam ’tolle Lola’ niet geheel uit de lucht gegrepen lijkt. Het blijkt dat Bernhard de Amsterdamse hoogleraar Eltjo Schrage, die in 2004 met enthousiaste medewerking van de prins een boek over Armgard publiceerde, eveneens behoorlijk op het verkeerde been heeft gezet.

Het huwelijk van Bernhard Senior met Armgard werd binnen de familie als ongewenst gezien. Het werd daarom een zogenaamd morganatisch huwelijk, wat in de praktijk betekende dat Armgard geen rechten kon doen gelden op de titel of het vermogen van haar man. De rechten van kinderen die uit een morganatische verbintenis werden geboren, waren eveneens behoorlijk ingeperkt. Armgard was in feite weinig meer dan een ‘geregistreerde maitresse’ wat in sociaal opzicht zonder meer een ramp was. Kinderen uit een morganatisch huwelijk werden behandeld als ‘veredelde bastaarden’ , zoals Van der Zijl ons onomwonden meedeelt, zonder daarbij echter aan te geven waarop ze dat oordeel baseert; hel aas een veelvuldig voorkomend euvel in dit boek dat als proefschrift het licht zag. Het vermoeden lijkt gewettigd dat Robert Ammerlaan, die vele gesprekken met prins Bernhard voerde ten behoeve van een nog altijd niet verschenen biografie, aan een groot onheil is ontsnapt. We kunnen er na Van der Zijls proefschrift immers vanuit gaan dat het gros van Bernhards verhalen uit de royale duim van de Prins der Nederlanden werd gezogen.

ARMZALIG BESTAAN
Bernhard adoreerde zijn moeder zozeer dat hij uit liefde voor haar met Juliana trouwde, zei de promovenda tijdens haar promotie. Een huwelijk met de Nederlandse troonpopvolgster zou een
einde maken aan het armzalige bestaan dat zijn moeder leidde op Reckenwalde, Bernhards geboortehuis. Zijn huwelijk met Juliana zag hij als ‘een uitdaging’ om er wat van te maken, vertelde hij tegen Broertjes en Tromp in het inmiddels beruchte interview. Het verschafte hem aanzien, geld en een vorstelijk onderkomen, allemaal zaken waaraan Bernhard de grootst mogelijke waarde hechtte, maar die hij tot aan zijn huwelijk in 1937 moest ontberen. Het verhaal van Bernhards jeugd Staatsieportret Prinses Armgard (1916) plaatst Van der Zijl tegen de achtergrond van de Republiek van Weimar en de overlevingsstrijd die de adel daar voerde na de ineenstorting van het keizerrijk. Ze lijkt daarbij zwaar te steunen op Vom König zum Führer. Deutsche Adel und Nationalsozialismus van Stephan Malinowski uit 2004 en het in 2006 verschenen Royals and the Reich van Jonathan Petropoulos, maar dat is in het notenapparaat niet terug te vinden. Na de uitgebreide inleiding over de familieachtergronden komt Bernhard zelf pas echt aan bod als hij na ar de middelbare school gaat. Aan de opkomst van het nationaalsocialisme wordt de nodige aandacht besteed en ondanks alle ontkenningen in zijn latere leven zal de geschiedschrijving er niet langer omheen kunnen dat Bernhard wel degelijk lid is geweest van diverse nazi-organisaties, inclusief de NSDAP. Dat laatste bleef hij overigens tot zijn laatste snik ontkennen. Tegenover Broertjes en Tromp verklaarde hij dat zelfs met de hand op de bijbel te durven zweren.

NAZISME
De schrijfster legde de hand op Bernhards lidmaatschapskaart van de Deutsche Studentenschaft waarop staat vermeld dat hij in 1933 lid werd van de Duitse nazipartij. Volgens de recensie van Jan Tromp in de Volkskrant was daarmee toch niet het definitieve bewijs van het lidmaatschap geleverd omdat het handschrift niet van Bernhard zelf zou zijn. De NOS klampte zich in een speciale uitzending eveneens aan die laatste strohalm van de krant vast, wat aan de schrijfster de verzuchting ontlokte dat het niet erg waarschijnlijk was dat men al medio jaren dertig, nota bene in de glorietijd
van het nazisme, bezig zou zijn geweest zijn nazibanden te verdoezelen. Maar dan nog: ook de Studentenschaft zelf had sterke banden met de nazibeweging en de prins bleek zelfs lid te
zijn geweest van een nazistisch angehauchte tennisclub. Het is verbazingwekkend om te zien hoe hardnekkig sommigen nog steeds weigeren de ware feiten van Bernhards leven te accepteren. Want hoe erg was het om NSDAP-lid te worden in 1933? Het kan immers simpelweg opportunisme zijn geweest – ook die trek tekent Bernhard ten voeten uit. Want de nazi’s kregen het in dat jaar immers in Duitsland voor het zeggen. Een democraat is hij bovendien nooit geweest en antisemitisme bleek in zijn kringen bepaald geen uitzondering, zoals we in deze biografie kunnen lezen.

STAGIAIR
De ontmoeting tussen Bernhard en zijn toekomstige echtgenote in 1936 krijgt vanzelfsprekend uitgebreid aandacht. Toch gaat van der Zijl voorbij aan enkele serieuze alternatieve scenario’s voor hoe die tot stand kwam, zoals bijvoorbeeld werden geopperd door Sefton Delmer, de in de jaren dertig in Berlijn gestationeerde sterreporter van de Daily Express met wie Bernhard een levenslange vriendschap zou sluiten. Die alternatieven zijn ook in het notenapparaat niet terug te vinden, wat voor een biografie een gemis is. Dat weegt des te zwaarder omdat van der Zijl toch al slechts een zeer beperkt deel van het lange leven van de hoofdpersoon beschrijft. Welbeschouwd omspant haar werk niet veel meer dan een jaar of dertig, want na zijn huwelijk in 1937 houdt ze het zo’n beetje voor gezien. Na de vermelding dat Bernhard ook de nodige onzin de wereld had ingestuurd over zijn baan bij een Parijs filiaal van de Duitse chemiegigant IG Farben, waar hij tijdens zijn ontmoeting met Juliana werkte, is er nauwelijks nog iets nieuws in het boek te vinden. Bernhard bleek er gewoon stagiair te zijn geweest en anders dan hij altijd beweerde stond hij helemaal niet op de nominatie om binnen luttele jaren tot de directie toe te treden.

STADHOUDERSBRIEF
Aan de vijf oorlogsjaren wijdt de biografe slechts veertig pagina’s, terwijl die tijd toch bepalend is geweest voor zijn immense naoorlogse populariteit. Haar opmerking dat als Bernhard zijn gezin naar Canada was gevolgd, hem eeuwig het ‘etiket van laffe vluchteling’ zou zijn blijven aankleven, wordt nergens hard gemaakt, laat staan gedocumenteerd. Is het zoveel laffer om na uit Nederland te zijn gevlucht niet in Londen te blijven maar nog even door te vluchten naar Canada? Ook aan ’s prinsen rol bij de Nederlandse inlichtingendiensten in Londen wordt nauwelijks een woord vuil gemaakt, terwijl daarover veel materiaal beschikbaar is. Kennis van de Tweede Wereldoorlog is trouwens toch
niet Van der Zijls forte, net zo min als kennis van de Duitse geschiedenis. Al in juni 1942 is volgens haar de oorlog definitief ten gunste van de geallieerden gekeerd. Een bronverme1ding kan er niet af. De befaamde Britse historicus Richard Overy heeft in zijn boek Why the Allies won aangetoond dat die opvatting volstrekte onzin is. De even befaamde als ongrijpbare stadhoudersbrief komt pas ter sprake in het laatste hoofdstuk, dat een soort nabeschouwing is over de periode 1945 tot aan zijn dood in 2004. Als biografe kun je om die mythe of hoe je het ook wilt noemen niet heen. Ze dicht het verbaal toe aan ‘jonge langharige verslaggevers’ die ‘in de nasleep van Lockheed hun eigen kruistocht in spijkerbroek ondernamen’. Een bron geeft ze niet en een verwijzing naar literatuur waar het ontstaan van het verhaal wel uitvoerig uit doeken wordt gedaan kan er evenmin af.

SPROOKJESPRINS
Van der Zijls analyse van Bernhards karaktertrekken is volkomen juist en het beeld van een uitgekookte mythomaan dat ze neerzet, is geloofwaardig en zal moeilijk onderuit te halen zijn.
Maar met haar eindconclusie ben ik het hartgrondig oneens. Die luidt dat het Nederlandse volk een sprookjesprins wilde, en dat we daarom niet moeten zeuren als hij dan ook daadwerkelijk sprookjes gaat vertellen. Daar was hij toch voor? Tsja. Volgens Van der Zijl is iedereen dus aanspreekbaar op de strapatsen van de prins, met uitzondering van hemzelf. Maar Bernhard is net als ieder mens aansprakelijk voor zijn eigen gedrag. Dat verandert niet als iedereen je steeds naar de mond praat. En een verklaring voor zijn corrupte gedrag in de affaires Lockheed en Northrop is het al evenmin. Kortom, vanwege haar glasheldere typering van de hoofdpersoon blijf ik het als boek een absolute must vinden maar als proefschrift is het helaas beneden de maat. De grote vraag is niet of, maar waarom de promotiecommissie, waarin onder anderen de hoogleraren Cees Fasseur en Hans Blom zitting hadden, andere normen heeft gehanteerd dan gebruikelijk. Van der Zijl is weliswaar zelf verantwoordelijk voor de inhoud van haar boek, maar de commissie heeft als taak het wetenschappelijk niveau te bewaken en erop toe te zien dat voldaan wordt aan elementaire
eisen die aan een dissertatie gesteld mogen worden.

We mogen om te beginnen een deugdelijke vraagstelling verwachten. Wat wil je precies aantonen en waarom wil je dat doen? En wat is het nieuwe of unieke van je onderzoek? Uitgangspunt van deze dissertatie is simpelweg ‘what makes Sammy run’. Dat is wel erg mager. En dan de periodisering. Zoals gezegd beslaat de biografie slechts een deel van Bernhards leven. Maar waarom? Zo’n begrenzing moet je vanzelfsprekend uitleggen. Waarom nam deze commissie dan toch genoegen met een kwart biografie zonder dat daarvoor een plausibele reden wordt gegeven? We kunnen er slechts naar gissen. Maar er is meer. Ik wees al op het keerpunt in de oorlog dat volgens de promovenda al in juni 1942 een feit zou zijn, ruim een half jaar voordat het na het Duitse echec bij Stalingrad werkelijk zover was. Vreemd is ook dat de Reichswehr, het leger dat Duitsland na de Vrede van Versailles op de been mocht houden, door Van der Zijl eigenmachtig is gereduceerd tot slechts 900 man – in werkelijkheid waren het er 100.000. Hier kan geen sprake zijn van een typefout. Het notenapparaat geeft wederom geen uitsluitsel hoe ze aan dat getal komt, dus wat of wie ze heeft geraadpleegd, blijft een raadsel. Een deugdelijke bron kan het in geen geval geweest zijn.

EUVEL
De literatuurlijst achterin Van der Zijls boek is lang genoeg, maar in de verwijzingen bij de tekst vinden we al die veelbelovende titels nauwelijks terug. Het grootste euvel van haar
dissertatie is echter het gebrekkige notenapparaat dat die naam helaas nauwelijks verdient, zodat maar weinig van haar bevindingen te verifiëren zijn. Op vrijwel iedere pagina gaat het
vaak meer dan eens mis en zoek je tevergeefs naar de herkomst van een opmerking, citaat, bewering, quote of analyse. De eerste de beste student die een scriptie met zo’n notenapparaat inlevert krijgt hem linea recta retour. Een sterk voorbeeld is dat zelfs haar unieke vondst van Bernhards studentenkaart het moet stellen zonder deugdelijke bronvermelding. In andere gevallen verwijst een noot slechts naar de National Archives in Washington DC. Daar schiet je zonder nadere vindplaats weinig mee op, want in het wilde weg is het lastig zoeken tussen de vele honderden miljoenen documenten die daar liggen. En nu we het toch over archieven hebben: van de Office of Strategy Services die ze enkele keren noemt, had ik nog nooit gehoord. Wel van het Office of Strategic Services.

PRETCOMMISSIE
Nog een raadsel is waarom er tussen de acht leden van haar promotiecommissie geen enkele Duitslandexpert zat. Want het ging bepaald niet alleen erg fout in haar beschrijving van de
Reichswehr. Een kenner van de Europese geschiedenis – en dan bedoel ik niet Geert Mak maar een echte expert – zou eveneens goed werk hebben kunnen doen. Op bladzijde 92 bijvoorbeeld beschrijft de biografe hoe de Russische tsaar op 14 mei 1917 werd gedwongen zijn verklaring van troonafstand te tekenen. Dat had hij echter al op 15 maart 1917 gedaan.
Ondertussen laat ze op dezelfde pagina de geallieerden, die doodsbang zouden zijn dat de Russen de strijd tegen Duitsland zouden opgeven, ‘in allerijl’ het nieuwe communistische bewind erkennen. Dat is raar, want in maart noch mei van dat jaar was er al sprake van zo’n bewind. Dat werd pas in oktober gevestigd – of volgens de kalender nieuwe stijl: in november.
En dat Parijs, Londen en Washington het communistische regime, anders dan Van der Zijl ons wil doen geloven, niet in 1917 maar pas in respectievelijk 1924, 1928 en 1933 hebben
erkend, is kennelijk ook alle leden van deze pretcommissie ontgaan. Een laatste willekeurig voorbeeld tot slot. Op pagina 193 laat Van der Zijl de Duitse communisten in de periode 1930-1931 vriendjes worden met de socialisten in een poging om gezamenlijk Hitler tegen te houden. In werkelijkheid stonden beide partijen elkaar in die tijd zo ongeveer naar het leven.
Deze keer verwijst Van der Zijl in haar notenapparaat bij hoge uitzondering
wel naar een bron – Geert Mak, tevens lid van haar promotiecommissie, maar dan wel weer zonder een paginanummer te geven. Annejet van der Zijl heeft in ieder geval bewezen dat een boeiend boek een belabberde dissertatie kan opleveren. Toekomstige promovendi die op een koopje willen promoveren weten nu bij welke hoogleraren ze moeten aankloppen. UVA-docent dr. Willem Melching kunnen ze maar beter mijden.
Hij is de enige in het koor van kritiekloos juichende recensenten die de promotiecommissie op haar verantwoordelijkheid heeft aangesproken.

Annejet van der Zijl, Bernhard. Een verborgen geschiedenis, Querido

Dit artikel verscheen eerder in De Republikein